Dinsdag organiseert de socialistische vakbond ABVV een nationale betoging voor een sterke sociale zekerheid. Daarvoor werd ook een stakingsaanzegging ingediend. De eisen daarbij zijn onder meer een minimumpensioen van 1.500 euro netto, een wettelijke pensioenleeftijd van 65 en sociale uitkeringen boven de armoedegrens. Volgens de organisatoren wordt de sociale zekerheid vandaag uitgekleed en moet het dringend anders. Die analyse is maar voor de helft correct.

Vergrijzingsfactuur overschaduwt sterke sociale zekerheid

We hebben vandaag al een sterke sociale zekerheid. Ondanks alle stemmingmakerij rond de vermeende keiharde besparingen van de voorbije jaren zijn de sociale overheidsuitgaven in ons land op Frankrijk na de hoogste onder de industrielanden. Als er ook rekening gehouden wordt met landen die hun sociale zekerheid eerder privaat regelen, zijn de totale sociale uitgaven in ons land de derde hoogste onder de industrielanden. Bovendien stagneerden de sociale uitgaven de voorbije jaren in de buurt van hun historische piekniveau. Van sociale afbraak kan dan ook moeilijk sprake zijn.

Die uitgaven kunnen zeker efficiënter ingezet worden, maar niettemin mogen de resultaten gezien worden. Het Belgische systeem van uitkeringen en belastingen hoort bij de meest herverdelende in Europa. Dat resulteert in een zeer gelijke inkomensverdeling in ons land. Voor indicatoren van inkomensongelijkheid staat België in de top 5 van Europa. We doen het op dat vlak trouwens beter dan landen als Finland, Nederland en Zweden. Op het vlak van armoede is het beeld minder éénduidig. Het armoederisico ligt in België in de buurt van het Europese gemiddelde. Anderzijds hoort Vlaanderen wel bij de regio's met de laagste armoede in Europa.

We hebben dus een sterke sociale zekerheid, en die staat ook niet ter discussie. Toch moet het inderdaad dringend anders. De sociale zekerheid staat immers voor een enorme uitdaging. De veroudering van de bevolking zal de komende decennia de overheidsuitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg fors hoger duwen. Volgens de Europese Commissie zullen de jaarlijkse totale sociale overheidsuitgaven in 2070 4,6% van het BBP hoger liggen dan vandaag. In euro's van vandaag komt dat overeen met 22 miljard. In een minder optimistisch scenario voor groei en werkgelegenheid kan dat oplopen tot 32 miljard. Hoe dan ook kent België één van de zwaarste vergrijzingsfacturen van Europa, vooral omdat wij de voorbije decennia minder hervormd hebben dan andere landen om ons daarop voor te bereiden. Om onze huidige sociale zekerheid te behouden, moeten we dus een manier vinden om die factuur op te vangen. Eisen zoals een hoger minimumpensioen of hogere uitkeringen die de actievoerders ook op tafel leggen, duwen die factuur uiteraard nog hoger. Volgens de doorlichting door het Planbureau voor de verkiezingen komt de jaarlijkse factuur van het hogere minimumpensioen en de hogere uitkeringen op 4,5 miljard euro.

Geen onbeperkte pot belastinggeld

Voor de actievoerders ligt het voor de hand: het gaat om de sociale zekerheid, dus moeten we dat gewoon betalen. En dat kan makkelijk via 'eerlijke' belastingen op kapitaal en vermogen. Dat bleek ook in de hoorzitting over de toekomst van de sociale zekerheid in de commissie sociale zaken van de Kamer in november. Daar werden verschillende voorstellen gelanceerd om de financiering van de sociale zekerheid te regelen: meer sociale bijdragen, meer BTW-ontvangsten, meer roerende en onroerende voorheffing, een vermogensbelasting en een CO2-heffing.

Al die voorstellen gaan voorbij aan het eenvoudige feit dat we vandaag al de tweede zwaarste belastingdruk van Europa hebben. De totale belastingdruk bedraagt in ons land 47,2% van het BBP. Enkel in Frankrijk lag die met 48,4% nog hoger. Als we de vergrijzingsfactuur en de hogere uitkeringen willen opvangen met extra belastinginkomsten, dan moet de totale belastingdruk naar bijna 53% van het BBP, wat met ruime voorsprong de hoogste van Europa zou zijn. Dat zou niet lukken zonder belangrijke economische schade. Extra inkomsten voor de overheid mag dan voor sommigen makkelijk klinken, zeker als die betaald zouden worden door 'anderen', zoals de grote vermogens of de multinationals. De realiteit is dat de overheidsinkomsten in ons land al zeer hoog liggen en dat er limieten zijn aan hoe ver we die belastingdruk nog kunnen opdrijven.

Het moet inderdaad dringend anders om onze sociale zekerheid te verzekeren. Minder lang werken en hogere belastingen zijn daarbij niet het antwoord. Daarmee zou immers de economische activiteit, het fundament van de sociale zekerheid, aangetast worden. De vermeende oplossingen van de actievoerders zouden op die manier de sociale zekerheid net ondermijnen. De recepten om de sociale zekerheid te versterken zijn nochtans gekend en worden al langer met succes toegepast onder meer in Scandinavië: meer mensen langer aan het werk en efficiënter omgaan met de bestaande overheidsmiddelen. Zo geven de OESO en de Europese Commissie aan dat onze gezondheidszorg dezelfde kwaliteit zou moeten kunnen leveren met zo'n 6 miljard euro minder.

Dat zijn potentiële efficiëntiewinsten waarvan we het ons niet langer kunnen veroorloven om die te negeren. Maar daarvoor wordt dinsdag dus niet betoogd. Integendeel, veel van de maatregelen om meer mensen aan het werk te houden zoals een hogere pensioenleeftijd, de afschaffing van het brugpensioen of meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt botsten eerder al op protest. Toch moeten we die richting uit voor een sterke sociale zekerheid. Er zou net betoogd moeten worden omdat de noodzakelijke hervormingen uitblijven om onze economie beter te doen draaien en op die manier de fundamenten van de sociale zekerheid te versterken. In tegenstelling tot wat sommigen lijken te denken, is er nu eenmaal geen onbeperkte pot belastinggeld waarmee we alle uitdagingen van de sociale zekerheid makkelijk kunnen opvangen.

Bart Van Craeynest is hoofdeconoom bij Voka en auteur van 'Terug naar de feiten'

Dinsdag organiseert de socialistische vakbond ABVV een nationale betoging voor een sterke sociale zekerheid. Daarvoor werd ook een stakingsaanzegging ingediend. De eisen daarbij zijn onder meer een minimumpensioen van 1.500 euro netto, een wettelijke pensioenleeftijd van 65 en sociale uitkeringen boven de armoedegrens. Volgens de organisatoren wordt de sociale zekerheid vandaag uitgekleed en moet het dringend anders. Die analyse is maar voor de helft correct. We hebben vandaag al een sterke sociale zekerheid. Ondanks alle stemmingmakerij rond de vermeende keiharde besparingen van de voorbije jaren zijn de sociale overheidsuitgaven in ons land op Frankrijk na de hoogste onder de industrielanden. Als er ook rekening gehouden wordt met landen die hun sociale zekerheid eerder privaat regelen, zijn de totale sociale uitgaven in ons land de derde hoogste onder de industrielanden. Bovendien stagneerden de sociale uitgaven de voorbije jaren in de buurt van hun historische piekniveau. Van sociale afbraak kan dan ook moeilijk sprake zijn. Die uitgaven kunnen zeker efficiënter ingezet worden, maar niettemin mogen de resultaten gezien worden. Het Belgische systeem van uitkeringen en belastingen hoort bij de meest herverdelende in Europa. Dat resulteert in een zeer gelijke inkomensverdeling in ons land. Voor indicatoren van inkomensongelijkheid staat België in de top 5 van Europa. We doen het op dat vlak trouwens beter dan landen als Finland, Nederland en Zweden. Op het vlak van armoede is het beeld minder éénduidig. Het armoederisico ligt in België in de buurt van het Europese gemiddelde. Anderzijds hoort Vlaanderen wel bij de regio's met de laagste armoede in Europa. We hebben dus een sterke sociale zekerheid, en die staat ook niet ter discussie. Toch moet het inderdaad dringend anders. De sociale zekerheid staat immers voor een enorme uitdaging. De veroudering van de bevolking zal de komende decennia de overheidsuitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg fors hoger duwen. Volgens de Europese Commissie zullen de jaarlijkse totale sociale overheidsuitgaven in 2070 4,6% van het BBP hoger liggen dan vandaag. In euro's van vandaag komt dat overeen met 22 miljard. In een minder optimistisch scenario voor groei en werkgelegenheid kan dat oplopen tot 32 miljard. Hoe dan ook kent België één van de zwaarste vergrijzingsfacturen van Europa, vooral omdat wij de voorbije decennia minder hervormd hebben dan andere landen om ons daarop voor te bereiden. Om onze huidige sociale zekerheid te behouden, moeten we dus een manier vinden om die factuur op te vangen. Eisen zoals een hoger minimumpensioen of hogere uitkeringen die de actievoerders ook op tafel leggen, duwen die factuur uiteraard nog hoger. Volgens de doorlichting door het Planbureau voor de verkiezingen komt de jaarlijkse factuur van het hogere minimumpensioen en de hogere uitkeringen op 4,5 miljard euro. Voor de actievoerders ligt het voor de hand: het gaat om de sociale zekerheid, dus moeten we dat gewoon betalen. En dat kan makkelijk via 'eerlijke' belastingen op kapitaal en vermogen. Dat bleek ook in de hoorzitting over de toekomst van de sociale zekerheid in de commissie sociale zaken van de Kamer in november. Daar werden verschillende voorstellen gelanceerd om de financiering van de sociale zekerheid te regelen: meer sociale bijdragen, meer BTW-ontvangsten, meer roerende en onroerende voorheffing, een vermogensbelasting en een CO2-heffing. Al die voorstellen gaan voorbij aan het eenvoudige feit dat we vandaag al de tweede zwaarste belastingdruk van Europa hebben. De totale belastingdruk bedraagt in ons land 47,2% van het BBP. Enkel in Frankrijk lag die met 48,4% nog hoger. Als we de vergrijzingsfactuur en de hogere uitkeringen willen opvangen met extra belastinginkomsten, dan moet de totale belastingdruk naar bijna 53% van het BBP, wat met ruime voorsprong de hoogste van Europa zou zijn. Dat zou niet lukken zonder belangrijke economische schade. Extra inkomsten voor de overheid mag dan voor sommigen makkelijk klinken, zeker als die betaald zouden worden door 'anderen', zoals de grote vermogens of de multinationals. De realiteit is dat de overheidsinkomsten in ons land al zeer hoog liggen en dat er limieten zijn aan hoe ver we die belastingdruk nog kunnen opdrijven. Het moet inderdaad dringend anders om onze sociale zekerheid te verzekeren. Minder lang werken en hogere belastingen zijn daarbij niet het antwoord. Daarmee zou immers de economische activiteit, het fundament van de sociale zekerheid, aangetast worden. De vermeende oplossingen van de actievoerders zouden op die manier de sociale zekerheid net ondermijnen. De recepten om de sociale zekerheid te versterken zijn nochtans gekend en worden al langer met succes toegepast onder meer in Scandinavië: meer mensen langer aan het werk en efficiënter omgaan met de bestaande overheidsmiddelen. Zo geven de OESO en de Europese Commissie aan dat onze gezondheidszorg dezelfde kwaliteit zou moeten kunnen leveren met zo'n 6 miljard euro minder. Dat zijn potentiële efficiëntiewinsten waarvan we het ons niet langer kunnen veroorloven om die te negeren. Maar daarvoor wordt dinsdag dus niet betoogd. Integendeel, veel van de maatregelen om meer mensen aan het werk te houden zoals een hogere pensioenleeftijd, de afschaffing van het brugpensioen of meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt botsten eerder al op protest. Toch moeten we die richting uit voor een sterke sociale zekerheid. Er zou net betoogd moeten worden omdat de noodzakelijke hervormingen uitblijven om onze economie beter te doen draaien en op die manier de fundamenten van de sociale zekerheid te versterken. In tegenstelling tot wat sommigen lijken te denken, is er nu eenmaal geen onbeperkte pot belastinggeld waarmee we alle uitdagingen van de sociale zekerheid makkelijk kunnen opvangen. Bart Van Craeynest is hoofdeconoom bij Voka en auteur van 'Terug naar de feiten'