We hebben gewikt en gewogen. Over elk woord lang gediscussieerd met vakdeskundigen van de diverse onderwijsverstrekkers, met 'generalisten' die in meerdere commissies zetelen, met leraren, en met ambtenaren van het ministerie van onderwijs. De eindtermen moesten sober zijn, beperkt in aantal, ambitieus én realistisch. De verwachtingen waren torenhoog, want dit moest ons onderwijs terug naar de 21e eeuw brengen en tegelijk de tanende kwaliteit doen keren door de lat voldoende hoog te leggen.

We hadden het gevoel daarin geslaagd te zijn. In de nieuwe eindtermen zullen alle leerlingen, ongeacht de onderwijsvorm (aso, tso of bso), op het einde van de tweede graad kennis maken met bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst, het verschil tussen bruto- en nettoloon, en de basisrechten en -plichten van werkgever en werknemer. We wapenen ook alle leerlingen voor het maken van doordachte budgettaire keuzes, door ze kritisch budgettaire keuzes bij aankopen te laten afwegen, persoonlijke administratie te laten beheren, maar ook kennis te laten maken met concepten als jaarlijks kostenpercentage, terugkerende kosten, of terugbetalingscapaciteit. Ook het analyseren van een schadegeval en begrippen als franchise behoren in de toekomst tot de algemene kennis en vaardigheden van onze leerlingen. In de derde graad diepen leerlingen de verworven inzichten verder uit en maken ze kennis met hypotheek, en de risico's van spaar- en beleggingsvormen. Dit zijn zeker sterke verbeteringen in het curriculum die de financiële weerbaarheid van de opgroeiende generatie zullen verhogen.

Eindtermen horen niet in de coulissen van de politiek.

Toch blijven we na het debat in het Vlaams Parlement achter met een wrang gevoel. Want de Minister van Onderwijs en de onderwijsverstrekkers bleken in de laatste rechte lijn diverse eindtermen weg te halen. Wie kwaadwillig is zou er een manoeuvre in kunnen zien om meer vrijheid bij de onderwijsverstrekkers te laten. Anderen zien dit als een positieve zaak, want de eindtermen op zichzelf zouden de kwaliteit van het onderwijs verlagen omdat leraren zich teveel op deze minimale doelen richten. Nog een derde wijst op een designfout in de hervorming van het onderwijs, waarbij alle doorstroomrichtingen, dus aso en tso, dezelfde eindtermen voor de algemene vorming moeten hebben.

Wat de reden ook is, onze leerlingen worden niet beter van dergelijke achterkamerpolitiek waarbij de minister een plotselinge koerswending van de onderwijsverstrekkers blindelings volgt.

Ik blijf bij de eigen leest van 'financiële en economische competenties'. In ons voorstel van eindtermen zouden alle leerlingen bij het verlaten van de middelbare school de gevolgen van actuele ontwikkelingen als migratie, vergrijzing of globalisering moeten kunnen illustreren op de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Dergelijke brede inzichten zijn van belang om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk debat en om eigen (financiële) voorzorgen te kunnen nemen. In het goedgekeurde voorstel van het Vlaams Parlement moeten leerlingen uit de dubbele finaliteit (die zich richt op zowel doorstroom naar het hoger onderwijs als naar de arbeidsmarkt) ook de invloed van inflatie op het loon, de huurprijs, de sociale uitkeringen, of spaartegoeden niet meer kennen. Dit valt te betreuren want ook deze onderdelen van financiële en economische geletterdheid zijn cruciaal om volwaardig aan het leven te kunnen deelnemen. Wie de invloed van inflatie niet kent, zal onbewust jaar na jaar aan koopkracht inboeten.

Wat we vandaag vastleggen in eindtermen bepaalt hoe weerbaar en reflectief we zullen zijn als maatschappij in de komende generatie. Ook voor leerlingen die op hun 18e naar de arbeidsmarkt gaan is een brede basis onontbeerlijk in een maatschappij die steeds meer verantwoordelijkheid bij het individu legt, en waarvan de beroepscompetenties sneller dan ooit evolueren. Zowel de financiële crisis van 2008 als de huidige coronacrisis laten zien dat vooral de meest kwetsbaren financieel hard getroffen worden, en dat een brede basis aan 'financieel en economische competenties' niet alleen nuttig zijn voor het individu, maar evengoed voor de macro-economische stabiliteit. Aangezien eindtermen de doelstellingen vormen die we absoluut nodig achten als samenleving, horen ze dan ook niet bijgeschaafd en aangepast te worden in de coulissen van de politiek.

Kristof De Witte is onderwijseconoom aan de KU Leuven. Hij is betrokken als expert in de 'Ontwikkelcommissie eindtermen Financiële en Economische Competenties'.

We hebben gewikt en gewogen. Over elk woord lang gediscussieerd met vakdeskundigen van de diverse onderwijsverstrekkers, met 'generalisten' die in meerdere commissies zetelen, met leraren, en met ambtenaren van het ministerie van onderwijs. De eindtermen moesten sober zijn, beperkt in aantal, ambitieus én realistisch. De verwachtingen waren torenhoog, want dit moest ons onderwijs terug naar de 21e eeuw brengen en tegelijk de tanende kwaliteit doen keren door de lat voldoende hoog te leggen.We hadden het gevoel daarin geslaagd te zijn. In de nieuwe eindtermen zullen alle leerlingen, ongeacht de onderwijsvorm (aso, tso of bso), op het einde van de tweede graad kennis maken met bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst, het verschil tussen bruto- en nettoloon, en de basisrechten en -plichten van werkgever en werknemer. We wapenen ook alle leerlingen voor het maken van doordachte budgettaire keuzes, door ze kritisch budgettaire keuzes bij aankopen te laten afwegen, persoonlijke administratie te laten beheren, maar ook kennis te laten maken met concepten als jaarlijks kostenpercentage, terugkerende kosten, of terugbetalingscapaciteit. Ook het analyseren van een schadegeval en begrippen als franchise behoren in de toekomst tot de algemene kennis en vaardigheden van onze leerlingen. In de derde graad diepen leerlingen de verworven inzichten verder uit en maken ze kennis met hypotheek, en de risico's van spaar- en beleggingsvormen. Dit zijn zeker sterke verbeteringen in het curriculum die de financiële weerbaarheid van de opgroeiende generatie zullen verhogen. Toch blijven we na het debat in het Vlaams Parlement achter met een wrang gevoel. Want de Minister van Onderwijs en de onderwijsverstrekkers bleken in de laatste rechte lijn diverse eindtermen weg te halen. Wie kwaadwillig is zou er een manoeuvre in kunnen zien om meer vrijheid bij de onderwijsverstrekkers te laten. Anderen zien dit als een positieve zaak, want de eindtermen op zichzelf zouden de kwaliteit van het onderwijs verlagen omdat leraren zich teveel op deze minimale doelen richten. Nog een derde wijst op een designfout in de hervorming van het onderwijs, waarbij alle doorstroomrichtingen, dus aso en tso, dezelfde eindtermen voor de algemene vorming moeten hebben. Wat de reden ook is, onze leerlingen worden niet beter van dergelijke achterkamerpolitiek waarbij de minister een plotselinge koerswending van de onderwijsverstrekkers blindelings volgt. Ik blijf bij de eigen leest van 'financiële en economische competenties'. In ons voorstel van eindtermen zouden alle leerlingen bij het verlaten van de middelbare school de gevolgen van actuele ontwikkelingen als migratie, vergrijzing of globalisering moeten kunnen illustreren op de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Dergelijke brede inzichten zijn van belang om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk debat en om eigen (financiële) voorzorgen te kunnen nemen. In het goedgekeurde voorstel van het Vlaams Parlement moeten leerlingen uit de dubbele finaliteit (die zich richt op zowel doorstroom naar het hoger onderwijs als naar de arbeidsmarkt) ook de invloed van inflatie op het loon, de huurprijs, de sociale uitkeringen, of spaartegoeden niet meer kennen. Dit valt te betreuren want ook deze onderdelen van financiële en economische geletterdheid zijn cruciaal om volwaardig aan het leven te kunnen deelnemen. Wie de invloed van inflatie niet kent, zal onbewust jaar na jaar aan koopkracht inboeten. Wat we vandaag vastleggen in eindtermen bepaalt hoe weerbaar en reflectief we zullen zijn als maatschappij in de komende generatie. Ook voor leerlingen die op hun 18e naar de arbeidsmarkt gaan is een brede basis onontbeerlijk in een maatschappij die steeds meer verantwoordelijkheid bij het individu legt, en waarvan de beroepscompetenties sneller dan ooit evolueren. Zowel de financiële crisis van 2008 als de huidige coronacrisis laten zien dat vooral de meest kwetsbaren financieel hard getroffen worden, en dat een brede basis aan 'financieel en economische competenties' niet alleen nuttig zijn voor het individu, maar evengoed voor de macro-economische stabiliteit. Aangezien eindtermen de doelstellingen vormen die we absoluut nodig achten als samenleving, horen ze dan ook niet bijgeschaafd en aangepast te worden in de coulissen van de politiek. Kristof De Witte is onderwijseconoom aan de KU Leuven. Hij is betrokken als expert in de 'Ontwikkelcommissie eindtermen Financiële en Economische Competenties'.