Nieuwkomers die toegang willen tot een zorgstelsel zullen veel steviger aan dat stelsel moeten bijdragen. Dat principe is in Denemarken al realiteit, en het zou volgens Theo Francken (N-VA), voormalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie en federaal parlementslid, ook in Vlaanderen moeten gelden. Maar Vlaanderen is Denemarken niet. Terwijl dat land ooit besloot om de Europese regelgeving rond migratie en asiel niet te volgen, zitten Vlaanderen en België vast in wat dan het 'Europees carcan' heet.
...

Nieuwkomers die toegang willen tot een zorgstelsel zullen veel steviger aan dat stelsel moeten bijdragen. Dat principe is in Denemarken al realiteit, en het zou volgens Theo Francken (N-VA), voormalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie en federaal parlementslid, ook in Vlaanderen moeten gelden. Maar Vlaanderen is Denemarken niet. Terwijl dat land ooit besloot om de Europese regelgeving rond migratie en asiel niet te volgen, zitten Vlaanderen en België vast in wat dan het 'Europees carcan' heet. De voormalige en allicht ook toekomstige Oostenrijkse kanselier Sebastian Kurz (ÖVP) weet wat dat betekent. Al jaren lanceert hij maatregelen om de sociale rechten en bescherming van nieuwkomers in te perken. In verreweg de meeste gevallen is hij op Europese regelgeving gestoten. Die realiteit heeft de Vlaamse toponderhandelaars niet tegengehouden om toch minstens een beetje in de Deense en/of Oostenrijkse richting op te schuiven. Het Vlaamse regeerakkoord draagt in die zin onmiskenbaar de signatuur van Francken. Zo zijn een aantal aangekondigde maatregelen duidelijk bedoeld om nieuwkomers de toegang tot de Vlaamse zorgbescherming zo al niet te verhinderen, dan toch aanzienlijk moeilijker te maken. Misschien wel het verregaandst is de voorwaarde van tien jaar wettig verblijf, waarvan vijf jaar ononderbroken. Pas als daaraan is voldaan, zouden nieuwkomers aanspraak kunnen maken op het Vlaamse 'zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden' (maandelijks 130 euro) en het 'zorgbudget voor ouderen met een zorgnood' (maximaal 583 euro per maand). In een interview met De Standaard verklaarde Bart Somers (Open VLD), de nieuwe minister van Inburgering en Gelijke Kansen, dat de nieuwe regering die strengere voorwaarde 'zeker' juridisch hard zal kunnen maken. Bij juristen die in de materie gespecialiseerd zijn, wordt hardop getwijfeld. Een eerste obstakel zou het discriminerende karakter van de gepresenteerde voorstellen kunnen zijn. Vaststaat dat ze geen schijn van kans zouden maken als ze alleen voor nieuwkomers zouden gelden. Professor socialezekerheidsrecht Paul Schoukens (KU Leuven) gaat er daarom van uit dat de voorstellen ook betrekking hebben op Belgen die hier geen tien jaar wettig hebben verbleven. 'Een Belg of EU-burger die hier geen tien jaar heeft gewoond, zou dat zorgbudget dan evenmin krijgen', zegt Schoukens. 'In die zin kan hier geen sprake zijn van directe discriminatie.' 'Je zou wél kunnen aanvoeren dat het om indirecte discriminatie gaat. Het argument zou dan zijn dat de beoogde regeling meer buitenlandse onderdanen benadeelt. Binnen de Europese Unie is het verbod op discriminatie verfijnd en bestaat er zo'n verbod op indirecte discriminatie. EU- onderdanen die zich in Vlaanderen vestigen, zouden dan een niet-toepassing van de verblijfsvoorwaarde kunnen vragen. Niet-EU-burgers zouden andere internationale rechtsgronden moeten inroepen, bijvoorbeeld het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.' Volgens Eline Kindt, juriste bij de Liga voor Mensenrechten, is de verlenging van de verblijfsvoorwaarde van vijf naar tien jaar lang niet het enige probleem. Om recht te hebben op de Vlaamse zorgbescherming, onderstreept ze, moet volgens het regeerakkoord ook voldaan worden aan de veelbesproken inburgeringsplicht. Die voorwaarde zal allicht alleen aan niet-EU-burgers worden opgelegd en kost de nieuwkomer 360 euro. 'De vraag is of zo'n stevige financiële barrière voor één welbepaalde groep niet ook in strijd is met de discriminatiewetten', zegt Kindt. 'Bovendien zegt het regeerakkoord letterlijk dat woonwagenbewoners niet meer zullen worden benaderd vanuit het inburgeringsbeleid. Het waarom daarvan is helemaal niet duidelijk. Ook daar is mogelijk sprake van discriminatie.' Als de voorstellen uit het regeerakkoord ooit decreet worden, zal de wetgever zich hoe dan ook mogen voorbereiden op een lange reeks procedureslagen. Professor sociaal recht Freek Louckx (UAntwerpen) merkt op dat nieuwkomers zich niet alleen op het Europese mensenrechtenverdrag zouden kunnen beroepen. 'Er is ook het herziene Europees Sociaal Handvest,' zegt Louckx, 'dat specifiek gaat over sociale bescherming. Het verplicht ons om zowel Belgen als wettig verblijvende onderdanen van andere verdragstaten sociale bijstand te garanderen, en het verbiedt discriminatie op grond van nationale of sociale herkomst. Dat kan hier relevant zijn, bijvoorbeeld als het gaat over het zorgbudget bij ouderen met een zorgnood.' Toch zal de Belgische Grondwet allicht de belangrijkste hinderpaal zijn voor de Vlaamse regering. Artikel 23 zegt dat 'ieder' recht heeft op een menswaardig bestaan. Op die grond verplicht het alle wetgevers om de sociale grondrechten te waarborgen, zoals het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale bijstand. Aan dat artikel is het zogenoemde standstillprincipe gekoppeld. 'Dat principe zorgt ervoor dat een wetgever de verworven sociale rechten niet zomaar van tafel kan vegen', vertelt professor Louckx. 'Het kan alleen als hij kan motiveren op welke manier een aanzienlijke vermindering van die rechten het algemeen belang dient.' De voorspelling is dat de standstillverplichting het belangrijkste struikelblok zal vormen voor de regering. Als er een zaak aanhangig gemaakt wordt bij het Grondwettelijk Hof, wat volgens Louckx heel waarschijnlijk is, zal de wetgever vanuit die verplichting moeten motiveren waarom hij de toegang tot het stelsel zo veel moeilijker maakt. 'Als je de bescherming voor een belangrijke groep mensen terugdraait,' beaamt professor Paul Schoukens, 'wordt dat als een ernstige beperking van de bescherming beschouwd. Als regelgever moet je dat kunnen motiveren. Er moet een pertinente reden voor zijn, en de inperking moet proportioneel zijn.' Schoukens acht het waarschijnlijk dat de verscherping van de verblijfsvoorwaarde de toetsing door het Grondwettelijk Hof niet zal doorstaan. Hij verwijst naar een belangrijk precedent. Begin dit jaar vernietigde het Hof een federale maatregel die dezelfde strengere verblijfsvoorwaarde van tien jaar oplegde aan mensen die in aanmerking wilden komen voor een inkomensgarantie voor ouderen (IGO). Het betwistte in dat IGO-arrest niet dat 'een band met het land' een voorwaarde kan zijn om in aanmerking te komen voor een uitkering of premie. 'Toch heeft de federale overheid niet hard kunnen maken dat er een pertinente reden was om de verblijfsvoorwaarde strenger te maken.' Een belangrijk argument voor de vernietiging was budgettair. Een strengere verblijfsvoorwaarde zou verdedigbaar kunnen zijn als die maatschappelijk nodig was, bijvoorbeeld om het zorgbudget te beheersen. Maar die noodzaak kon de federale regering niet aantonen. Schoukens: 'Wie geen IGO meer ontvangt, zou nog wel kunnen terugvallen op maatschappelijke dienstverlening. Het budgettaire argument was, met andere woorden, niet pertinent: die mensen zouden ergens anders in de bijstand terechtkomen.' Maar de argumenten van het Grondwettelijk Hof waren niet louter budgettair. 'Het maakte ook duidelijk dat de verblijfsvoorwaarde in strijd kwam met de Europese regelgeving', zegt professor Louckx. 'Volgens die regelgeving kan het niet dat alleen de jaren van wettig verblijf in België meetellen. Ook het verblijf in andere EU-lidstaten moet in rekening worden gebracht. Bovendien was het volgens het Hof niet duidelijk op welke manier tien jaar wettelijk verblijf een "voldoende band met België" en zijn sociale stelsel aantoont.' Dat laatste punt lijkt essentieel. De Belgische en Vlaamse regeringen willen strenge maatregelen invoeren vanuit het idee dat nieuwkomers eerst moeten bijdragen vooraleer ze van het sociale stelsel gebruik kunnen maken. 'Als dat inderdaad de bedoeling is,' zegt Louckx, 'zou het logischer zijn dat je - in plaats van naar de duur van iemands verblijf - gaat kijken naar de effectieve bijdrage via de belastingen of de zorgpremie. Een decreetgever die zegt dat strengere voorwaarden nodig zijn omdat de zorg anders onbetaalbaar wordt, zal moeten uitleggen op welke manier een verlenging van het aantal jaren verblijf die kosten drukt. Dat zal niet gemakkelijk zijn. Bij de IGO-maatregel is de federale regering er niet in geslaagd om voor het Grondwettelijk Hof te motiveren waarom die verlenging een grond van algemeen belang was. Als de Vlaamse regering straks op dezelfde manier gaat argumenteren, zal ze precies hetzelfde meemaken en worden die nieuwe bepalingen vernietigd.' Ook volgens professor Schoukens is het afwachten of de wetgever die 'gronden van algemeen belang' voor de beoogde Vlaamse zorgregelingen straks wél hard zal kunnen maken. 'Bovendien zal het Grondwettelijk Hof vragen of de bijkomende voorwaarde niet te streng is met betrekking tot het beoogde doel. Ik kan me voorstellen dat het zal oordelen dat tien jaar wel erg veel is, gelet op de uitkering waarover het hier gaat. Mijn inschatting is dat de uiteindelijke verblijfsvoorwaarde, als ze al gelegitimeerd zou zijn, zal worden afgezwakt. Al steek ik daar mijn hand niet voor in het vuur. Ik heb de indruk dat de rechtspraak, vooral die van het Hof van Justitie van de EU, de laatste jaren strenger aan het worden is.' Dat de nieuwe voorstellen niet zonder slag of stoot in decreten zullen worden gegoten, lijkt ook Theo Francken te beseffen. In een Twitterdiscussie over dit onderwerp gaf hij te kennen dat hij het standstillprincipe in de grondwet 'een ondemocratische grendel' vindt. 'Met die reactie maakt hij duidelijk dat hij weet waar het probleem zit', zegt professor Louckx. 'Ik vind die tweet in verschillende opzichten jammer. Het gaat hier over onze Grondwet. Van een politicus verwacht ik elementair respect voor die fundamentele norm. Ik kan me voorstellen dat Francken het vervelend vindt dat de Grondwet het moeilijk maakt om in één klap tabula rasa te maken met het verleden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij in zeker opzicht gelijk heeft als hij zegt dat het standstillprincipe niet democratisch is. Als zijn definitie van democratie erin bestaat dat elke meerderheid zonder verantwoording moet kunnen doen wat ze wil, heeft hij een punt.' 'Persoonlijk volg ik die definitie niet. De bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving is wat mij betreft een belangrijke toetssteen voor een democratie. Dat nieuwkomers zich net zo goed als Belgen kunnen beroepen op de grondwettelijke bescherming van bestaande rechten, die niet zonder goede argumenten kunnen worden afgeschaft, maakt van de Belgische rechtsstaat een sociale rechtsstaat. Blijkbaar stuit dat sommige politici tegen de borst.'