Dochter getuigt over geweld tussen ouders: ‘Als het stil werd, dacht ik dat de ene de andere had vermoord’

‘Ik heb als kind zo vaak gehoopt dat mijn vader onderweg van zijn werk gestorven zou zijn.’ © illustratie ANNELIEN SMET
Sofie Mulders Journalist

Een kind dat ernstig geweld tussen zijn ouders ziet, loopt net zoveel risico om angst, depressie en zelfhaat te ontwikkelen als een kind dat zelf emotioneel, fysiek of seksueel mishandeld wordt. ‘Mensen denken soms: de kinderen sliepen, ze hebben niks gehoord of gezien van onze ruzies. Onzin.’

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

‘Mijn moeder was 16 toen ze zwanger was, mijn vader 19. Ze woonden in een klein dorp, dus ze moesten wel trouwen, want wat zouden de mensen anders zeggen? Het waren twee tieners die allebei veel dronken. Uren heb ik in het café doorgebracht, als baby en als kleuter. Mijn moeder kon enorm giftig uit de hoek komen wanneer ze gedronken had. Dat rechtvaardigt op geen enkele manier wat mijn vader heeft gedaan, maar in tegenstelling tot vroeger zie ik die kant van mijn moeder nu wel.’ Ann Audenaert (50) vertelt het allemaal helder en beheerst, terwijl haar verhaal ijzingwekkend is.

‘Ik heb nooit ouders gekend die verliefd waren of zoenden’, zegt ze. ‘De eerste jaren van hun huwelijk waren er wekelijks ruzies. Daarna verminderde de frequentie, maar het geweld nam telkens toe. Van een blauw oog en bloeduitstortingen evolueerde het naar gebroken ribben, een gebroken neus en wurging. Mijn vader vond het fijn om mijn moeder te wurgen tot ze buiten westen was. Op het laatste nippertje liet hij haar los, en daarna ging hij naar het café. Ik zat als kind naast haar te wachten tot ze wakker werd. Meestal was er overal ook bloed, op de grond en tegen de muren. Het lijkt misschien onwezenlijk, maar dat is het niet. Deze horror is wat bij mij thuis gebeurd is.’

In het diepe

Getuige zijn van partnergeweld heeft voor de ontwikkeling en het zelfbeeld van kinderen vergelijkbare gevolgen als zelf mishandeld worden, leert wetenschappelijk onderzoek van de laatste jaren. ‘Als een kind agressie ziet tussen de twee meest betekenisvolle mensen in zijn leven, kan dat zo angstaanjagend zijn dat het dezelfde klachten gaat ontwikkelen als kinderen die rechtstreeks aangevallen worden’, bevestigt kinderpsychiater Inge Vanderstraete van het Vertrouwenscentrum Kin-dermishandeling Antwerpen. ‘Daarom hebben we met de Vertrouwenscentra dat zo opgenomen in onze definitie van kindermishandeling: naast verwaarlozing, fysiek en seksueel geweld hoort getuige zijn van partnergeweld daar ook bij. Al die vormen geven evenveel risico op ernstige klachten bij kinderen.’

Toen ik bij mijn eerste vriend thuiskwam, zaten zijn ouders naast elkaar op de bank. De vader had zijn arm rond zijn vrouw geslagen. Ik wist niet wat ik zag.

Violet

Normale stress hoort bij opgroeien, zegt Vanderstraete. De eerste keer in het diepe springen kan beangstigend zijn, maar met een ouder of zwemleraar naast je leer je die angst te overwinnen. ‘Normale stress helpt kinderen vooruit. Maar als stress te vaak en te intens voorkomt tijdens de kinderjaren en gepaard gaat met hevige angst en onzekerheid, dan kunnen op verschillende niveaus moeilijkheden ontstaan.’ Kinderen ontwikkelen bijvoorbeeld aandachtsproblemen, legt Vanderstraete uit, omdat ze thuis de hele tijd hyperalert moeten zijn. Ze kunnen ook hun emoties moeilijker uiten en reguleren. Want als er vaak toxische stress is in je gezin, ben je vooral bezig met je omgeving te scannen. Kinderen moeten tegen een zorgzame volwassene kunnen zeggen dat ze boos of bang zijn. Ze hebben een volwassene nodig om die emoties mee te helpen opvangen. Zonder beschikbare ouders kan de ontwikkeling van een positief zelfbeeld in gevaar komen. En als het basisvertrouwen onvoldoende wordt ontwikkeld, krijgen kinderen mogelijk ook een negatiever beeld van anderen.

Kinderen zien alles

Na veertig jaar huwelijk besliste de moeder van Ann eindelijk om te vertrekken bij haar man. Omdat ze bang was dat hij haar zou vermoorden. ‘Ik heb als kind zo vaak gehoopt dat mijn vader niet zou thuiskomen van zijn werk en onderweg gestorven zou zijn. Mensen denken soms: de kinderen sliepen, ze hebben niks gehoord of gezien. Dat is onzin. Kinderen zien en horen alles. Zelfs als ze niet thuis zijn. Soms, als ik terugkwam van een kamp, zag ik dat de beeldjes op de kast in de woonkamer waren veranderd. Dan wist ik dat er weer gevochten was. Die onderhuidse spanning, die voel je heel sterk als kind. De periodes tussen het geweld waren nog slopender. Je weet dat het opnieuw zal gebeuren, je weet alleen niet wanneer. Dus loop je op eieren, je moet stil zijn, dit niet doen, dat niet zeggen. Wanneer mijn vader thuiskwam, zei mijn moeder altijd: “Zwijgen, hè.” Die voortdurende verkramptheid en jezelf niet mogen zijn, dat is zo schadelijk voor een kind.’

Kort lontje

Ann heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkeld, zegt ze. ‘Ik heb dwanghandelingen, ik lijd aan ADD en ik zie voortdurend beelden en filmpjes van vroeger voor mijn ogen. Ik ben een getraumatiseerde vrouw. Een stem, een woord, een geluid of een beeld dat mij doet denken aan vroeger kan op elk moment enorm veel losmaken in mij. Vroeger had ik een heel kort lontje. Ik heb soms flink geroepen tegen mijn eigen kinderen. Je weet dat het compleet fout is, en toch kun je het niet helpen. Je grootste vrees wordt op dat moment bevestigd: ben ik dan toch dezelfde als mijn vader? Ik legde altijd meteen aan mijn kinderen uit dat ik niet had mogen roepen. Maar het was wel gebeurd. Een psycholoog heeft me ooit gezegd dat kinderen wel iets kunnen hebben als ze in een veilige context opgroeien, maar toch. Ik vind het verschrikkelijk. Mijn zoon verwijt me niet veel, mijn dochter wel. Dat is moeilijk.’

Trauma leidt tot veranderingen in de hersenen, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. ‘Bij mensen met een trauma is de hippocampus kleiner en reageert de amygdala feller’, legt Ruud van Winkel uit, hoogleraar psychiatrie en onderzoeker aan het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven. De hippocampus speelt een belangrijke rol bij het opslaan van informatie in het geheugen, de amygdala bij emoties en angst. ‘Mensen met een trauma percipiëren hun omgeving sneller als potentieel bedreigend, zelfs als dat helemaal niet het geval is. Dat komt omdat vroegere ervaringen hun huidige perceptie kleuren. Wie bijvoorbeeld ooit aangevallen werd door een hond, heeft een grotere kans om daarna álle honden áltijd als een bedreiging te zien, ook een brave hond die met zijn staart kwispelt en geen enkel signaal van agressie vertoont. Die wijziging in de hersenen ontwikkelt zich ergens tijdens de adolescentie, maar we weten nog niet precies hoe en wanneer. Daarom heb ik met mijn team een langlopend onderzoek opgestart. We willen kijken of we ook potentieel kunnen ingrijpen. Op jonge leeftijd is de hippocampus nog heel plastisch, en we onderzoeken of positieve ervaringen tijdens de adolescentie een invloed kunnen hebben op die wijziging in de hersenen door een traumatische ervaring.’

Vuile profiteur

Violet* (46): ‘Mijn ouders hebben altijd erg veel ruzie gemaakt. Ik herinner me hoe ik als kind vaak doodsbang in mijn bed lag terwijl ze uren naar elkaar aan het roepen waren. Vuile profiteur, lomp wijf, smerige hond, zottin, die dingen. Als het stil werd, was ik nog banger, want dan dacht ik dat de ene de andere had vermoord. De eerste keer dat ik vanuit mijn slaapkamer naar de keuken ben gestormd om tussen mijn twee tierende ouders in te gaan staan, was ik een jaar of zes. Mijn vader stond toen op het punt om mijn moeder te slaan. Later gebeurde dat ook geregeld. Hij heeft mijn moeder het ziekenhuis in geslagen. Maar toen was ik het huis al uit.

‘De ruzies werden met de jaren erger. De kleinste aanleiding escaleerde tot grof geweld. Ze keilden eten of bestek naar elkaars hoofd, ze scholden elkaar nog meer uit. Wat ik me ook heel goed herinner, is het geluid van binnendeuren die keihard en meermaals na elkaar werden dichtgegooid, terwijl ze dronken aan het schreeuwen waren. Want er waren ook problemen met alcohol. Mijn moeder was verslaafd aan alcohol en kalmeringsmiddelen, en mijn vader dronk tijdens een ruzie altijd een fles whisky of porto leeg. Soms sloot mijn vader zich op in het tuinhuis, waarna mijn moeder me naar hem stuurde om te vragen of hij weer wilde binnenkomen. Ik herinner me dat ik doodsbang, met felle buikpijn en trillende benen, heel traag richting tuinhuis ging, op de deur klopte en de vraag van mijn moeder stelde. “Zeg tegen die heks dat ik er nog niet aan denk om binnen te komen!” brulde hij dan.’

Niemand deed iets. Dat vind ik een verschrikkelijk besef. Mijn moeder heeft me niet beschermd, mijn vader niet en mijn omgeving ook niet.

Ann Audenaert, vzw Zijn

De Nederlands-Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Bessel Van der Kolk werkt al meer dan dertig jaar met getraumatiseerde mensen. In zijn boek Traumasporen schrijft hij: ‘De mogelijkheid om je veilig te kunnen voelen bij andere mensen is waarschijnlijk het allerbelangrijkste aspect van de geestelijke gezondheid; veilige verbindingen zijn essentieel voor een zinvol en bevredigend leven.’ Als er voortdurend stresshormonen in een lichaam worden gepompt ter bescherming tegen echte of ingebeelde dreiging, kunnen ook lichamelijke problemen ontstaan, schrijft Van der Kolk: slaapproblemen, hoofdpijn, onverklaarbare pijn, overgevoeligheid voor aanraking of geluid. Om de spanning te verminderen, vertonen kinderen met trauma vaak zelfbeschadigend gedrag, zoals zichzelf bijten, snijden, branden, slaan, hun haar uittrekken, of tot bloedens toe aan hun huid krabben.

Violet: ‘Ik heb geen broers of zussen. Mijn moeder heeft heel haar leven lang tegen mij gezegd: “Ik wilde niet trouwen, maar ik moest van mijn moeder. Ik wilde geen kind, maar ik moest van je vader.” Als ze bij een zoveelste ruzie weer hysterisch zat te huilen in de keuken en mij voor de zoveelste keer vertelde dat mijn vader “een vuile smeerlap” was, zei ik altijd: “Ga dan weg bij papa, als het zo erg is.” Dan antwoordde ze: “Dat gaat niet, want jij bent er.” Soms waren ze ook best lief voor mij. Maar hun huwelijk zat zo verkeerd dat er voor mij geen ruimte was. Die was ook niet nodig, want ik was slim, lief en doodbraaf, en behalve eens een onvoldoende voor een proefwerk heb ik nooit voor problemen gezorgd. Toch werd ik bij de kleinste misstap uitgescholden. Door een van de twee, of door allebei. Als ik hen zei dat ik zo afzag van hun ruzies, dan antwoordden ze: “Tegen niemand vertellen. Wat hier gebeurt, is normaal en gebeurt overal. Je bent een prinses in dit huis, dat weet je toch?” Er was geld, ik kreeg dure kleren, en mijn ouders hadden een job met maatschappelijk aanzien. Ze werkten allebei in het onderwijs.’

Krijgt een kind impliciet of expliciet de boodschap dat het niets waard is en er beter niet zou zijn, dan is er sprake van ‘intention to harm’, zegt Van Winkel, de intentie om de andere opzettelijk pijn te doen. ‘Als die factor aanwezig is, zien we een heel sterke correlatie met psychopathologie. Als die intentie er niet is – wanneer een kind een oorlog meemaakt, of een ziekte krijgt – dan is de correlatie veel minder sterk.’ Als kinderen hun heftige ervaringen bovendien moeten verloochenen, schrijft Van der Kolk, kan dat tot ernstige problemen leiden, zoals een chronisch wantrouwen ten opzichte van andere mensen, remming van de nieuwsgierigheid, wantrouwen van hun eigen zintuigen en de neiging om alles onecht te vinden.

Met veel liefde

Maar niet elk kind dat een trauma meemaakt, is gedoemd om die symptomen te ontwikkelen, vult Van Winkel toch aan. ‘Er zijn ook duidelijke weerbaarheidsfactoren. Wanneer kinderen sociale steun ervaren in de omgeving, er met iemand over kunnen praten, of vrienden hebben die hen wel de moeite waard vinden en bij wie ze een identiteit kunnen vormen, werkt dat beschermend. Je krijgt dus niet automatisch psychische problemen als je iets heftigs hebt meegemaakt.’

Het is wel erg belangrijk dat we allemaal alert zijn voor signalen, zegt kinderpsychiater Inge Vanderstraete, opdat er zo vroeg mogelijk met ouders en kinderen gewerkt kan worden rond huiselijk geweld. Blijf het niet alleen dragen, is haar raad aan tieners of pubers in een toxische situatie. ‘Zoek iemand in je omgeving in wie je vertrouwen hebt. Een leerkracht, een coach op de sportclub, iemand van het CLB. Er zijn ook anonieme vormen van hulpverlening, zoals de chatboxen van Nu praat ik erover of Awel.’

‘Veel mensen in onze omgeving wisten wat er aan de hand was, dat kan niet anders’, zegt Ann Audenaert. ‘We woonden in een appartement, het lawaai van de ruzies was hels en mijn moeder stond regelmatig met een blauw oog aan de schoolpoort. Maar niemand deed iets. Dat vind ik een verschrikkelijk besef. Mijn moeder heeft me niet beschermd, mijn vader niet en mijn omgeving ook niet. Daarom geef ik nu lezingen over huiselijk geweld voor de vzw Zijn. Kijk alsjeblieft niet weg, die boodschap wil ik meegeven. Het is hoog tijd dat we het woord kindermishandeling ook gebruiken voor situaties van geweld tussen ouders.’

Niet zo normaal

Violet was twintig toen ze begon te beseffen dat haar thuissituatie misschien toch niet zo normaal was. ‘Toen ik bij mijn eerste vriend thuiskwam, zag ik dat zijn ouders naast elkaar op de bank zaten en dat de vader zijn arm rond zijn vrouw geslagen had. Ik wist niet wat ik zag. Dat was thuis nooit gebeurd. Ik weet nu nog altijd niet hoe een thuis moet zijn. Ik woon niet samen en heb geen kinderen. Ik vermoed dat ik het onbewust altijd heb afgehouden uit angst om net zo agressief of liefdeloos te handelen tegenover mijn partner of mijn kinderen. Angst is een groot deel van mijn leven. Ik ben heel vaak bang om door iemand aangevallen of gemolesteerd te worden. Ik heb vrienden en een goede job, en voor de buitenwereld ben ik een sterke, onafhankelijke vrouw. Dat klopt ook voor een deel. Maar dat ik elke dag moet vechten om mezelf een beetje graag te zien, en mijn leven heel vaak zinloos vind, dat weet bijna niemand.’

Hoewel haar vader zijn agressie vooral op haar moeder richtte, belandde ook Ann op haar 23e met levensbedreigende verwondingen in het ziekenhuis door zijn toedoen. Ze woonde toen nog thuis. ‘Ik zat in mijn laatste jaar aan de universiteit. Ik had gezegd dat ik naar de les ging, en dat had ik uiteindelijk niet gedaan, wat voor hem een reden was om mij kapot te slaan. Pas toen heb ik beslist dat het genoeg was en heb ik met hem gebroken. Anderhalf jaar geleden heb ik ook met mijn moeder gebroken. Het gevoel dat ik haar in de steek liet, kon ik eindelijk opzijschuiven. Sinds twee jaar kan ik zeggen dat ik gelukkig ben. En dat ik aan het leven ben in plaats van overleven. En toch. Enkele weken geleden was ik met de hond aan het wandelen, het was prachtig weer, en plots begon ik heel hard te huilen. Aan een psychiater heb ik ooit gevraagd of ik kan genezen van mijn PTSS. Hij zei: “Met heel veel liefde.” Een geitenwollensokkenantwoord, vond ik, maar ondertussen weet ik wel dat het waar is. Ik geniet nu van mijn leven, ik heb goede vrienden, en sinds twee jaar staat er ook een lieve man naast mij. Genezen zal het nooit. Maar het helpt allemaal om die rugzak wat lichter te maken.’

Violet is een schuilnaam.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content