Ik zal duidelijk zijn: de Vlaming of Belg van vandaag treft geen schuld aan de kolonisatie van Congo. Maar als samenleving dragen wij natuurlijk wel een historische verantwoordelijkheid.' Als voorzitter van de Bijzondere Congocomissie is Kamerlid Wouter De Vriendt (Groen) hoorbaar opgelucht dat de eerste fase van het werk achter de rug is: de experts dienden donderdag een lijvig rapport van 641 pagina's in. Nu is het aan de politici.
...

Ik zal duidelijk zijn: de Vlaming of Belg van vandaag treft geen schuld aan de kolonisatie van Congo. Maar als samenleving dragen wij natuurlijk wel een historische verantwoordelijkheid.' Als voorzitter van de Bijzondere Congocomissie is Kamerlid Wouter De Vriendt (Groen) hoorbaar opgelucht dat de eerste fase van het werk achter de rug is: de experts dienden donderdag een lijvig rapport van 641 pagina's in. Nu is het aan de politici. Niet dat het rapport opbeurende lectuur is. Het is vooral duidelijk, en zelfs keihard. Er valt geen andere conclusie te trekken dan dat de kolonisatie van Congo in grote lijnen een crapuleus hoofdstuk was in de Belgische geschiedenis. Er heerst nog altijd nostalgie naar een vermeende 'modelkolonie' - een herinnering die vooral teruggaat op de jaren 1950, toen meer werd geïnvesteerd in sociale infrastructuur -, maar de waarheid heeft haar rechten. En die wordt in het rapport dik in de verf gezet. Nee, de Belgen begingen niet zomaar wat 'geweldplegingen' tegen de Congolezen: het koloniale beleid was gestoeld op brutaliteit, op economische uitbuiting, op cultureel misprijzen (daarom moesten de zwarten 'bekeerd' en 'beschaafd' worden), op racisme, en zeker ook op een grove uitbuiting van de vrouwen. De mannelijke koloniaal krijgt in het rapport een trap in het kruis, en met hen het hele koloniale systeem dat vanuit België aangestuurd werd. Het zijn pijnlijke vaststellingen, maar er valt niet aan te tornen en amper aan te nuanceren. Het rapport bevat een veelheid aan getuigenissen, bijvoorbeeld van Congolezen die onder Belgische dwang rubber moesten inzamelen, en over de mensonterende 'economie' waartoe dat leidde. Uit die getuigenissen blijkt vaak dat veel Congolezen niet alleen boos waren over het persoonlijk ondervonden leed, maar dat ze vaak ook een scherp inzicht hadden in het structurele karakter van het onrecht dat hen tijdens de Belgische kolonisatie werd aangedaan. 'We moesten steeds verder het bos in om rubberbomen te vinden, zonder eten, en onze vrouwen moesten het bewerken van de velden en tuinen opgeven. Dus stierven we van de honger. Wilde beesten - luipaarden - doodden sommigen van ons terwijl we in het bos aan het werk waren, en anderen verdwaalden of stierven aan blootstelling en verhongering', zeiden twee Congolezen uit de buurt van het Lac Léopold II (nu het Mai-Ndombemeer) in de toenmalige Evenaarsprovincie in 1905, en ze voegden eraan toe: 'Toen we faalden en te weinig rubber hadden, kwamen de soldaten naar onze dorpen en doodden ons. Velen werden doodgeschoten, van sommigen werden de oren afgesneden. Anderen werden met touwen om hun nek en lichaam vastgebonden en weggevoerd. De blanken op de posten wisten soms niets van de slechte dingen die de soldaten ons aandeden, maar het waren de blanken die de soldaten stuurden om ons te straffen omdat we niet genoeg rubber binnenbrachten.' De experts hebben er ook goed aan gedaan om te benadrukken dat er in de leopoldiaanse Congo-Vrijstaat 'een roofeconomie gebaseerd op geweld' bestond, en dat het systeem bleef voortbestaan in Belgisch-Congo. Net zoals hun vaststelling klopt dat er 'geen 'strikte cesuur' is tussen de koloniale en de postkoloniale tijd: de economische machtsverhoudingen lagen vast en veranderden niet na de onafhankelijkheid. De grote lijnen van het verslag van de experts staan in steen gebeiteld. Aan de formulering, de taal en de argumenten had nog flink mogen worden geschaafd. Dat komt door de samenstelling van de expertengroep, en de tijdsdruk waaronder men moest werken. Het hele parlementaire initiatief is een rechtstreeks gevolg van het Black Lives Matter-protest dat zich in de tweede helft van mei 2020 manifesteerde nadat de zwarte Amerikaan George Floyd tijdens een politieoptreden de dood had gevonden. Vanaf de eerste dagen van juni richtte de woede zich ook op standbeelden van slavenhandelaars of historische figuren zoals Christoffel Columbus. Meteen werden in België beelden van Leopold II aangepakt en werd er potig betoogd - de lockdown deed er niet toe. Politiediensten en stedelijke overheden wisten niet hoe ze adequaat konden reageren, de politiek voelde dat er 'iets' moest gebeuren. Binnen de week, op 16 juni 2020, nam de Kamer de principiële beslissing om een parlementaire commissie over de koloniale rol van België in Congo op te richten. Kamervoorzitter Patrick Dewael (Open VLD) hoopte dat het 'een soort waarheidscommissie' zou worden, zelfs 'een verzoeningscommissie'. Op 16 juli vond de oprichting plaats van de 'Bijzondere Commissie belast met het onderzoek naar Congo-Vrijstaat (1885-1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962), de impact hiervan en de gevolgen die hieraan gegeven dienen te worden'. In de wandeling is ze bekend als de Bijzondere Congocommissie. Voorzitter Wouter De Vriendt (Groen) noemde het een 'historische kans om in het reine te komen met het koloniale verleden van ons land.' Het was de tweede poging daartoe in de recente parlementaire geschiedenis. De eerste was de Lumumbacommissie, die begin deze eeuw de Belgische betrokkenheid onderzocht bij de moord op Patrice Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo. De Lumumbacommissie baseerde zich voor haar conclusies in grote mate op het voorbereidende 'deskundigenrapport' dat werd opgesteld door vier academische historici: Emmanuel Gerard, Luc De Vos, Jules Gérard-Libois en Philippe Raxhon. Tussen juni 2000 en november 2001 werkten ze aan een uiterst gedetailleerd en genuanceerd rapport, dat uiteindelijk zo'n 1000 pagina's zou beslaan. Na pittige debatten besloot de Kamer op basis van die tekst dat er een 'morele verantwoordelijkheid' was van de toenmalige Belgische regering bij de moord op Lumumba. De vier Lumumba-experts hadden dus ruim anderhalf jaar de tijd om een periode te onderzoeken van niet eens een vol jaar, van de verkiezingsoverwinning (mei 1960) tot de dood (januari 1961) van Patrice Lumumba. De experts van de huidige Congocommissie moesten zich buigen over een periode van bijna honderd jaar, van Leopold II eind negentiende eeuw tot de onafhankelijkheid van Congo in 1960 en van Rwanda en Burundi in 1962. Ze kregen voor het opstellen van hun rapport negen maanden de tijd, en dat twee dagen per week. In de praktijk konden ze amper 36 dagen schrijven aan een rapport van ruim 600 bladzijden. De Vriendt: 'Er is dus keihard gewerkt.' Tegelijk is deze groep experts veel breder van samenstelling dan de vorige. Oorspronkelijk zag het ernaar uit dat de experts opnieuw gekozen zouden worden uit de beste (Belgische) historici en Afrikaspecialisten. Daarop kwam protest van de Afrikaanse gemeenschap in de diaspora. Onbegrijpelijk is dat niet. Ook de historische expertencommissie die zich momenteel in opdracht van de Vlaamse regering buigt over de 'Vlaamse canon' maakte meteen duidelijk dat 'geschiedenis geen eigendom is van de historici', en dat er dus ook andere deskundigen mee aan tafel moeten zitten. Denk aan letterkundigen, kunstenaars, iedereen die vanuit zijn of haar expertise een verstandige bijdrage kan leveren. Wouter De Vriendt greep zijn kans om de samenstelling van de expertengroep maximaal open te trekken. Tussen de tien experts van de Bijzondere Congocommissie zijn de bekende Congospecialisten amper vertegenwoordigd. De Vriendt trok de kaart van de diversiteit: vrouwen, jonge(re) wetenschappers, mensen van buitenlandse origine of werkzaam in het buitenland, niet-academici ook. Een heruitgave van oude Lumumbacommissie zou sowieso niet meer aanvaard worden. Toen werd zelfs niet één Congolese expert bij de zaak betrokken. Jean Omasombo Tshonda van de academische staf van het AfricaMuseum was er slechts bij als een assistent van de echte experts. Maar de combinatie van tijdsdruk, covidlockdowns (wat vergaderen, overleg en archiefwerk bemoeilijkte) en de zeer divers samengestelde expertengroep heeft ook minder positieve kanten. De verschillende achtergronden van de experts heeft geleid tot een heterogeen rapport, helaas ook qua kwaliteit. Puntgave hoofdstukken (bijvoorbeeld die over de archieven, de koloniale economie en de positie van de vrouw, en zeker de originele bijdrage van Mathieu Zana Etambala over de interne conflicten die tijdens de hele Belgische aanwezigheid in Congo plaatsvonden en die de koloniale samenleving indringend hebben beïnvloed) wisselen af met veel slordigere en te sloganesk geformuleerde pagina's. Zo vindt kunsthistorica Anne Wetsi Mpoma, zonder verdere precisering, dat het 'Afrikaanse erfgoed niet van de hele mensheid is, maar van de Afrikanen en van de Afrodescendenten'. Wat betekent dat? Dat alle Afrikaanse artefacten per definitie aan Afrikanen toebehoren? Dat alleen Afrikanen iets over Afrikaans erfgoed te zeggen hebben? Hebben dan ook alleen Europeanen iets te zeggen over Europees erfgoed? Hebben Afghanen dan het recht om met het erfgoed op eigen bodem te doen wat ze willen, zoals pre-islamitische standbeelden opblazen? Geldt de Unesco-werelderfgoedpolitiek dan niet voor Afrika? Aan vragen geen gebrek. Zij pleit er ook voor dat 'activisten, grassroots en personen in het veld toegang moeten krijgen tot leerstoelen aan de universiteit, maar niet steevast in een tijdelijk ambt; die banen moeten worden bestendigd'. Dezelfde dag dat de experts hun rapport voorstelden, presenteerden de rectoren van de Vlaamse en Franstalige universiteiten een eigen nota: Belgische universiteiten en de omgang met het koloniale verleden. Daarin breken ook de rectoren een lans opdat de Belgische universiteiten zichzelf zouden 'dekoloniseren', veel duidelijker dan vandaag al het geval is. Een van de voorgestelde maatregelen is dat er dringend meer kleur moeten komen in de universitaire bevolking. Niet alleen bij de studenten, maar ook in de academische bestaffing. Of activisten daarom vastbenoemde docenten moeten kunnen worden, vergt wellicht nog enig debat. De Vlaamse en Franstalige rectoren raakten het bijvoorbeeld niets eens over de wenselijkheid van positieve discriminatie bij het aantrekken van nieuwe mensen. De vier experts van de Lumumbacommissie hebben destijds elke pagina, elke zin samen besproken, wat resulteerde in een coherent werkstuk. Daardoor kon de parlementaire onderzoekscommissie in 2001 in haar conclusies in grote mate steunen op het vuistdikke deskundigenverslag. De Congocommissie heeft ervoor geopteerd dat elke expert verantwoordelijk is voor zijn eigen hoofdstuk. Dat wil niet zeggen dat ze het daarom per se oneens zijn met wat de collega's schreven - al is dat in één geval wel zo. Bij het hoofdstuk van Pierre-Luc Plasman (UCL) over de structuur van Congo-Vrijstaat wordt expliciet vermeld dat zijn tekst 'niet wordt onderschreven door de andere historici' - de auteur was in een paar pas- sages blijkbaar 'te genuanceerd' geweest. Voor de meeste experts die meeschreven aan dit rapport, lijkt nuance iets te vaak gelijk te staan aan relativering, en relativering van de kolonisatie is dan weer geschiedvervalsing. Dat staat zelfs expliciet in de eerste hoofdstukken. Zo zou het niet mogen kunnen dat historici er nog altijd op zouden wijzen dat veel westerlingen er tijdens de koloniale periode nu eenmaal koloniale gedachten opna hielden, en vanuit dat perspectief een aantal daden of gebeurtenissen zouden proberen te verklaren. Gillian Mathys (UGent) en Sarah Van Beurden (University of Ohio) schrijven letterlijk: 'Het getuigt van een eurocentrische en zelfs koloniale zienswijze om te stellen dat kolonialisme als legitiem werd beschouwd tijdens de koloniale periode.' Dat is onzin. Net zoals het niet van een open geest getuigt om wie het oneens is met de eigen visie meteen neer te zetten als een halve racist. In een recent artikel in Wetenschappelijke Tijdingen bracht de Gentse historicus Marc Boone, voormalig decaan van de faculteit letteren en wijsbegeerte, in herinnering wat geschiedenis is en niet is. Hij schreef: '1. De geschiedenis is geen godsdienst. De historicus aanvaardt geen enkel dogma, respecteert geen verbod, erkent geen taboes. Hij kan best vervelend zijn. 2. De geschiedenis is geen moraal. De rol van de historicus is niet om op te hemelen of om te veroordelen. Hij verklaart. 3. De geschiedenis is niet de slavin van de actualiteit. De historicus projecteert op het verleden geen eigentijdse ideologische schema's, evenmin smokkelt hij hedendaagse gevoeligheden binnen in de gebeurtenissen van het verleden.' Sommige experts van de Bijzondere Congocommissie hadden die vuistregels beter voor ogen gehouden. Sommige hoofdstukken doen te activistisch aan. Wouter De Vriendt bestrijdt dat: hij blijft erbij dat er geschreven werd vanuit 'moderne inzichten die steunen op een brede wetenschappelijke consensus'. Toch had de taal academischer en minder drammerig gemogen. Zeker, het kolonialisme was een vorm van geïnstitutionaliseerd racisme. Dat mag en moet zo geschreven worden. Maar moet in een rapport van 641 pagina's daarom 495 keer het woord 'racisme' vallen, en nog eens zo'n 340 keer 'ras', 'racist(isch)' en 'raciaal'? Het is nergens voor nodig om de lezer het evident racistische karakter van het kolonialisme op elke pagina door te strot te rammen. Dat is geen pleidooi voor een rapport dat zou verzanden in zedigheid en overbodige nuances. Het rapport is in zijn basislijnen - terecht - niet 'genuanceerd'. Zware misdaden mogen benoemd worden. Zeker als dat verleden nog niet verwerkt is, zoals in Congo. Vandaar dat de Kamerleden van de Bijzondere Congocommissie straks maar beter niet te paniekerig reageren op zogezegd 'straffe suggesties' van sommige experts, zoals het herhalen van verontschuldigingen, of het pleiten voor restituties van Afrikaanse kunst, of zelfs herstelbetalingen. Dat het vroeg of laat zal gebeuren, staat namelijk in de sterren geschreven. De Franse president Emmanuel Macron was vorige week nog persoonlijk aanwezig bij de teruggave van geroofde Beninse kunstwerken die tot nu toe opgesteld stonden in het prestigieuze museum Quai Branly - Jacques Chirac in Parijs. Duitsland onderhandelt met Namibië over herstelbetalingen en excuses. Het is de volgende maanden aan Wouter De Vriendt en zijn commissieleden om in dit gevoelige historische dossier naar een brede consensus te zoeken. Dat wordt zeker geen sinecure wat betreft de Vlaamse Kamerleden, met de veelkoppige N-VA- en VB-fracties. De Vriendt 'weet dat hij zijn tijd moet nemen', klinkt het. Ook de experts roepen daartoe op: bruskeer niet, als je wilt dat de conclusies door een breed publiek gedragen worden. Beslissingen moeten ook in alle transparantie worden genomen, in samenspraak met de betrokkenen uit Congo, Rwanda, Burundi en de diaspora. Daar is weinig tegen in te brengen. Wordt het niet tijd om het gezamenlijke verleden onder ogen te zien, fouten te erkennen en er zo mogelijk ook naar te handelen?