Bart De Wever koketteert al jaren graag in publieke verschijningen met weetjes over het Oude Rome. Voor oudhistorici was het ooit een plezier om een populair Vlaams politicus de lofzang van Rome te horen afsteken. Ook schreef hij in tempore non sunspecto een lezenswaardige bijdrage over Cicero in de bundel Oud maar niet Out (Uitgeverij Peeters, 2012). De laatste jaren vervalt De Wever echter meer en meer in vergelijkingen tussen Rome en actualiteit die prima facie mooi klinken, maar na grondige analyse vooral holle platitudes blijken. Oudhistorici zoals Robert Nouwen, Loonis Logghe, en ondergetekende hebben hier reeds op gewezen. Nu moet de snel-Belgwet het ontgelden. Deze naturalisatiewet van de regering Verhofdstadt I uit 2000 zorgde ervoor dat bepaalde mensen zonder Belgisch burgerrecht een procedure konden opstarten om versneld burgerschap te verwerven. 'De Romeinen hadden de snel-Belgwet een stompzinnigheid gevonden', stelde De Wever deze week in een gesprek met het Franstalige tijdschrift Wilfried.

De Romeinen hadden De Wevers kennis een buis gegeven.

Burgerrecht in bloed gesmeurd

De Wever heeft zeker gelijk dat men aanvankelijk niet zomaar kon 'van de ene dag op de andere Romein worden'. Indien we de fabeltjes van Livius laten vallen, kunnen we stellen dat Rome het leven zag als enkele bescheiden dorpjes bij de Tiber wiens bevolking aanvankelijk op peil gehouden werd door vluchtelingen en rondtrekkende krijgsbendes. De geschiedenis van haar Republiek in het laatste half millennium voor onze tijdsrekening kenmerkt zich door een brutale expansie naarmate de tijd verder schrijdt. Wat eerst begon als schapen roven van naburige dorpen eindigde eeuw na eeuw uiteindelijk in de totale onderwerping van eerst het Italische schiereiland, dan de volledige Mediterrane wereld en finaal haar Europees hinterland. Imperium sine fine declameerde de Romeinse dichter Vergillius tijdens Augustus' heerschappij: 'Macht zonder grenzen.' Burgerrechten werden gradueel aan niet-Romeinen toegekend in allerlei variaties. Niet omdat de S.P.Q.R. bekommerd was in Alle Menschen werden Brüder, maar om haar eigen militaire slagkracht op peil te houden.

Het aandeel van Romes bondgenoten hierin kan niet onderschat worden. De Griekse historiograaf Polybius stelde dat anno 225 v.o.t. de maximaal oproepbare mankracht van de Romeinse Republiek 671.000 man bedroeg, maar dat Romes eigen aandeel daarvan slechts een derde uitmaakte. Romes onderhorige bondgenoten konden in ruil voor hun inzetbaarheid op bescherming rekenen en een aandeel in oorlogsbuit tijdens gezamenlijke campagnes. Twee eeuwen nadat Rome de volledige controle had verworven over de Italische laars, waren haar bondgenoten het echter beu om als tweederangsburgers uitgebuit te worden voor haar overzeese imperialistische avonturen en aan de willekeur overgeleverd te zijn van individuele magistraten. Ze ontketenden de eerste echte burgeroorlog die enkele honderdduizenden mensen het leven zou kosten. De senaat zag uiteindelijk geen andere oplossing om het conflict te ontmijnen dan volwaardig Romeins burgerrecht toe te kennen aan haar Italische buren.

De snel-Romeinwet van 212

Waar De Wever echter de bal volledig misslaat is met zijn veronderstelling dat de Romeinen het versneld toekennen van burgerrecht als een ramp zouden ervaren hebben. Enerzijds hebben we gezien dat tijdens de Republiek tweede- of derderangsrechten op termijn een tikkende tijdbom vormden. Maar de geschiedenis van het Romeinse keizerrijk ontkracht De Wevers stelling volledig. In het jaar 212 van onze tijdsrekening vaardigde keizer Caracalla een edict uit dat bepaalde dat voortaan alle vrije inwoners van het Imperium Romeinse burgers bezaten. Dat was niets minder dan een burgerrechtenrevolutie. Dr. Myles Lavan van de universiteit van St. Andrews heeft berekend dat op dat moment, net geen twee eeuwen na de dood van Augustus, mogelijks slechts een kwart van alle mannelijke inwoners Romeins burgerrecht bezat. Het Romeinse Rijk was nog steeds een smeltkroes van volkeren, culturen en talen, gaande van Keltische stamen tot Arabische nomaden, en van Griekse stedelingen en Afrikaanse boeren. Van de ene dag op de andere konden ze zich opeens zonder onderscheid 'Romein' noemen. Tot op heden kunnen we nog steeds niet met zekerheid stellen wat de ware drijfveer hierachter was. Maar wat er ook van moge wezen, het langetermijneffect van deze snel-Romeinwet betekende de redding van het rijk.

Het langetermijneffect van de snel-Romeinwet betekende de redding van het rijk.

Provinciale keizers van bescheiden komaf, wiens voorouders voor Caracalla's maatregel van volwaardig burgerrecht verstoten waren, zouden twee generaties later Rome van de rand van de afgrond redden. In de vierde eeuw beschouwden quasi alle inwoners van het rijk zich in de eerste plaats Romein. Het keizerrijk was een inclusief 'binnenstebuitenimperium' geworden, met Gallië, de Balkan en de Levant als stuwende motoren. Het meest eclatante succes waren de Grieken. Een volk dat zich in de klassieke oudheid op de borst klopte omwille van haar superioriteit. Een volk voor wie iedereen die geen Grieks sprak broebelaars waren of 'barbaren'. Een half millennium na hun annexatie en de ontbinding van het Romeinse staatsapparaat in het Westen beschouwden ze zich echter niet meer als Grieken. Ze waren Romaioi geworden. Romeinen. En het waren deze nieuwe Romeinen die in het oostelijk Middellands Zeegebied nog eens een millennium lang haar imperium en beschaving in stand hielden.

Rode Kaart voor Rome

Wie beroepshalve begaan is met het metier van Oude Geschiedenis en Bart De Wever keer op keer zijn kennis over Rome ziet exposeren, wordt telkens overvallen met het zelfde gevoel dat men krijgt bij frietjes van McDonald's: te klein, te weinig, en zonder voldoening. En net zoals men iemand in een debat een rode kaart moet geven wanneer die Hitler gebruikt in een vergelijking die hoegenaamd niets met het onderwerp te maken heeft, zo ook zou men De Wevers microfoon moeten uitzetten indien hij vergelijkingen maakt tussen actualiteit en het oude Rome.

Als de Romeinen de snel-Belgwet al stompzinnig gevonden zouden hebben, zou dat nog maar het topje van een titanische ijsberg geweest zijn. Afschaffing van slavernij? Gelijkheid van man en vrouw? De universele rechten van de mens? Allemaal zaken die je met geen vergrootglas kunt terugvinden in de Romeinse samenleving. Maar net die zaken behoren tot het kernweefsel van onze democratische maatschappijen in de 21ste eeuw. Een burgervader én historicus zou beter moeten weten.