In een ideale wereld had dit een verhaal met een ander einde moeten worden. Acteurs Erik Van Herreweghe en Eddy Vereycken wilden een van hun laatste voorstellingen Gerontopubers noemen. Oude mannen die weer de puber in zich ontdekt hebben.
De term is van wiskundige Jean Paul Van Bendegem. ‘Ik heb hem gevraagd of wij het woord mochten lenen’, zegt Eddy. ‘Natuurlijk’, antwoordde Van Bendegem. ‘Op voorwaarde dat je mij uitnodigt voor de première.’
Erik en Eddy hadden al wild gefantaseerd over hoe de voorstelling er moest uitzien. Twee oudere acteurs, liggend op het podium, die verhalen vertellen over hun levens en liefdes. Moeilijk om dat te spelen zou dat niet zijn, want Erik en Eddy kennen elkaar al vijftig jaar. Zo vaak hadden ze het podium gedeeld, en daarna op café de wereld veranderd.
Aan het einde van de voorstelling zouden ze in een raket stappen, met een grote knal de hemel invliegen. En dan: licht uit.
‘Leef jij nog?’
‘Ja. Waar ben je?’
‘In Venus, schoon wijf. En jij?’
‘In Jupiter. Lekker bier.’
Laatst vroeg Van Bendegem hoe het nu zat met Gerontopubers. ‘Is de voorstelling afgelast?’
‘Het is veel erger dan dat’, antwoordde Eddy. Tijdens een repetitie wilde Erik een plastic pak met boterhammen openscheuren. Maar zijn vingers werkten tegen. ‘Kun jij mij helpen, Eddy?’ vroeg hij. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is.’
De dokter wist het wel: Erik had de spierziekte ALS. Een meedogenloos gemene streek van de geschiedenis: dertig jaar eerder was Eriks moeder aan dezelfde ziekte gestorven, net nadat hij de voorstelling Schone familie gespeeld had. ‘Even hebben we getwijfeld om deze voorstelling in een rolstoel te doen’, zegt Eddy. ‘Maar toen het volume van Eriks stem verminderde, moesten we ook dat plan opbergen.’
De ziekte tastte misschien Eriks spieren en stemvolume aan, maar niet zijn gezicht en zijn jongensachtige glimlach. En nog minder zijn lust om te leven. ‘Elke dag dat ik mijn ogen open, ben ik blij.’ Een beetje droefgeestig ook, dat kan niet anders. Droef omdat er niet meer zoveel dagen resten. Maar ook geestig, omdat hij met een brede glimlach terugkijkt op een leven vol theater.
***
Dat leven begon op zijn achtste, toen zijn ouders hem meetroonden naar My Fair Lady in de Gentse Minardschouwburg, met Romain Deconinck en Yvonne Delcour. De jonge Erik wreef zich de ogen uit: die oude zaal, de ornamenten, het podium, maar vooral Romain en Yvonne. Na de voorstelling zei Erik tegen zijn moeder: ‘Ik weet wat ik later wil worden.’ Geen astronaut of brandweerman, maar een speler. Zoals Romain en Yvonne – zij werd zijn eerste muze.
Als puber won Erik een voordrachtwedstrijd met een tekst van Godfried Bomans en op zijn achttiende zei zijn vader: ‘Er bestaat in Antwerpen een opleiding om acteur te worden. Misschien moet je daar je kans wagen.’
Op een dag in 1975 stond Erik voor de jury van het toelatingsexamen van Studio Herman Teirlinck. ‘Speel Jacob van Artevelde’, zeiden ze. ‘Bereid u maar voor.’
Terwijl Erik zich terugtrok, stootte hij op een andere kerel die zich aan het voorbereiden was. Hij viel op. Omdat hij geverfde platinablonde haren had en wat op Marlon Brando leek, maar ook omdat hij regendruppels uit de lucht aan het plukken was.
Ze hadden nog niet eens kennisgemaakt, en toch had die blonde gozer hem al een les gegeven: je hoeft niet altijd te spreken om te acteren. Het kan ook zonder woorden.

***
De blonde kerel heette Eddy en had al een heel leven achter zich. Hij was getrouwd en voorstopper geweest bij den Antwerp. En een goeie: hij mocht zelfs meespelen bij de UEFA-juniores, getraind door Raymond Goethals. Achter hem in het doel stond de piepjonge Jean-Marie Pfaff, die toen zijn haren nog niet verfde.
Ook op een jeugdtornooi in Duitsland viel Eddy op. Zozeer dat Franz Beckenbauer hem wilde inlijven bij Bayern München. Maar de voorzitter van Antwerp zei: ‘Je blijft op de Bosuil.’ ‘Hij had grootse plannen met mij: ik kreeg een semiprofcontract.’
Tot Eddy op de training uitgleed in een grote plas water. De dokter deed een verband rond zijn enkels en had dat beter niet gedaan: een dropvoet. Hij trainde hard om terug te komen, maar het was al te laat. Antwerp transfereerde hem niet naar Bayern München, maar naar KFC Vrijheid Herselt in bevordering. ‘We wonnen alles, maar ik verloor mijn plezier in het voetbal.’ Toen ensceneerde hij een tweede ongeval op het veld. Iedereen was bezorgd, behalve zijn vrouw. ‘Jij bent toch nogal een komediant, hè’, zei ze in de ziekenwagen.
Dat acteren ging hem verbazend goed af. En toen een vriend vroeg of hij zin had om mee te gaan naar het toelatingsexamen van de Studio, twijfelde hij niet. De Shake noemden zijn studiegenoten hem, omdat hij uit het blote hoofd lappen Shakespeare kon debiteren. ‘Eddy was de populairste van de klas’, zegt Erik. ‘Iedereen hing altijd rond hem. Daarom was ik eerst wat argwanend.’
Maar al snel vonden de twee klasgenoten elkaar. Ze maakten hun eerste voorstellingen samen – van Shakespeare, wie anders – en vonden elkaar ook in hun liefde voor het theater van François Beuckelaers. Zijn vreemde stukken zetten hun verbeelding in de fik.
Wat later gaf het leven Eddy zijn eerste echt grote theaterrol. ‘Ik werd opgeroepen voor het leger. “Twee dagen geef ik je om daaraan te ontsnappen”, zei de directeur van de Studio. “Maar dat onderzoek duurt drie dagen”, protesteerde ik nog. “Twéé”, repliceerde hij.’
Eddy trok naar de onderzoeken in het Klein Kasteeltje als een clochard, met een pot frietvet in zijn haar en liters bier in zijn lijf. Onderweg kwam hij toevallig een paar ex-spelers van Antwerp tegen. ‘Eddy’, riepen ze. ‘Wat is er in godsnaam met jou gebeurd?’
In twee dagen kon Eddy de legerleiding ervan overtuigen dat hij totaal ongeschikt was om het vaderland te verdedigen. Hij keerde terug naar de Studio. Daar waren Erik en zijn klasgenoten aan het staken tegen een te autoritaire directeur en voor meer inspraak. ‘Weken heeft dat geduurd. Op den duur heb ik gezegd: “Foert jongens, zoek het maar uit, ik ben weg.”’
Eddy werd vrachtwagenchauffeur. Maar hoe verder hij reed, hoe meer het podium hem achtervolgde. Tijdens de lange ritten naar Utrecht bleef De Shake maar debiteren uit Romeo en Julia – het was sterker dan hemzelf: ‘What’s in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet.’ En dan: ‘O, I am fortune’s fool!’
Hij maakte rechtsomkeert en begon al helemaal te twijfelen toen hij in Gent een lesgever uit de Studio tegen het lijf liep: ‘Eddy, je gaat je talent toch niet vergooien in een vrachtwagencabine?’
Eddy zwichtte en schreef zich in aan het conservatorium in Gent. Ook daar maakte hij indruk. ‘We hebben de tweede Julien Schoenaerts ontdekt’, schreven de kranten. Er lag een contract klaar voor hem in het NTG. Tot hij ruzie kreeg met een van de grote leraars van de school, omdat die net een homo had laten zakken. ‘Dat was in de jaren zeventig, hè, toen homo’s in de kast moesten blijven. “Homo’s kunnen niet acteren”, zei die man. Ziedend was ik – we brulden tegen elkaar op. “Je kunt fluiten naar je contract bij het NTG”, riep hij.’ Het deerde Eddy niet: acteren in kleinere theaters leek hem ook fijn.
***
Ook Erik maakte op dat moment naam in het theater, met dank aan zijn mentor Tone Brulin. ‘Onvoorstelbare kerel. Een monument. Je wist bij hem wel waar het begon, maar nooit waar het eindigde.’ Een keer was dat in de City Hall in Hongkong, voor 1500 wildenthousiaste Hongkongers.
Toen belde de realiteit: ook Erik moest naar het leger. ‘”We hebben een job voor jou, Erik”, zei de majoor. “Het Militaire Nieuws presenteren. Ga je maar aanmelden bij de kolonel in Evere.” In de wachtkamer van zijn kantoor zat nog een jonge kerel, die Dany bleek te heten. “Wat kom jij hier doen?” vroeg hij. “Het nieuws presenteren”, antwoordde ik. “Maar dat ga ik doen”, zei hij. Uiteindelijk hakte de kolonel de knoop door: “Soldaat Dany Verstraeten is het meest geschikt om het Militair Nieuws te presenteren. Hij krijgt de job.” (lacht)’
Nooit hadden ze gedacht dat ze twintig jaar later die scène nog eens zouden overdoen. Niet voor de tv-camera’s, maar in een woonzorgcentrum.
‘Ze hebben me vaak gevraagd: “Waarom heb je niet meer voor tv gedaan, Erik? Dan was je nu bekender geweest.” “Dan had ik voor weerman moeten studeren”, antwoord ik altijd. Met alle respect voor weermannen trouwens. Ik zie mijn vrouw en kinderen doodgraag, maar ze weten ook dat theater mijn maîtresse was.’
Tien jaar lang was Erik lid van het vaste gezelschap van het NTG. Daar botste hij op een oude bekende: Eddy. ‘In die dagen ging ik geregeld naar de Maxim’s in Gent, een beruchte stripteasebar aan de Schepenenvijverstraat’, vertelt Eddy. ‘Op een nacht kwam ik daar iemand van het NTG tegen. Die acteur was zo beschaamd, bang dat ik hem zou verklikken. “Eddy, man,” zei hij, “je moet naar het NTG komen. Schrijf een brief om je te verontschuldigen voor die homozaak.’’’
Eddy schreef een brief. Niet om zich te verontschuldigen, maar omdat die kleine theaters hem geen zekerheid konden bieden. Wat later stormde hij de Hotsy Totsy binnen in Gent: ‘Erikske, ik kom ook naar het NTG. We gaan samenwerken.’
Dat deden ze ook. In Nathan De Wijze, Station Service, zoveel voorstellingen. Soms stonden ze samen op de scène, soms regisseerde de ene de andere. Dat ze toen de beste dagen van hun leven aan het opmaken waren, beseften ze niet.
Het duurde allemaal tot Erik begin jaren negentig de overstap maakte naar de net opgerichte Blauwe Maandag Compagnie. Na de afscheidsfuif van het NTG zwierde hij, half tipsy, ‘s nachts op het podium van de lege zaal, alsof hij zijn tijd daar zelf uit danste. Uiteindelijk viel hij in slaap in zijn loge. ’s Morgens werd hij gewekt door de klokken van Sint-Baafs.
Eddy bleef bij het NTG en werd een paar jaar later gevraagd om directeur te worden. ‘Ze hadden twee kandidaten. Ik kreeg de job, op één voorwaarde: dat ik heel de oude garde zou buitengooien. Veertien man, met wie ik lief en leed gedeeld had. Na lang twijfelen heb ik geweigerd. Ik kon het niet.’
De andere kandidaat kon het wél. ‘Die ontslagen hebben enorme wonden geslagen’, zegt Erik. ‘Acteurs die al dertig jaar in het NTG werkten, hebben daarna nooit meer een voet in het theater gezet. Ik zat in de Pallieter in Antwerpen toen ik het nieuws vernam. Jonge acteurs dansten op de tafels. Toen ben ik verschrikkelijk boos geworden – hoe weinig empathie kun je hebben?’
Al weet hij nu ook wel dat het de gang der dingen is. Een tijd geleden zag hij een filmpje uit de jaren zestig, met alle acteurs die net ontslagen waren. ‘De journalist vroeg: “Zijn er niet te veel jongeren?” “Nee,” antwoordden ze, “de toekomst is aan de jeugd.”’
***
Jaren later, in 2007, speelde Erik de hoofdrol in de Eén-serie Kaat en co. ‘Een bijzondere reeks, omdat ze niet werkten met uitgetikte scenario’s. We kregen van de makers alleen maar een paar verhaallijnen en moesten dan voor de camera improviseren. Op een bepaald moment hadden ze gezegd: “Je personage ontmoet een oude vriend.” Wat ik niet wist, was dat Eddy gesolliciteerd had voor Kaat en co.’
‘Ze castten me op tv altijd om de slechterik te spelen’, grijnst Eddy, ‘maar ik wilde ook eens mezelf spelen op tv.’
De camera’s liepen al toen Eddy, tot grote verbijstering van Erik, de scène opwandelde. ‘De verbazing op mijn gezicht, daar was geen spat van gespeeld. Eddy, dacht ik alleen maar, wat doe jij hier?’ Ze omarmden elkaar zoals alleen echt oude vrienden dat kunnen.
Aan het einde van de reeks kreeg het personage van Eddy terminale kanker. ‘We gingen naar Italië, want ik wilde in stijl eindigen. Dronken, met veel lawaai. De buren wisten niet dat het voor tv-opnames was en belden de flikken. Ook dat is allemaal gefilmd. (lacht) En toen moest ik nog aan Erik zeggen dat ik nog maar even te leven had.’
Voor de camera murmelde Eddy: ‘Geen medelijden met mij. De dood is het enige waar we allemaal zeker van zijn. En jij, niet triestig zijn. We blijven bij elkaar, in gedachten.’
‘Ik wist natuurlijk dat hij het speelde en dat het niet waar was’, zegt Erik vandaag. ‘En toch raakte het mij verschrikkelijk.’
***
Ze waren toen jonge vijftigers. Nooit hadden ze gedacht dat ze die scène twintig jaar later nog eens zouden overdoen. Niet voor de tv-camera’s, maar in een woonzorgcentrum. En deze keer zijn de rollen omgekeerd en is het wel echt.
Elke woensdag komt Eddy zijn vriend bezoeken, al heeft die een bijzondere opdracht. ‘Toen mijn vader stierf, was ik kwaad op mezelf: ik had hem nog zo veel willen vragen’, zegt Erik. ‘We hadden een goede relatie, maar nooit had hij over zijn jeugd verteld. Daarom wilde ik het bij mijn kinderen anders doen.’
Al tien jaar werkt hij aan een podcast voor hen: meer dan 60 afleveringen met honderden herinneringen – onbedoeld zijn het ook een beetje de memoires van het Vlaamse theater geworden.
Vijftig jaar nadat Eddy zijn maat had geleerd dat stilte ook wat had, vertolkt hij nu Erik.
De eerste afleveringen heeft Erik zelf ingesproken. Maar nu zijn stem zwakker klinkt, heeft zijn oude jeugdvriend het overgenomen. Vijftig jaar nadat hij zijn maat had geleerd dat stilte ook wat had, vertolkt hij nu Erik. In zijn woorden. ‘Ik heb al zoveel gespeeld’, zegt Eddy. ‘Nooit zenuwen gehad, maar nu wel. Terwijl er maar één man in de zaal zit. Soms kijk ik hem aan en denk ik: doe ik het goed?’
Maar soms denkt hij ook: wat een ijdele wereld is die theaterwereld toch. ‘Zet mij op café met een acteur en na een paar uur ben ik die gast meestal zo beu als koude pap. Die blijven maar acteren, terwijl de voorstelling allang gedaan is. Die hoogmoed ook. “Ik ben…” Jongens, we zijn maar een hoop clowns die de mensen vermaken. Veertig jaar theater heeft me drie vrienden opgeleverd: Erik is een van hen. Omdat hij anders is.’
‘Ik heb altijd gerelativeerd wat ik doe’, zegt Erik. ‘Maar het theater heeft me wel veel dierbare vrienden geschonken. Mensen die er waren, ook op mindere dagen.’ Zoals nu. Even weer de gerentopuber spelen, dat troost.
***
Terwijl ik afscheid neem, zie ik een papiertje dat aan de deur hangt: ‘Erik is op het terras.’ Ik denk aan een winteravond in 2019 in de coulissen van theater ’t Klokhuis in Antwerpen. Buiten stormde het. Binnen zei Erik me: ‘Je moet eens een verhaal over den Eddy maken.’
Later die avond speelde Erik een straf stuk over zijn oude jeugdheld, Godfried Bomans. Met een pijp aan de lippen, zoals de schrijver, maar hij bleef onmiskenbaar Erik. Het was de eerste keer dat hij alleen op het podium stond. Ook zonder Eddy – die zat naast me in de zaal.
Even zag ik mijn buurman kraken toen zijn jeugdvriend op het podium Bomans debiteerde: ‘Geluk bestaat uitsluitend in de herinnering. De dingen worden pas waarlijk genoten als ze voorbij zijn. De ordening die hiervoor nodig is, behoort tot het bezit van de volwassenen. Het is de tragiek van de mensheid dat we telkens te laat ervaren wat we destijds hadden moeten voelen. Alles wat we geluk noemen wordt geprojecteerd op het scherm van de herinnering. We kijken ademloos toe, maar we zitten in het donker.’
‘Leef jij nog?’
De afleveringen van Onbekend is een kind, het levensluisterspel van Erik Van Herreweghe, staan nu op zijn eigen YouTube-kanaal. Tik Erik Van Herreweghe in op YouTube en u vindt ze.Rimpelingen, de oude man en zijn chaos, een voorstelling van Eddy Vereycken en pianist Luc Callewaert, is vanaf 15 tot 17 mei te zien in Het Klokhuis in Antwerpen, www.vlaamsfruit.be