De aanleiding voor de tentoonstelling in Wenen is de 450e sterfdag van Pieter Bruegel de Oude, maar het gaat om veel meer dan alleen maar een expositie: er is zes jaar intensief onderzoek aan voorafgegaan waarbij een reeks schilderijen van Bruegel is schoongemaakt en gerestaureerd. Sommige hebben hun geheimen prijsgegeven, over andere zijn nieuwe hypothesen geformuleerd en één twijfelgeval is, na restauratie, toegeschreven aan Bruegel. Maar over de mens achter de schilder blijven veel vragen.
...

De aanleiding voor de tentoonstelling in Wenen is de 450e sterfdag van Pieter Bruegel de Oude, maar het gaat om veel meer dan alleen maar een expositie: er is zes jaar intensief onderzoek aan voorafgegaan waarbij een reeks schilderijen van Bruegel is schoongemaakt en gerestaureerd. Sommige hebben hun geheimen prijsgegeven, over andere zijn nieuwe hypothesen geformuleerd en één twijfelgeval is, na restauratie, toegeschreven aan Bruegel. Maar over de mens achter de schilder blijven veel vragen. Eigenlijk weten we nauwelijks meer dan dat ene Peeter Brueghels zich in 1551 liet inschrijven in het Sint-Lucasgilde in Antwerpen, dat hij in 1563 in Brussel met Mayken Coecke trouwde, en dat hij in 1569 in Brussel stierf, hooguit 45 jaar oud. Een gedenksteen in de Brusselse Kapellekerk, jaren later aangebracht door een van zijn zonen, de schilder Jan Brueghel, is daar het enige bewijs van. Is Pieter Bruegel geboren in Bree, Breda, Brogel, Breugel of Antwerpen? We weten het niet. Misschien levert nieuw archiefonderzoek eindelijk uitsluitsel. 'Los van waar hij geboren is, moet je zijn scholing en opleiding toch aan Antwerpen koppelen. Bruegel behoorde tot de stedelijke bovenlaag', zegt Manfred Sellink, directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en lid van het vijfkoppige curatorenteam van de Bruegel-tentoonstelling in Wenen. Van over de hele wereld zijn Bruegels ingevlogen: uit Antwerpen, Brussel, Rotterdam, Madrid, Rome, Londen en Berlijn. Enkele werken zijn te fragiel om te reizen, maar werden wel onderzocht, zoals De bruiloftsdans (1566) van het Art Institute in Detroit. In Wenen zijn in totaal 30 schilderijen, 35 tekeningen en een dertigtal gravures te zien. 'Dus meer dan negentig werken van Pieter Bruegel', zegt Sellink. 'De kans dat je dat ooit nog eens bij elkaar krijgt, is uitermate gering. Er zijn werken die voor het eerst in de moderne tijd hun plek verlaten: Dulle Griet van Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen is magnifiek uit de restauratie gekomen en is te zien naast de eveneens gerestaureerde Triomf van de dood uit het Prado. Die twee werken bij elkaar zijn alleen al de reis naar Wenen waard. 'Het onderzoek is mogelijk gemaakt door het Panel Project van het Getty Museum in Los Angeles: een stimuleringsfonds voor Europese musea, onderzoekers en restauratoren. Alle schilderijen van Bruegel zijn op paneel, op drie uitzonderingen na: de twee werken in het Museo di Capodimonte in Napels en Het Sint-Maartensfeest in het Prado zijn op doek geschilderd. Met het curatorenteam, dat bestaat uit vijf specialisten, hebben we met de meest geavanceerde wetenschappelijke apparatuur de panelen onderzocht. Zo werd om de twee maanden een van de twaalf schilderijen in Wenen van de zaal naar het atelier gebracht. Telkens was ik daar een paar dagen om zo'n schilderij te proberen te doorgronden. We hebben onderzoek gedaan naar de materiële toestand maar ook naar het creatieve proces.' Wat hebben jullie gevonden? Manfred Sellink: De schilderijen van Breugel moeten oorspronkelijk feller van kleur zijn geweest. In het midden van de zestiende eeuw is er bijvoorbeeld veel smalt gebruikt als pigment voor blauw. Nu weten we dat smalt al na decennia verkleurt tot grijs, zoals onder andere in de jurk van Dulle Griet. We zijn ook te weten gekomen dat Bruegel op Baltische eik van een zeer hoge kwaliteit schilderde. Niet alleen het hout was kwaliteitsvol, ook de manier waarop het verwerkt is en hoe de grondlaag werd aangebracht. De normen lagen hoog voor Bruegel. Waren zijn schilderijen dan ook duur? En had hij welgestelde opdrachtgevers? Sellink: Zo weinig we weten over Bruegel zelf, zo veel weten we over de opdrachtgevers. Ze kwamen haast allemaal uit de bestuurlijke en financiële elite van Antwerpen. Zo hing de zesdelige reeks De maanden in de eetkamer van het buitenverblijf Hof ter Beke van Nicolaes Jongelinck, een Antwerpse handelaar en bankier, die maar liefst zestien Bruegels in zijn bezit had. Een andere opdrachtgever, kardinaal Granvelle, behoorde tot het Brusselse hof: hij was de eerste minister van landvoogdes Margareta van Parma. Van de Bruegels die zich nu in Wenen bevinden, is een aantal geschonken door het Antwerpse stadsbestuur aan de landvoogden Albrecht en Isabella bij hun feestelijke intocht: het ging dus duidelijk om prestigieuze werken. Er is nog een opdrachtgever opgedoken: in haar recente onderzoek toont Tine Meganck overtuigend aan dat De volkstelling in Bethlehem uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel een opdracht was van Jan Vleminck, de heer van Wijnegem. Vleminck was een rijke Antwerpse handelsbankier, die onder Margareta van Parma de financier was van de krijgsmacht en zaken deed met andere opdrachtgevers van Bruegel. Hoeveel die opdrachtgevers betaald hebben voor een werk, weten we niet, wel dat Bruegel erg gezocht was. Maar alleen al door hun complexiteit en grootte moeten de schilderijen van Bruegel duur zijn geweest. Schilderde hij alleen, of had hij een atelier? Sellink: We zien in de schilderijen van Bruegel, in tegenstelling tot Jeroen Bosch, geen andere handen. Alles is eigenhandig. Bruegel zal zeker een klein atelier hebben gehad, misschien met twee gezellen die de pigmenten maalden of de grondlaag van een schilderij aanbrachten. Bruegels oeuvre is beperkt. Is er dan veel werk verloren gegaan? Sellink: Er is werk verloren gegaan: dat weten we uit boedelbeschrijvingen en door de kopieën die naar intussen verloren gegane originelen zijn gemaakt. We kunnen ervan uitgaan dat hij in totaal zo'n 60 à 65 panelen heeft geschilderd en misschien ook nog wat werk op doek. Werken op doek waren goedkoper, beter te transporteren maar veel fragieler. Daar blijven er dus erg weinig van over. Al bij al gaat het dus om een klein oeuvre. Zijn schilderijen dateren uit de periode 1557 tot 1568, vermoedelijk had hij een gemiddelde productie van 5 à 7 werken per jaar. Was hij een vernieuwende schilder? Sellink: Hij bezat het vermogen om te werken met minimale middelen: weinig verf in dun opgebrachte lagen. Een mooi voorbeeld is Terugkeer van de kudde (oktober en november) uit 1565: het is de eerste keer in de kunstgeschiedenis dat koeien zo groot en zo magnifiek zijn geschilderd. De witte flank van de koe op de voorgrond bestaat uit één verflaag. Als geen ander kon Bruegel de precisie van het detail combineren met een heel losse manier van schilderen. Hij moet tijdens zijn opleiding in het atelier van Pieter Coecke van Aelst door Mayken Verhulst, de vrouw van Pieter, ingewijd zijn in de miniatuurschilderkunst. Mayken Verhulst staat bekend als een van de beste miniaturisten, hoewel we tot op heden geen enkel werk van haar kennen. Van haar kan hij die precisie hebben geleerd. Schoolvoorbeelden daarvan zijn de twee versies van De toren van Babel: zonder pietepeuterig te worden kan hij met twee of drie penseelstreken een mens voorstellen. Door zo lang naar de reeks van De maanden te zitten kijken, heb ik nog een piepkleine zwemmer en een visser ontdekt, helemaal in de verte. Opvallend is het grote formaat van de landschappen van Breugel. Sellink: Enerzijds is er de weelde aan minutieuze details, anderzijds verliest Bruegel nooit de compositie van die grote schilderijen uit het oog. Dat is zijn sterkte. Hij kent de trucs: hij leidt je blik door zijn schilderijen. Zo zet hij in De oogst (augustus-september) (Metropolitan Museum New York, niet te zien in Wenen, nvdr) een boom pal in het midden, waardoor die scène reliëf krijgt. Links ervan wordt je oog geleid over een pad tussen de korenvelden en vervolgens langs een rivier helemaal tot aan de horizon. Rechts zie je dan weer een bomenrij waarachter een klein dorpje te zien is. Nog zo'n truc om het oog van de toeschouwer te leiden, zijn de opvallende rugfiguren: Bruegel durft die op de voorgrond te plaatsen, zodat de toeschouwer zich met die figuur identificeert en als het ware met zo iemand meekijkt naar het tafereel. Bruegel geeft ook spanning aan een landschap door bijvoorbeeld een heuvel eerst lichtjes te laten stijgen en dan pas te laten dalen. Een filmregisseur als Andrej Tarkovski was weg van Bruegel en heeft zich laten beïnvloeden door die landschappen. Er is ook een nieuwe hypothese dat Bruegel in het atelier van Pieter Coecke in contact is gekomen met tapijtkartons en daar de combinatie van miniatuur en monumentaliteit heeft opgepikt. Coecke werkte mee aan de ontwerpen voor de befaamde wandtapijtenreeks Tunis van Jan Vermeyen, die in Wenen één verdieping hoger te zien zijn. Lacht Bruegel de boeren dan uit? Zeker als ze dansen en feestvieren? Sellink: Ja en nee. Bruegel doet niet neerbuigend en maakt van de boeren geen karikaturen. Intussen wordt meer en meer duidelijk dat Breugel niet de boeren uitbeeldt maar een overgangsgebied tussen stad en platteland. Het gaat nooit om piepkleine dorpen en de stad is altijd vlakbij. Bruegel lijkt mij - en dan kom ik op de grens van speculatie en persoonlijke appreciatie - met veel mededogen naar dé mens met zijn sterke en zwakke punten te kijken. Van Mander schrijft dat Bruegel graag met zijn vriend Hans Franckaert, een handelaar, verkleed als boer naar het platteland ging om er zich onder het publiek te mengen. We weten niet of dat klopt, maar het sluit wel aan bij zijn schilderijen. Bruegel zat echt wel in die stedelijke context en in de directe omgeving van het humanistische milieu in Antwerpen. Hij was vermoedelijk geen geleerde en behoorde misschien niet tot de stedelijke toplaag, maar zijn mecenassen zaten daar wel. Hij was bevriend met de aardrijkskundige Abraham Ortelius, die de schitterende grisaille De dood van de maagd van hem bezat. Philips Galle, die een aantal prenten naar Bruegel heeft gemaakt, zat in de kring van drukker en uitgever Christoffel Plantin. Kortom, het cliché van de 'Boerenbruegel' klopt niet? Sellink: Die associatie wordt gemaakt omdat de zonen van Bruegel heel veel boerentaferelen hebben gekopieerd. Maar in het oeuvre van Pieter Bruegel zelf zitten er maar vier of vijf dergelijke taferelen. Die schilderijen waren zelf allang het land uit en men kende alleen de kopieën die vanaf 1596 door zoon Jan en later door Pieter de Jonge in eindeloze reeksen zijn gemaakt. Nee, in de zestiende eeuw had Bruegel de reputatie van landschapschilder: het landschap - en de halfstedelijke omgeving - is dé rode draad in zijn werk. Karel van Mander schreef in 1604 in zijn beroemde Schilder-Boeck dat niemand naar een Bruegel kon kijken zonder te glimlachen. Wat bedoelde hij daarmee? Sellink:Van Mander geeft helaas geen voorbeelden. Ik denk dat het om wat onderkoelde en ironische humor gaat. Die humor zit soms in details. In het schilderij Binnenhalen van het hooi (juni-juli) uit 1563 dragen mensen manden met groenten op hun hoofd. Maar het lijkt alsof de korven hun hoofden zijn. Dat heeft een vervreemdend, ironisch effect. In De oogst (augustus-september) staat een vrouw voorovergebogen, maar zij ziet eruit als een korenschoof. Ook dat moet men grappig hebben gevonden. Links op datzelfde schilderij is iemand graan aan het maaien en wat verder staat een kan, vermoedelijk gevuld met bier. Die maaier kijkt er zo verlekkerd naar... Ook in Boerenbruiloft kijkt de doedelzakspeler verlekkerd naar de pap die wordt uitgedeeld. Maar hij moet spelen. Bruegel is naar Italië gereisd. Hoe heeft dat hem beïnvloed? Sellink: Vermoedelijk is hij na 1552 vertrokken. Hij was terug in Antwerpen in 1554, wanneer zijn eerste prent door Hiëronymus Cock werd uitgegeven. Geen van zijn beroemde tekeningen van de Alpenlandschappen is ter plaatse gemaakt, daarvoor zijn ze te precies en te hybride: ze zijn een mengeling van Brabant, de Alpen, Zuid-Frankrijk en Noord Italië. Die tekeningen zijn later in zijn atelier tot stand gekomen, of misschien nog tijdens zijn Italiëreis als hij ergens een paar dagen langer verbleef. Hoogstwaarschijnlijk is hij via Lyon naar Rome gereisd. Daar heeft hij Giulio Clovio ontmoet, de laatste grote miniaturist. In Clovio's boedelbeschrijving wordt melding gemaakt van een gezicht op Lyon, een gouache met een boom en een toren van Babel op ivoor, allemaal van Bruegel, en een miniatuur waaraan Clovio samen met Bruegel heeft gewerkt. Niets daarvan kennen we nog. Bruegel is via Napels tot aan de Straat van Messina getrokken. Zeer waarschijnlijk is hij teruggekeerd langs Venetië, want er zitten veel invloeden van Titiaan en Campagnola in zijn tekeningen. Vergeet niet dat Venetië toen hét artistieke centrum was, Rome was een provinciale, verlaten stad. Jullie hebben recent ook een Italiaans landschap aan Bruegel toegeschreven. Sellink: We hebben besloten om het Gezicht op de baai van Napels, dat een twijfelgeval was, nu toch aan Bruegel toe te schrijven. Het behoort tot de collectie Doria Pamphilj in Rome: het hing hoog, was erg vervuild en onttrok zich aan het oordeel. Het is intussen schoongemaakt en er is geen enkele twijfel meer: het is een eigenhandige Bruegel. Vermoedelijk heeft hij het lang na zijn Italiëreis en op basis van schetsen rond 1564 geschilderd: het vertoont veel gelijkenissen met De toren van Babel uit diezelfde periode. Bruegel was altijd al gefascineerd door schepen en havens. Geen toeval natuurlijk: hij heeft lang in Antwerpen gewoond, dat toen het handelscentrum en de belangrijkste haven van West-Europa was. De schilderijen van Bruegel zijn vaak overbevolkt. In De volkstelling in Bethlehem vallen Jozef en Maria nauwelijks op. Waarom deed hij dat? Sellink: De schilderijen van Bruegel zijn 'conversation pieces': mensen kwamen samen om zijn schilderijen te bekijken en te bespreken. Stel je voor, je zit met je familie en je vrienden te kijken naar dit schilderij: men herkent de volkstelling in Bethlehem, maar tegelijk verweeft Bruegel er lokale elementen in en allusies op de toenmalige situatie, zoals de ijskoude winter en een herkenbaar huis. Ook zijn schilderijen met spreekwoorden zijn een soort gezelschapsspel. Welk spreekwoord beeldt hij uit? Zelfs wij beginnen ernaar te raden als we zo'n schilderij zien. Moeten we De kindermoord in Bethlehem dan ook in ander perspectief plaatsen? Vaak werd beweerd dat dat schilderij een kritiek bevat op de inquisitie en de harde repressie van Alva. Sellink: Het lijkt me onwaarschijnlijk dat Bruegel met opdrachtgevers als kardinaal Granvelle - een van de verantwoordelijken voor de inquisitie en een van de hoogste machthebbers - schilderijen zou maken die een regelrechte aanklacht zouden zijn tegen diezelfde elite. Dan moet je er ook van uitgaan dat die niet in staat waren dat soort kritiek te zien. De prediking van Johannes de Doper is een monumentaal landschap en een van Bruegels meest ambitieuze composities. Het is in 1566 geschilderd, waardoor men gemakkelijk de associatie met de hagenpreken maakt. Maar dat waren opzienbarende spektakels, waar duizenden mensen op afkwamen, niet noodzakelijk alleen calvinisten. Daaruit mogen we dus niet afleiden dat Bruegel een cryptocalvinist was die een antikatholiek statement maakte. In 1562 verhuisde hij naar Brussel. Wat is daar de reden voor? Verruilde hij het katholieke Antwerpen voor het ketterse Brussel? Sellink: Helemaal niet. Er waren nergens in Europa zo veel calvinisten als in Antwerpen. Karel van Mander beweert dat Bruegel door zijn schoonmoeder werd aangepord om naar Brussel te verhuizen omdat hij in Antwerpen te dicht bij zijn vroegere, lastige verloofde zou zitten. Hij was intussen getrouwd met Mayken Coecke. Ik sluit niet uit dat de turbulente situatie in Antwerpen zijn verhuizing heeft beïnvloed. Maar misschien wilde Bruegel ook dichter bij het hof in Brussel zijn in de hoop meer opdrachten te krijgen. Van de stad Brussel kreeg hij in elk geval de vraag om de aanleg van het kanaal tussen de Rupel en Brussel in beeld te brengen. Maar hij is overleden voor hij daaraan kon beginnen. Moeten we de Parabel van de blinden, die een voor een de sloot in duikelen, beschouwen als een moralistisch schilderij? Sellink: Ik ben daar heel voorzichtig mee. Moralistisch heeft meteen de connotatie van het opgeheven vingertje. In het werk van Bruegel zit een grotere gelaagdheid. Het Sint-Maartensfeest in het Prado is drie bij twee meter groot met zo'n 120 figuren. Tijdens dat feest wordt gratis drank en voedsel gegeven aan de behoeftigen: dat is barmhartigheid. Tegelijk is er weinig dankbaarheid maar veel gulzigheid van de behoeftigen. Dat is typisch Bruegel: hij laat álles zien. Hij schildert een moeder die haar kind te eten geeft. Maar misschien geeft ze het toch al wijn te drinken. Voor haar liggen dronken mannen en zijn er twee boeren aan het vechten. Staat dat het kind ook te wachten? Wat ziet u als Bruegels grootste kwaliteit? Sellink: Zijn virtuositeit, zijn technisch en compositorisch vernuft, en zijn onderkoelde humor. Zoals het jongetje in Boerenbruiloft dat stilletjes een papkom aan het uitlikken is. Het universele ook: dat is de reden waarom Bruegel in Korea en Japan zo geliefd is, hoewel men er de christelijke achtergrond niet heeft. Tegelijk kun je geen enkel schilderij van Bruegel helemaal duiden. Juist dat blijft ons bezighouden. ( lacht) Bruegel toont heel empathisch la condition humaine, het intrinsiek menselijke. Hij houdt de mens een spiegel voor, toont onze zwakheden en onze kwaliteiten, zonder daarbij zuiver te moraliseren. Dat is helemaal anders dan Bosch: bij Bosch staat alles in het teken van de zondigheid en de nietigheid, en van het leven na de dood. Bosch is niet de meester van de glimlach. Bij Bruegel voel ik veel mededogen voor de mens. Als hij boeren afbeeldt, spat de levenslust ervan af en hebben ze plezier. En je ziet altijd wel iemand kijken: een buitenstaander, iemand die staat te genieten. Dat is Bruegel.