In het fragment uit het nieuwe boek van Maarten Boudry dat op deze website werd gepubliceerd, meent hij een analyse te moeten maken van mijn denken over de islam. Toen ik in 1968 of '69 les kreeg van Etienne Vermeersch, die toen pas aan de UGent was aangesteld, viel het op dat deze schrandere man met wie ik het goed kon vinden, toen en later zeker, als een positivist kon worden aangemerkt. Gaande de weg gaf hij daar een invulling sui generis aan, een menselijkere aanpak die toch ook rekening hield met de 'Lebenswelt'. Dat nu vind ik niet terug bij Maarten Boudry, en al zeker niet wanneer hij beweert dat noch de islam, noch het christendom van nature ontvankelijk is voor verlichting. Over die problematiek schreef ik verschillende werken en essays, en daarin staan de argumenten ter weerlegging van de nieuwe positivisten, zoals ik ze voor het gemak even noem. Ik weerleg er enkele. Even eerst en voor de goede gang van zaken: ik ben atheïst.

Boekenwijsheid is nodig, maar op straat komen ook: in heel wat wijken bestaat Eurabië al.

Ik beklemtoon dat men in het christendom, in tegenstelling tot de islam, blijkbaar wél aanknopingspunten vindt om de libido sciendi, de kennisdrang, te stimuleren. Boudry ontkent dit niet, maar vindt het lood om oud ijzer. De trucjes echter die men in de toenmalige christelijke wereld kon aanwenden om het wetenschappelijke denken in nucleo mogelijk te maken, waren (en zijn) ondenkbaar binnen de islam, en dat is toch een fundamenteel verschil. Juist doordat de kerk denkers ('scientia' betekende toen alles wat met denken te maken had) van metafysisch of theologisch gespeculeer wilde afhouden of afleiden, liet men ze relatief vrij in hun onderzoek met betrekking tot de natuur. Vanaf de zestiende eeuw waren het vooral auteurs als Bacon, Hobbes en Locke die, uit aversie voor het katholicisme, geen spatje wetenschap wilden zien in de katholieke middeleeuwen. Later waren het Voltaire in Frankrijk en Thomas Huxley in Engeland die, ieder wegens zijn eigen specifieke vooringenomenheid, geen enkele vorm van respectabiliteit aan het middeleeuwse denken wilden verlenen.

Het was de Franse historicus Pierre Duhem (1861-1916) die bij de ontdekking van een massa ongelezen middeleeuwse manuscripten de mythe van de onwetenschappelijke middeleeuwen kon doorbreken. Tussen 500 en 1500 zag men een enorme vooruitgang in wetenschap en technologie met het kompas, papier, drukkunst, stijgbeugels, buskruit: uitvindingen vanuit het Verre Oosten die pas door-ontwikkeld werden in het Westen. De mechanische klok, de wind- en watermolen, het drieslagstelsel, lenzen, kathedraalscholen en hoogovens waren eigen uitvindingen. Universiteiten waar de academische vrijheid ver van koninklijke bemoeienis werd gehouden, bestonden al in de twaalfde eeuw. Wetenschappelijk onderzoek toonde vernuft aan en dat verwees dan weer naar God. In de werken van James Hannam en Rodney Stark vindt men daarover veel materiaal, en de discussie daarover zal nog een lange tijd doorgaan (denk aan Charles Freeman en zijn 'The Closing of the Western Mind').

Het is vandaag echter niet langer een kwestie van wetenschappelijkheid alleen: het is vandaag, met het opnieuw ontwaken van de islam, misschien nog feller ideologisch gekleurd dan vroeger. De Lebenswelt, die onontbeerlijk is, ervaart men in de ivoren toren helaas niet.

De mediëvistiek van de laatste honderd jaar is echter zeer duidelijk: de idee van de 'duistere middeleeuwen', waarover Boudry het heeft, is al lang en breed verlaten ('duister' zou alleen kunnen refereren aan het feit dat we er relatief weinig bronnen over hebben). Met twee renaissances (de Karolingische en die rond 1200) waren de middeleeuwen op wetenschappelijk vlak immers zelfs vernieuwender dan de klassieke oudheid. Historici als Duby, Braudel, Gouguenheim, Bauer en vele anderen laten zien hoeveel kennis er in die zogenaamd duistere middeleeuwen aanwezig was en hoe die geïmplementeerd kon worden in een christelijke wereld. En dan zwijg ik nog over historici als Pirenne en Emmet Scott die over de kortstondige terugval in de achtste eeuw erg interessante zaken schreven die ze relateerden aan de veroveringen en obstructies van de islam.

Ook de beschuldiging dat ik het joods-christelijke denken als een eenheid zou poneren is potsierlijk. Dat doe ik juist niet: de beide religieuze denksystemen hebben soms erg verschillende ingrediënten in onze beschaving verspreid, waarbij de Tenach een afgesloten periode is in tijd en ruimte en met vandaag niets van doen heeft. De Talmoed transcendeert trouwens het voorafgaande joodse denken. We hebben zowel van de joodse als van de christelijke ethiek geërfd, maar dat wordt verkeerd als joods-christelijk geïnterpreteerd.

De protowetenschappelijke houding in de Abbasidische wereld, waarover Maarten Boudry het heeft, werd trouwens uitgedragen door nestoriaanse christenen, Joden, Perzen, denkers uit Byzantium, ... Wat in de toenmalige wereld aan wetenschap en kunst afgeleverd werd, vond niet in een islamitische context plaats, maar in een Arabische. In die wereld, die vanaf eind achtste eeuw mohammedaanser werd (die term is correcter dan 'islamitischer'), werd de islam dus overheersender (er zijn geen inscripties met de naam Mohammed voor die tijd).

Er waren echter ook pogingen tot Verlichting binnen de islam, zoals we die ook later met regelmaat zien opduiken, maar door de aard van de islam zélf (met als levensverzekering de doodstraf op apostasie) mislukten die altijd en allemaal. Telkens als de poorten van de rede open werden gezet (ijtihad) werden die vrijzinnige poorten achteraf opnieuw gesloten, vaak met veel geweld. En dat kan vandaag niet anders zijn. Er werden massa's erg indringende werken over gepubliceerd. De islam plooit zich steevast terug op zichzelf.

Het grootste verwijt echter dat ik Boudry maak, is niet alleen de oppervlakkige kennis van de islam (logisch voor een filosoof) maar het feit dat hij nooit heeft geprobeerd dat systeem van binnenin te begrijpen. Sociologen (zoals Ruud Koopmans nu met zijn nieuwe boek: 'Het vervallen huis van de islam'), politicologen en antropologen benaderen de islam van buitenaf, met het conceptuele kader dat ons eigen is, maar dat schampt af op de islam als systeem. Men moet dat stelsel proberen te begrijpen van binnenin, via zijn theologie, en dan pas ziet men hoe onhervormbaar de islam is. Pas dan ziet men hoe oecumene wel moet mislukken. De Belgische antropoloog Henri Michaux deed die oefening wél met het hindoeïsme en constateerde terecht dat je de Indiër wel zijn bioscoop zou kunnen afnemen (die hadden de Britten geïntroduceerd) maar niet zijn 'hindoeïsme'. De Japanner zal tijdens de dag Amerikaanse werkstrategieën overnemen, maar hij blijft als hij thuiskomt een Japanner.

Maarten Boudry heeft zich pas recent over de islam ontfermd, draaft daarbij door met zijn westerse conceptuele kaders en past die toe op een systeem dat de begrippen uit die kaders niet kán begrijpen, net zoals men het nazisme nooit aannemelijk zou kunnen maken in een liberale rechtsorde. Hij refereert aan de koran, maar in de praktijk zijn de ahadith in essentie belangrijker, en de shariahandboeken. De moslim kan goed en braaf en democraat zijn, maar het systeem waarin hij opereert is dat niet. En dat maakt het hem of haar heel moeilijk er cognitief uit te treden. Naast elke 'gematigde moslim' staat een moslimfundamentalist die de bronnen van de islam aan zijn of haar kant heeft, en van die man of vrouw is de 'gematigde moslim' begrijpelijkerwijze bang. En door een aan de westerse mindset aangepaste exegese houden wij die moslims gevangen.

Wat misschien nog het meest navrant is, is het soort narcisme dat mensen als Boudry willens nillens incarneren. Talloze ervaringsexperts in de islam, vaak gevlucht uit de islamitische wereld, houden ons voor dat de islam een totalitair, dodelijk en onhervormbaar systeem is. Zelfs de uitermate hervormingsgezinde en moedige Duits-Turkse Seyran Ates, die in Berlijn een - uiteraard zwaar bewaakte - 'liberale moskee' opende en zware persoonsbeveiliging nodig heeft, gaf toe: 'In gevechten zoals deze winnen de conservatieven meestal. Dat is de geschiedenis van de islam.' Maar westerse niet-ervaringsexperts weten het blijkbaar steeds beter, nog altijd.

Het is geen geruststellende boodschap die we afleiden uit de oorsprongsbronnen van de islam, en mensen horen de Cassandra's van deze wereld niet graag. Vandaar de roze boodschappen die we de wereld insturen. Maarten Boudry is nog jong, mist levenservaring en beschuldigde me een pak jaren geleden ervan als het ware een halve nazi te zijn. Vervolgens begon hij over de islam te lezen en schoof hij een heel eind in mijn richting op. Het verwondert me eigenlijk niet dat hij nu voor het gaatje blijft staan. Sadder and wiser geworden zal hij wel door dat gaatje kruipen en concluderen wat voor de hand ligt. Etienne Vermeersch stuurde me na lezing van mijn boek 'Waarover men niet spreekt' het volgende citaat voor op de cover: 'Ik ben ervan overtuigd dat een verlichte islam mogelijk is, maar dit boek brengt mijn vertrouwen hierop in het gedrang.'

'Leven we binnenkort in Eurabië, of staan we aan de vooravond van een burgeroorlog?', vraagt Maarten Boudry. Boekenwijsheid is goed en nodig, maar op straat komen ook. Hele wijken, stadsdelen en scholen in West-Europa zijn namelijk reeds geïslamiseerd tot Eurabië. Zo bleek uit een reportage dat er in Frankrijk nu moslimwijken zijn waar vrouwen uit het straatbeeld zijn verbannen. Mijn zoon Sam schreef recent het boek 'Voor vrijheid dus tegen islamisering', met daarin vele honderden van zulke voorbeelden die wijzen op de islamisering van onze samenleving. In de zomer van 2016 waarschuwde de baas van de Franse veiligheidsdienst DGSI voor een burgeroorlog tussen moslims en extreemrechts. Geen 'donkere toekomstvisioenen' dus, maar de weerbarstige realiteit.

Wim van Rooy is filosoof en auteur van 'Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam' (De Blauwe Tijger).