De Staatsveiligheid deed vorig jaar 449 keer een beroep op uitzonderlijke inlichtingenmethoden, de ADIV 76 keer. Het gaat om de meest intrusieve vorm van informatieverzameling. Denk aan afluisterapparatuur plaatsen, stiekem plaatsen doorzoeken, post openen, bankgegevens verzamelen, binnendringen in een informaticasysteem en natuurlijk afluisteren. De cijfers van 2018 lagen een pak lager: 344 voor de Staatsveiligheid en 28 voor ADIV. Toezichthouder Comité I spreekt van een 'opmerkelijke' stijging.
...

De Staatsveiligheid deed vorig jaar 449 keer een beroep op uitzonderlijke inlichtingenmethoden, de ADIV 76 keer. Het gaat om de meest intrusieve vorm van informatieverzameling. Denk aan afluisterapparatuur plaatsen, stiekem plaatsen doorzoeken, post openen, bankgegevens verzamelen, binnendringen in een informaticasysteem en natuurlijk afluisteren. De cijfers van 2018 lagen een pak lager: 344 voor de Staatsveiligheid en 28 voor ADIV. Toezichthouder Comité I spreekt van een 'opmerkelijke' stijging. Daarnaast kunnen de Belgische inlichtingendiensten ook specifieke methoden aanwenden, zoals pakweg observatie in publiek toegankelijke plaatsen of reisgegevens vorderen. In 2019 gaf de Staatsveiligheid daarvoor 1781 toelatingen, de ADIV 138. De cijfers staan opgesomd in het nieuwe jaarverslag van het Comité I, dat vrijdagnamiddag achter gesloten deuren is besproken door zijn parlementaire begeleidingscommissie. Het totaal van álle ingezette methoden in 2019 (namelijk 2444) bleef stabiel in vergelijking met het jaar ervoor. Tegen welke dreigingen worden die methoden ingezet? Uit de statistieken blijkt dat terrorisme voor de Staatsveiligheid vorig jaar nog altijd de absolute prioriteit was; bij de ADIV was dat spionage. 'Reëel probleem met veiligheidsscreenings'In zijn voorwoord van het rapport gaat Comité I-voorzitter Serge Lipszyc in op een oud zeer: 'Reeds in september 1994 wees het Comité I bij de publicatie van zijn eerste activiteitenverslag op het tekort aan mankracht bij de Staatsveiligheid en ADIV. Zesentwintig jaar na datum geldt deze vaststelling helaas nog steeds.' En er zijn meer zaken waar Lipszyc zich bezorgd over toont. Zo voerde het Comité I een onderzoek naar de veiligheidsscreenings door inlichtingendiensten. Jaarlijks screenen ze duizenden personen die een of andere vergunning of toelating willen bekomen of die een bepaalde functie willen bekleden. 'Het uitgevoerd toezichtonderzoek inzake veiligheidsscreenings wijst ontegensprekelijk op een reëel probleem', schrijft Lipszyc. 'Hoe kunnen we, ondanks de aanbevelingen van de onderzoekscommissie naar de terroristische aanslagen, aanvaarden dat nieuwe informatie die in het bezit is van de politie-, justitie- en veiligheidsdiensten niet in real time wordt uitgewisseld, maar pas veel later wordt gedeeld, op basis van aanvragen om verlenging van veiligheidsmachtigingen, -attesten of -adviezen? Deze informatie blijft onaanvaardbaar lang opgeslagen in hermetisch afgesloten silo's. Deze vaststelling is meer dan verontrustend. De aanbeveling van de parlementaire commissie blijft op dit punt dode letter.'In augustus berichtten Knack en Le Soir al dat de vriendin van een terreurverdachte na de aanslagen in Brussel en Parijs nog vier jaar op de luchthaven van Zaventem kon blijven werken mét een positief veiligheidsadvies van de Belgische overheid. 'Gebrek aan duidelijke wettelijke basis'Bij de Staatsveiligheid worden aanvragen voor veiligheidsverificaties in eerste instantie behandeld door de Dienst Veiligheidsverificaties (VVS). Het Comité I stelde vast dat bij de uitvoering van de screenings de relatie met de buitenlandse partnerdiensten ontbrak: 'Door de hoge werklast is het onmogelijk om buitenlandse autoriteiten te bevragen in het kader van screenings. Dit tast evenwel de informatiepositie van de Staatsveiligheid aan, waardoor het risico bestaat dat personen van buitenlandse origine bij veiligheidsverificaties door de mazen van het net glippen. Omgekeerd antwoordt de Dienst VVS wél op vragen van buitenlandse inlichtingendiensten, terwijl de wettelijke basis ook hier onduidelijk is.' Bij de ADIV bestaat de Cel Screenings uit slechts enkele onderofficieren, die bovendien níét over een vast aanspreekpunt in de hiërarchie beschikten. Het ingezette personeel bleek ook ontoereikend om de taken uit te voeren. Verder stelde het Comité I vast dat de Cel Screenings 'veelvuldig bevraagd wordt om screenings uit te voeren zonder dat er een duidelijke wettelijke basis voorhanden is'. Beide diensten hebben intussen wel stappen gezet om de screenings te verbeteren. 'Honderden menselijke bronnen wereldwijd verspreid'Het Jaarverslag van het Comité I licht ook een tipje van de sluier over de meest geheime aspecten van het inlichtingenwerk, namelijk het beroep doen op menselijke bronnen (in het jargon: human intelligence of HUMINT). De toezichthouder lichtte immers de Afdeling HUMINT van de Divisie Intelligence van de militaire inlichtingendienst door. Ondanks een sterk personeelsverloop heeft die afdeling 'een netwerk met honderden menselijke bronnen ontwikkeld dat wereldwijd verspreid zit. Zowat de helft van deze bronnen levert inlichtingen over slechts één of twee landen, gemiddeld levert een bron inlichtingen over vijf landen.' Bij aanvang van het onderzoek door het Comité I bleek wel dat de 'betrouwbaarheid voor een aanzienlijk deel van de bronnen niet was bepaald'. Die situatie is intussen rechtgezet.