Landen in het Zuiden kijken aan tegen een torenhoge schuldenberg, terwijl de negatieve economische gevolgen van de coronacrisis hun tol eisen. Bijna een half miljard mensen extra dreigt in armoede te belanden. De schuldaflossingen verhinderen dat staten hun middelen besteden aan publieke diensten zoals gezondheidszorg. Voor sommige Afrikaanse landen gaat meer dan 40% van hun begroting naar de terugbetaling van schulden. Zelfs voor de coronacrisis betaalden 64 landen, waaronder Congo (DRC) en Rwanda, meer aan het terugbetalen van hun schulden dan aan gezondheidszorg. Met een aantal middenveldorganisaties kaarten we in het rapport Koste wat het kost? aan dat schulden van die landen aan financiële instellingen bijzonder zwaar doorwegen. En ook uw en mijn bank spelen daarin een rol.

Woekerwinsten in tijden van crisis

Landen beslissen toch zelf om leningen af te sluiten. Moeten ze die dan niet gewoon terugbetalen? Helaas zitten er een aantal structurele ongelijkheden ingebakken in het internationale financiële systeem. Terwijl een land als België tegen negatieve rente kan lenen (de Belgische staat krijgt dus geld bij als ze geld leent), betalen landen in het Zuiden enorm hoge rentes op hun uitstaande schulden aan financiële instellingen. Sterker nog, tijdens de crisis waren veel landen genoodzaakt om nieuwe leningen af te sluiten tegen woekerrentes om hun publieke uitgaven te kunnen financieren. Over een ongelijk speelveld tussen landen gesproken om de crisis en haar nasleep door te komen.

Banken maken in crisistijden winst op schulden van landen in het zuiden.

Die ongelijkheid trekt zich nog verder door. De Belgische staat heeft er zelf belang bij dat landen in het Zuiden dergelijke hoge intresten betalen. Ze is namelijk de grootste aandeelhouder van BNP Paribas. De bank maakte in het pandemiejaar 7 miljard euro winst, bijna genoeg om het volledige Afrikaanse continent van vaccins te voorzien. Aangezien BNP Paribas een belangrijke schuldeiser is van landen in het Zuiden boekt ze een deel van haar winst op leningen aan arme landen met hoge rentes. Terwijl BNP Paribas woekerrentes vroeg om te lenen aan arme landen, kon de bank vorig jaar zelf nog goedkoper lenen dan de Belgische staat, bij de ECB aan -1 procent (lees: 100 miljoen euro lenen, betekent 1 miljoen euro gratis erbij).

Wat is de impact voor landen in het Zuiden?

Er is een verband tussen de toenemende schuldenlast en de daling van overheidsuitgaven voor publieke diensten. Het aandeel schulden aan private schuldeisers speelt daarin een versterkende rol. Een land als Senegal bijvoorbeeld bouwde in sneltempo een grote schuld op aan private kredietverleners, waardoor het IMF het risico van het land op schuldennood recent verhoogde. De hogere rente (tussen de 4,75 en 8,75%) weegt op de overheidsfinanciën. In tijden van crisis betaalde het meer dan de helft van haar schuldbetalingen af aan private kredietverleners. Tijdens de crisis bleven banken dus winsten incasseren op deze leningen. Bovendien komen er de komende 10 jaar grote terugbetalingspieken aan voor Senegal. Voor de terugbetaling in 2028 bijvoorbeeld bedraagt het 'Belgisch' aandeel zelfs 12,6%. Indien het land dan niet kan terugbetalen moet het ofwel nieuwe leningen afsluiten (over een schuldenval gesproken) of onderhandelen over schuldherstructurering met al haar private schuldeisers. Er is echter een totaal gebrek aan transparantie, voor overheden in het Zuiden zelf ook, over wie de meerderheid van hun obligatiehouders zijn. Een land als Senegal moet mogelijks dus onderhandelen met schuldeisers, zonder zelf goed zicht te hebben op wie dat zijn.

Over welke banken gaat het dan?

Banken en financiële instellingen actief in België, zoals BNP Paribas, Deutsche Bank, Degroof Petercam en KBC Group spelen duidelijk een rol op de internationale obligatiemarkten. Bijvoorbeeld: BNP Paribas onderschreef (opkopen om later door te verkopen) tijdens het pandemiejaar voor 25% van de obligaties van Marokko, een partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Voor Benin, een ander partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, bedraagt het aandeel investeringen in obligaties van 'Belgische' banken 9,2%. Hoewel ze niet de grootste speler zijn op de financiële markten, nemen 'onze' banken wel degelijk hun plaats in in de complexe schuldstructuur van de bijna eindeloze lijst aan kredietverleners van landen in het Zuiden. Hoe groot die 'Belgische' plaats is, hangt dan weer af van land tot land en van obligatie-uitgifte tot obligatie-uitgifte.

Tijd voor een reset!

De internationale politieke antwoorden die tijdens de crisis op het vlak van schuldverlichting in het leven werden geroepen zijn erg minimaal. Private schuldeisers maken daar geen deel van uit en worden alleen uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. Zo profiteren ze van de (beperkte) schuldverlichtinginitiatieven van andere kredietverleners. Zonder verplichting tot schuldverlichting door private schuldeisers subsidiëren zowel overheden in het Zuiden als andere kredietverleners in feite de aflossing van leningen aan enorm rijke financiële ondernemingen. In het kader van de Lentevergaderingen van het IMF en de Wereldbank merkten Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir en Minister van Financiën Vincent Van Peteghem op dat het grootste deel van de schulden in handen is van de private sector. Voor ons is het cruciaal dat beide ministers verder gaan dan vaststellen. Aangezien de coronacrisis aantoonde dat landen niet kunnen rekenen op de goodwill van private schuldeisers, is het noodzakelijk dat België maatregelen invoert om financiële instellingen te verplichten tot transparantie en om deel te nemen aan de collectieve inspanningen om schulden te herstructureren. Om zo te voorkomen dat burgers in het Zuiden verder slachtoffer worden van armoede en ongelijkheid.

Landen in het Zuiden kijken aan tegen een torenhoge schuldenberg, terwijl de negatieve economische gevolgen van de coronacrisis hun tol eisen. Bijna een half miljard mensen extra dreigt in armoede te belanden. De schuldaflossingen verhinderen dat staten hun middelen besteden aan publieke diensten zoals gezondheidszorg. Voor sommige Afrikaanse landen gaat meer dan 40% van hun begroting naar de terugbetaling van schulden. Zelfs voor de coronacrisis betaalden 64 landen, waaronder Congo (DRC) en Rwanda, meer aan het terugbetalen van hun schulden dan aan gezondheidszorg. Met een aantal middenveldorganisaties kaarten we in het rapport Koste wat het kost? aan dat schulden van die landen aan financiële instellingen bijzonder zwaar doorwegen. En ook uw en mijn bank spelen daarin een rol. Landen beslissen toch zelf om leningen af te sluiten. Moeten ze die dan niet gewoon terugbetalen? Helaas zitten er een aantal structurele ongelijkheden ingebakken in het internationale financiële systeem. Terwijl een land als België tegen negatieve rente kan lenen (de Belgische staat krijgt dus geld bij als ze geld leent), betalen landen in het Zuiden enorm hoge rentes op hun uitstaande schulden aan financiële instellingen. Sterker nog, tijdens de crisis waren veel landen genoodzaakt om nieuwe leningen af te sluiten tegen woekerrentes om hun publieke uitgaven te kunnen financieren. Over een ongelijk speelveld tussen landen gesproken om de crisis en haar nasleep door te komen. Die ongelijkheid trekt zich nog verder door. De Belgische staat heeft er zelf belang bij dat landen in het Zuiden dergelijke hoge intresten betalen. Ze is namelijk de grootste aandeelhouder van BNP Paribas. De bank maakte in het pandemiejaar 7 miljard euro winst, bijna genoeg om het volledige Afrikaanse continent van vaccins te voorzien. Aangezien BNP Paribas een belangrijke schuldeiser is van landen in het Zuiden boekt ze een deel van haar winst op leningen aan arme landen met hoge rentes. Terwijl BNP Paribas woekerrentes vroeg om te lenen aan arme landen, kon de bank vorig jaar zelf nog goedkoper lenen dan de Belgische staat, bij de ECB aan -1 procent (lees: 100 miljoen euro lenen, betekent 1 miljoen euro gratis erbij).Er is een verband tussen de toenemende schuldenlast en de daling van overheidsuitgaven voor publieke diensten. Het aandeel schulden aan private schuldeisers speelt daarin een versterkende rol. Een land als Senegal bijvoorbeeld bouwde in sneltempo een grote schuld op aan private kredietverleners, waardoor het IMF het risico van het land op schuldennood recent verhoogde. De hogere rente (tussen de 4,75 en 8,75%) weegt op de overheidsfinanciën. In tijden van crisis betaalde het meer dan de helft van haar schuldbetalingen af aan private kredietverleners. Tijdens de crisis bleven banken dus winsten incasseren op deze leningen. Bovendien komen er de komende 10 jaar grote terugbetalingspieken aan voor Senegal. Voor de terugbetaling in 2028 bijvoorbeeld bedraagt het 'Belgisch' aandeel zelfs 12,6%. Indien het land dan niet kan terugbetalen moet het ofwel nieuwe leningen afsluiten (over een schuldenval gesproken) of onderhandelen over schuldherstructurering met al haar private schuldeisers. Er is echter een totaal gebrek aan transparantie, voor overheden in het Zuiden zelf ook, over wie de meerderheid van hun obligatiehouders zijn. Een land als Senegal moet mogelijks dus onderhandelen met schuldeisers, zonder zelf goed zicht te hebben op wie dat zijn. Banken en financiële instellingen actief in België, zoals BNP Paribas, Deutsche Bank, Degroof Petercam en KBC Group spelen duidelijk een rol op de internationale obligatiemarkten. Bijvoorbeeld: BNP Paribas onderschreef (opkopen om later door te verkopen) tijdens het pandemiejaar voor 25% van de obligaties van Marokko, een partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Voor Benin, een ander partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, bedraagt het aandeel investeringen in obligaties van 'Belgische' banken 9,2%. Hoewel ze niet de grootste speler zijn op de financiële markten, nemen 'onze' banken wel degelijk hun plaats in in de complexe schuldstructuur van de bijna eindeloze lijst aan kredietverleners van landen in het Zuiden. Hoe groot die 'Belgische' plaats is, hangt dan weer af van land tot land en van obligatie-uitgifte tot obligatie-uitgifte. De internationale politieke antwoorden die tijdens de crisis op het vlak van schuldverlichting in het leven werden geroepen zijn erg minimaal. Private schuldeisers maken daar geen deel van uit en worden alleen uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. Zo profiteren ze van de (beperkte) schuldverlichtinginitiatieven van andere kredietverleners. Zonder verplichting tot schuldverlichting door private schuldeisers subsidiëren zowel overheden in het Zuiden als andere kredietverleners in feite de aflossing van leningen aan enorm rijke financiële ondernemingen. In het kader van de Lentevergaderingen van het IMF en de Wereldbank merkten Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir en Minister van Financiën Vincent Van Peteghem op dat het grootste deel van de schulden in handen is van de private sector. Voor ons is het cruciaal dat beide ministers verder gaan dan vaststellen. Aangezien de coronacrisis aantoonde dat landen niet kunnen rekenen op de goodwill van private schuldeisers, is het noodzakelijk dat België maatregelen invoert om financiële instellingen te verplichten tot transparantie en om deel te nemen aan de collectieve inspanningen om schulden te herstructureren. Om zo te voorkomen dat burgers in het Zuiden verder slachtoffer worden van armoede en ongelijkheid.