Het aantal Vlamingen die 'aanvullende financiële steun' krijgen van een OCMW is op 5 jaar tijd met 30% gestegen. In 2017 waren ze al met bijna 100.000, allemaal mensen die huishuur, de energiefactuur of medische zorgen niet kunnen betalen. Ter vergelijking: dat is alsof de hele stad Leuven te arm zou zijn om elke maand rond te komen.

Gelukkig voor het OCMW van Leuven is dat niet zo, en wonen die mensen verspreid over veel steden en gemeenten in Vlaanderen. Dat is ook de reden waarom de solidariteit met die mensen in de eerste plaats op een hoger niveau moet worden georganiseerd, door Vlaanderen en de federale overheid. Die beleidsniveaus hebben de macht én de middelen om gerichte maatregelen te nemen om mensen uit de armoede te halen.

Als elke beleidsmaker, op elk niveau, resoluut kiest voor solidariteit, dan hoeft niemand nog arm te zijn.

Willen ze het wel genoeg, de dames en heren ministers? Het aantal werkende armen stijgt. Op het einde van hun loon blijft er nog een stuk maand over. Meer mensen doen een beroep op voedselbanken, kinderen gaan met lege brooddozen naar school. Dat kán toch niet in zo'n rijk land, dat economische groei kent? Wanneer de middenklasse in de problemen komt, ontrafelt de sociale welvaartsstaat die in de loop van verschillende decennia met zoveel zorg en sociale strijd is uitgebouwd. Omdat het niet meer zo verder kan: vijf zaken waarmee de ministers de armoede effectief kunnen bestrijden.

Ten eerste: de uitkeringen en minimumlonen moeten hoger. Vandaag zitten die onder de armoedegrens. Probeer maar eens als alleenstaande werkloze met 910 euro per maand rond te komen. Elke onverwachte kost wordt een schuld. Als een uitkering niet volstaat om in basisbehoeften te voorzien, wordt overleven een tijdrovende en energieverslindende dagelijkse opdracht. Mensen moeten op eigen benen kunnen staan, dus moet je ze sterk maken, niet laten spartelen. Uitkeringen moeten worden opgetrokken tot de Europese armoedegrens. Dat is niet meer dan normaal. Er is daarnaast een hervorming nodig zodat uitkeringen per persoon en niet per gezin uitgereikt worden. Momenteel krijgt een gezin 1.255 euro. Maar wat is een gezin? Twee volwassenen of een alleenstaande met drie kinderen hebben andere noden. Belangrijk is evenwel dat het verschil tussen werken en leven van een uitkering voldoende groot blijft. De minimumlonen moeten daarom worden opgetrokken tot 14 euro per uur.

Ten tweede: wie recht heeft op steun zou die ook automatisch moeten krijgen. Het zijn vaak de meest kwetsbaren die sociale compensaties waar ze recht op hebben mislopen. Dat is dubbel pijnlijk, goede maatregelen gaan voorbij aan diegene voor wie ze het meest nodig zijn. Het kindergeld wordt automatisch toegekend, waarom kan dat niet voor andere sociale rechten zoals de verhoogde tegemoetkoming, studietoelages, ...? Men spreekt er al lang over, maar het komt er niet van. In tijden van big data en kruispuntbanken moet het mogelijk zijn om daar werk van te maken. In afwachting daarvan werkt het OCMW in Gent proactief. De maatschappelijk werkers bekijken altijd het 'totaalpakket': als bijvoorbeeld iemand het leefloon aanvraagt gaan ze na of die persoon ook in aanmerking komt voor financieel aanvullende hulp.

Drie: werk hebben is de beste garantie tegen armoede, of dat zou het toch moéten zijn. Maar er zijn steeds meer werkende armen, mensen in onderbetaalde 'hamburgerjobs', mensen die in een zelfstandigenstatuut worden gedwongen, ... het 'precariaat' groeit. Onzekere interim arbeid biedt geen bescherming tegen armoede. Er is nood aan meer duurzaam en degelijk betaald werk. Daarnaast verdient ook de arbeidsparadox - veel vacatures en veel langdurig werkzoekenden - onze aandacht. Er zijn onvoldoende haalbare jobs voor wie het tempo van de rat race te hoog ligt, er is onvoldoende begeleiding voor mensen met een te grote afstand tot de arbeidsmarkt. Creëer aangepaste jobs door te investeren in de sociale economie en werk op de doorstroom naar de reguliere economie via arbeidstrajecten. Zorg dat wie wil werken, ook kan werken, op zijn of haar niveau. In Gent floreert het sociale dienstenbedrijf, tot ieders tevredenheid.

Vier: er moeten meer sociale woningen gebouwd worden en meer huurwoningen aangeboden worden via Sociale Verhuurkantoren. De woonkost neemt een steeds grotere hap uit het gezinsbudget. In Gent heeft een kwart van de gezinnen meer dan een derde van het inkomen nodig om te wonen. Er is dringend een inhaaloperatie nodig voor de meer dan 135.000 gezinnen die in Vlaanderen wachten op een sociale woning. De lijst wordt alsmaar langer.

Tot slot, de ziekte van onze tijd. Vele mensen gaan gebukt onder stress en sommigen vallen uit met een burn-out. Maar meer en meer mensen zijn te arm om ziek te zijn. We hebben toegankelijke en betaalbare psychologische hulpverlening nodig. Net zoals bij de huisarts, moet een consultatie bij een eerstelijnspsycholoog vlot terugbetaald worden. Het huidige terugbetalingssysteem voldoet niet. Er zijn te weinig psychologen die er op willen intekenen, de terugbetaling geldt maar voor een beperkt aantal sessies en een zeer gelimiteerd aantal ziektebeelden.

Een armoedereflex bij elke beslissing - nadenken vóór je beslist over de mogelijke impact op het leven van armen - kan veel problemen voorkomen.

Dat zijn dé vijf zaken die het fundament moeten vormen van de armoedebestrijding. Daar kunnen de lokale besturen op verder bouwen met flankerende maatregelen. Burgemeesters en schepenen moeten er voor zorgen dat er aandacht is voor armoede binnen álle domeinen waarin ze beleid voeren. Een armoedereflex bij elke beslissing - nadenken vóór je beslist over de mogelijke impact op het leven van armen - kan veel problemen voorkomen. Net als het doorbreken van de verkokering van diensten en bevoegdheden. Van de structuur achter de hulpverlening mogen de mensen niets merken. Ik vind het mijn plicht om als lokale bestuurder te zorgen voor een laagdrempelige dienstverlening en om zelf naar de mensen te gaan om te vragen of ze hulp nodig hebben. 'Outreachend werken' dus. De hand reiken.

Armoedebestrijding is een collectieve verantwoordelijkheid. Maar als deze vijf fundamenten niet worden verstevigd, blijft het voor lokale bestuurders bouwen op los zand. Ik ben en blijf er vast van overtuigd: als elke beleidsmaker, op elk niveau, resoluut kiest voor solidariteit, dan hoeft niemand nog arm te zijn. Maar we moeten het genoeg wíllen.