Opinie

Karin Verelst

‘Algemene verplichte vaccinatie, onder welke vorm dan ook, vindt in België geen enkele rechtsgrond’

Karin Verelst Wetenschapsfilosofe aan de VUB en lid van denktank Eleni

Wetenschapsfilosoof Karin Verelst ziet in een verplichte coronavaccinatie niet alleen een hellend vlak, een dergelijke verplichting is ook problematisch om een aantal ethische en grondwettelijke redenen. Eerder deze week nam ze hierover het woord in de hoorzitting rond het thema in de Kamer.

Net nu de coronapandemie volgens de WHO op haar einde begint te lopen zien we opvallend tegenstrijdige tendenzen in het Belgische coronabeleid. Aan de ene kant worden een aantal coronamaatregelen versoepeld, aan aan de andere kant lijken het overlegcomité en de regering van plan om vérgaande regelgeving omtrent het Covid Safe Ticket (de beruchte “coronapas”) als onderdeel van de nieuwe coronabarometer nog snel snel door het parlement te jagen.

Algemene verplichte vaccinatie, onder welke vorm dan ook, vindt in België geen enkele rechtsgrond.

Tot verbijstering van velen maakt het CST inderdaad integraal deel van de coronabarometer uit, terwijl het CST vanuit het grondrechtenstandpunt problematisch is. De verzekering van premier De Croo tijdens de persconferentie van vorige week dat het CST “niet voor de eeuwigheid” is, klinkt dan ook nogal hol. Minister van volksgezondheid Vandenbroucke sprak De Croo trouwens onmiddellijk tegen; volgens hem is het CST er “voor lang”. Zijn partijgenoot Conner Rousseau liet er in De Afspraak van vrijdag 21 januari bovendien geen twijfel over bestaan: men wil een wetgevend kader vastleggen dat in de toekomst kan worden gebruikt “wanneer het nodig is”. Ook de liberalen en de CD&V blazen wat dat betreft warm en koud. De coronapas wordt op die manier een instrument ter regulering van de toegang tot de cultuur-, amusements- en vrijetijdssector dat door de regering kan worden bovengehaald naar eigen goeddunken. Men riskeert zo de uitvoerende macht een wel erg vergaande controle op het gaan en staan van de burgers te geven vanaf het moment dat er ergens een “crisissituatie” opduikt. De arbitraire aard van die macht blijkt eens te meer uit het feit dat de geldigheidsduur van het huidige vaccinatiecertificaat plots met een derde wordt verkort (van 270 naar 150 dagen). De stellige garantie dat de geldigheid van de derde boosterprik onbeperkt zou blijven klinkt daardoor eveneens weinig geloofwaardig.

Ondertussen neemt de druk om van de coronapas een echt vaccinatiecertificaat te maken (‘1G’) toe. Reeds eerder liet minister Vandenbroucke er geen twijfel over bestaan dat het CST zo zou neerkomen op een feitelijke vaccinatieverplichting. Een rechtstreekse vaccinatieplicht ziet de minister evenwel niet zitten: mensen die zich niet willen laten prikken in de gevangenis smijten gaat zelfs voor hem een beetje ver, zei hij op 9 september in Terzake. Vooruitvoorzitter Rousseau deed er nog een flinke schep bovenop door in een opiniestuk te schrijven dat mensen die zich aan de door de overheid opgelegde regels hielden zo met het recht op vrije deelname aan het sociale leven “beloond” zouden worden — dit in weerwil van het feit dat die vrijheid een verworven recht is dat vastligt in artikel 23 van de Grondwet, alsook in het EVRM. De “segregerende werking” die hiervan het gevolg is, vloekt bovendien met artikelen 10 en 11 GW, het non-discriminatieprincipe. De commotie die daarop ontstond werd door de voorzitter afgedaan als “een semantische kwestie” — een qualificatie die de Raad van State eerder gebruikte en die sindsdien geen al te beste reputatie meer geniet.

Nochtans is het in principe duidelijk dat in Westerse democratieën na de Tweede Wereldoorlog voor volwassen, wilsbekwame personen voor elke medische behandeling het principe van “informed consent geldt. De weinige vaccinatieverplichtingen die bestaan gelden enkel voor kinderen — per definitie niet wilsbekwame individuën — en zeer specifieke beroepsgroepen. De wetgeving op het vlak van patiëntenrechten op nationaal en Europees niveau hanteert in dat verband het fundamentele principe van de vrije wilsbeschikking en de integriteit van het eigen lichaam. Dit is des te meer het geval wanneer de behandeling zich nog in een experimentele fase bevindt, in welk geval elke vorm van dwang uitdrukkelijk wordt verboden.

Gezien de voorlopige en uitdrukkelijk voorwaardelijke erkenning van de COVID-vaccins in de EU (de zgn. CMA‘s) vallen deze hoe dan ook onder deze categorie. Er zij tenslotte nog op gewezen dat voor zo goed als alle bestaande vaccins waarvoor een of andere vorm van verplichting bestaat, geldt dat ze niet (meer) geoctroieerd zijn en behoren tot het publieke domein.

De huidige Covid-vaccins zijn weliswaar ontwikkeld met publieke middelen, maar werden daarna doorgesluisd naar de pharma-industrie. Dit verhindert een globale verspreiding van goedwerkende vaccins, zodat het probleem van het ontstaan van nieuwe varianten naar de periferie geëxporteerd wordt — vanwaar het gegarandeerd opnieuw bij ons zal belanden. Vaccins die onder octrooi liggen aan ganse bevolkingen opleggen creëert bovendien een gigantisch belangenconflict waarbij de bevoegde overheid in de onwenselijke situatie belandt dat ze kan lijken te “marchanderen” met de gezondheid van de burgers die onder haar verantwoordelijkheid vallen. Een te grote financiële verwevenheid van de pharmasector en de onderzoekslabo’s bedreigt mogelijk ook de betrouwbaarheid en reproduceerbaarheid van sommige testresultaten.

Bovendien, wanneer de effectiviteit van vaccins zeer kortlevend is en er voorlopig geen einde in zicht is aan de sequentie van noodzakelijke ‘boosters’, dient men uiterst terughoudend te zijn wat dwangmaatregelen betreft — zeker als aan die verplichting een expliciet discriminerende behandeling van de groep niet-gevaccineerden wordt gekoppeld. Nog afgezien van het enorme democratische deficit waarin heel het huidige COVID-beleid sowieso gedrenkt is, is dit ethisch totaal onaanvaardbaar. Bovendien is het in flagrante tegenspraak met de bepalingen van de oorsponkelijke EU-verordening omtrent het COVID-certificaat, waarin uitdrukkelijk gesteld wordt dat discriminatie van ongevaccineerde personen op grond van het certificaat verboden is en actief vermeden moet worden.

Ten slotte mag er nog eens op gewezen worden dat de Belgische Grondwet dit soort algemene preventieve vrijheidsbeperkende maatregelen uitdrukkelijk verbiedt, ook en in het bijzonder wanneer ze worden genomen “in het algemeen belang”. De tegenwerping dat zekere noodmaatregelen die beperkend zijn zolang ze “proportioneel” blijven mogen, doet hier niets aan af. Vanaf het moment dat een dwangmaatregel een algemeen en preventief karakter krijgt is er geen sprake meer van beperking maar van opschorting, omdat het verbod de regel wordt. Zulke maatregelen worden ex natura sua als opschortend gezien, iets wat, omwille van artikel 187 GW, binnen onze grondwettelijke orde nooit toelaatbaar is.

Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek ziet hier evenwel geen graten in:

“niet belet dat personen elders hun sociaal leven beleven of dat zij toegang verkrijgen via een negatief testcertificaat (of, voor personen die recent besmet zijn geweest, via een herstelcertificaat).”

Laat het nu precies die alternatieve mogelijkheden zijn die zullen verdwijnen wanneer het CST omgevormd wordt in een echt vaccinatiecertificaat, zoals bij de invoering van het door de regering geplande “1G”-stelsel het geval is. Het zal de lezer niet ontgaan dat de rechten waarvan de categorie niet-gevaccineerden zo de facto wordt uitgesloten zowat alle rechten in art. 23 GW omvat — en wie zegt dat het daarbij zal blijven?

Deze “slippery slope” ontwikkeling rechtvaardigt eens te meer het wantrouwen van de Grondwetgever van 1831. In de Belgische Grondwet bestaat geen hiërarchie van grondrechten (“gezondheid boven alles”); hij voorziet evenmin dat individuele rechten op een algemene wijze door regering of parlement opgeschort kunnen worden ten voordele van het collectief. In tegendeel, art. 187 GW verzet zich uitdrukkelijk tegen een dergelijk scenario. Gezondheid als collectief goed is ook naar Belgisch recht een gerechtvaardigde bekommernis en de wetgever kan en moet daaromtrent initiatieven nemen. Dit feit is echter geen vrijbrief: structurele problemen in de zorg willen “oplossen” door vergaand beperkende ad hoc preventiemaatregelen vallen en bijvoorbeeld niet onder. Ook initiatieven ten bate van de collectiviteit blijven onderworpen aan de imperatief die besloten ligt in art. 187 GW. Vandaar dat algemene verplichte vaccinatie, onder welke vorm dan ook, in de Belgische rechtsorde geen enkele rechtsgrond vindt.

Karin Verelst is Wetenschapsfilosoof aan de VUB en lid van denktank Eleni.

Partner Content