Al 23 jaar zet Chris Van Lysebetten zich met zijn vzw Habbekrats in voor kinderen en jongeren die om een of andere reden hun draai niet vinden in onze samenleving. Daar wordt hij nu voor bekroond door de Koning Boudewijnstichting met de prestigieuze, tweejaarlijkse prijs Steers-Filson-Mariman. ‘Onze kinderen zijn onze toekomst, ons aller erfgoed. Alleen al uit eigenbelang moeten we goed voor hen zorgen.’

In Oostende wil hij afspreken, op de zeedijk. Daar ging afgelopen zomer het jongste Habbekratshuis open, in de Koninklijke Gaanderijen, ooit gebouwd door de megalomane Leopold II. Het is een toplocatie, aan het strand, met grote glaspartijen waar een hip restaurant of trendy bar gouden zaken zou kunnen doen. In de plaats daarvan liggen er felgekleurde zitzakken, er staan banken met speelgoed, er slingeren legoblokjes rond, gezelschapsspellen, skateboards… De sfeer is huiselijk en warm. Elke dag na school en in het weekend komen hier kinderen sporten, spelen, praten, hangen. Kinderen die wel in de koninklijke badstad wonen, maar die lang niet meer aan zee kwamen, vertelt Chris Van Lysebetten. ‘Oostende heeft veel kinderarmoede, een kwart groeit op in een arm gezin. Die kinderen gingen ervan uit dat de zee en de dijk er enkel voor de rijke mensen waren, voor de toeristen. Ik wilde hen weer naar het strand brengen. Ik wilde hen het zicht op de zee teruggeven, op de vrijheid en de weidsheid. Ik wilde hen weer laten dromen. Daarom zijn we hier komen zitten.’

Van Lysebetten is de oprichter en bezieler van Habbekrats. Al 23 jaar organiseert die jeugddienst vrijetijds-activiteiten en vormingsprojecten voor kinderen en jongeren tussen 10 en 21 jaar die om een of andere reden uit de boot vallen. De maatschappij noemt hen ‘kansarm’ of ‘achtergesteld’, Van Lysebetten spreekt liever over ‘kinderen uit kansengroepen’. Het is tekenend voor de positieve sfeer waar zijn vzw van doordrenkt is. ‘Een van mijn helden is de schrijver Antoine de Saint-Exupéry, bekend van De Kleine Prins’, vertelt Van Lysebetten. ‘Hij schreef: “Als je een schip wilt bouwen, roep dan geen mannen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. In plaats daarvan, leer ze verlangen naar de enorme eindeloze zee.” Dat is de kern van wat wij met Habbekrats doen. Onze maatschappij droomt niet genoeg voor haar kinderen. Ze ziet enkel het probleemkind, het mishandelde kind, het vluchtelingenkind, enzovoort. Wij zien het kind met zijn mogelijkheden, kansen, wensen en dromen. Wij focussen op het positieve – al zijn we natuurlijk niet blind voor hun moeilijkheden. We lopen met hen mee, geven hen een hand als het even niet meer gaat. En zo trekken we de hele maatschappij mee.’

‘Dat we hier in Oostende op zo’n opvallende plek zitten, is belangrijk’, zegt Van Lysebetten. ‘Zo geven we exposure aan onze kinderen. Ze zitten hier echt in het zicht van iedereen. Aan het raam hangen folders waarin duidelijk staat wie ze zijn en wat ze hier doen. Daar hebben de kinderen zelf helemaal geen moeite mee. Integendeel, je bent toch trots als je hier mag zitten! Waarom worden kinderen en jongeren ook altijd weggestopt in donkere koten? Dat willen ze zelf helemaal niet. Nee, ze willen een mooi en licht lokaal. Ze hebben liever dat mensen hen zien, dan moeten ze niet denken dat ze met drank en drugs en andere ellende bezig zijn. Toen we hier pas zaten, kwamen mensen uit de strandhokjes een kijkje nemen. Ze kwamen bevooroordeeld, maar toen ze ons prachtige tienerstrand zagen met vrolijke kussens en parasols, slikten ze hun woorden in.’ Dat is het trucje van Habbekrats, zegt Van Lysebetten. ‘We zijn een dienst met een sterk imago. Koningin Paola is meter van onze organisatie, we krijgen steun van captains of industry als Jan Toye, Christian Van Thillo, Michel Moortgat, Philippe Vlerick en vele anderen. We waken erover dat alles wat we doen kwalitatief hoogstaand, positief, en vrolijk is en dat straalt af op de kinderen en jongeren met wie we werken.’

Chitty Chitty Bang Bang

Het huis in Oostende is inmiddels het achtste Habbekratshuis in België. Binnenkort gaan een negende en een tiende vestiging open, in Hasselt en op de Brusselse Grote Markt – nog zo’n toplocatie. Van Lysebetten: ‘Ken je die film Chitty Chitty Bang Bang? In een Duitse stad heeft een boze barones alle kinderen laten opsluiten, want dat vindt ze wel zo rustig. Als je op de Grote Markt in Brussel komt, zie je alleen toeristen die chocolade aan het kopen zijn. Dan vraag ik me af: waar zitten al die kinderen hier verstopt? Want ze zijn er wel, er wonen genoeg kinderen in het hart van Brussel. Men klaagt altijd maar over vandalisme en overlast door jongeren, maar als we willen dat onze jeugd respect heeft voor haar stad en er zorg voor draagt, dan moeten we haar er mede-eigenaar van maken. We zijn momenteel een gildehuis aan het opknappen boven een chocolatier op de Grote Markt. Over enkele maanden gaat daar ons Brusselse Habbekratshuis open en zijn er weer kinderen in het hart van Europa. Fantastisch toch?’

En Van Lysebetten heeft nog meer reden om te feesten: volgende week krijgt hij voor zijn levenswerk de tweejaarlijkse prijs Steers-Filson-Mariman, een initiatief van de Koning Boudewijnstichting dat een langlopend opvoedingsproject bekroont. Van Lysebetten lacht. ‘Het doet deugd om zelf eens een schouderklopje te krijgen, om te merken dat ik dan toch goed bezig ben. Toen ik in 1991 met Habbekrats begon, was ik de jongen zonder diploma of ervaring in het jeugdwelzijnswerk. Ik werd scheef bekeken door de sector. Hoe vaak ik niet het deksel op mijn neus heb gekregen, niemand wou met mij samenwerken. Ik was maar een simpele laborant die ervan droomde om de wereld te verbeteren en die met zijn eigen jongerenproject wou starten. Dat is me dus gelukt. Ik hoop dat deze prijs inspirerend werkt voor jongeren. Met wilskracht, idealisme en enthousiasme kun je zoveel. Het is zoals Walt Disney zegt: ‘If you can dream it, you can do it.’

Speelgoedwinkel

Het Habbekratsverhaal begon 23 jaar geleden. Chris Van Lysebetten groeide op in Hamme, ’toen maar ook nu nog een van de armste gemeenten in Vlaanderen. Mijn ouders hadden er een speelgoedwinkel. Als jonge twintiger werd ik getroffen door een jongen uit mijn straat, Luc. Hij duwde zijn moeder in haar rolstoel voort, tot voor onze etalage. Mijn moeder zorgde ervoor dat hij altijd iets mee naar huis kon nemen. De Playmobil in de etalage werd om de zoveel tijd vernieuwd, die kon je niet terug in de doos stoppen. Zo was er altijd wel iets te veel. In Lucs ogen zag ik de ellende. De gelaten blikken bij hem en zijn moeder, die vergeet ik nooit. Zo zag armoede er dus uit.’

Van Lysebetten, die van opleiding chemicus is, werkte toen bij Procter & Gamble. ‘Op een dag raakte ik met Luc in gesprek en die ontmoeting zou mijn leven veranderen. Ik ging ook met zijn vrienden praten en ontdekte dat Luc de vertegenwoordiger was van een heleboel kinderen die door allerlei uitsluitingsmechanismen hun draai niet vinden in onze samenleving. Ik wou me engageren en ging aan de slag als vrijwilliger bij de preventiecel van het toen pas opgerichte comité Bijzondere Jeugdzorg. We moesten initiatieven bedenken die jongeren uit de instellingen konden houden. Ik bedacht Habbekrats, een vrijetijdsproject dat kinderen uit kansengroepen weerbaarder moest maken. Ik stapte op de bevoegde minister af – Jan Lenssens (CVP) was dat toen – en vroeg hem geld. Ik kreeg een miljoen Belgische frank (25.000 euro). Voor de minister was dat weinig, een kind in de Bijzondere Jeugdzorg kostte toen al meer. Voor mij was het veel. De voorwaarde was dat ik met dat geld 350 kinderen en jongeren uit de instellingen zou houden.’

Om zijn miljoen te verzilveren, vroeg Van Lysebetten aan de gemeentebesturen van Hamme, Gent en Wetteren om mee te doen. ‘Ik wou de kansenjongeren uit hun gemeenten helpen als ze zelf ook wat zouden inbrengen. Ze hapten toe. In Hamme was een jeugdbende actief die stal, dingen vernielde, geweld pleegde. Gent vroeg me aan de slag te gaan met Ledebergse jongeren die met drugs experimenteerden én met de hooligans van AA Gent. In Wetteren was er de Camino-bende die brommers stal, ze leegreed en dan in de Schelde dumpte. Achter al dat wangedrag zat natuurlijk veel meer. Het waren maar de veruitwendigingen van massa’s andere problemen waar die jongeren – vooral jongens – mee te kampen hadden. Ik begon te graven onder dat oppervlak. Ik dook diep in hun levens, hoe is het zover kunnen komen? Pas als je de achterliggende oorzaken aanpakt, kun je preventief gaan werken.’

Van Lysebetten slaagde in zijn opzet: hij hield 350 jongeren uit de Bijzondere Jeugdzorg en jaar na jaar werd Habbekrats daarna verlengd. Na vijftien jaar kwamen er eindelijk structurele subsidies. Van Lysebetten ontwikkelde een eigen methodiek, die nu door de Universiteit Leuven werd geanalyseerd en bijzonder effectief blijkt te zijn. Het rapport daarover wordt op elf oktober na de prijsuitreiking door de Koning Boudewijnstichting gepresenteerd. ‘Ik ben volledig autodidact’, zegt Van Lysebetten. ‘Ik heb alles geleerd van de jongeren, zij hebben aangegeven wat nodig was. Ik denk dat het een voordeel is geweest om er zonder kennis van zaken in te stappen. Luisteren naar wat jongeren zelf willen, gebeurt veel te weinig in het jeugdwelzijnswerk. Men maakt maar plannen, richt denktanks en commissies op. Men denkt dat men van een afstand wel weet wat jongeren nodig hebben, in plaats van met hen op pad te gaan en hun verzuchtingen serieus te nemen. Het zijn maar kinderen, is de heersende gedachte. Maar men vergist zich: een kind van veertien jaar is over vier jaar een volwassene die misschien voor u zal moeten zorgen. Uit zelfbehoud kunnen we dus maar beter naar ze luisteren. Dat heb ik meteen beseft toen ik met Habbekrats begon: opvoeden is een cirkelbeweging. Je moet kinderen leren om met volwassenen om te gaan en je moet volwassenen (her)opvoeden zodat ze met kinderen overweg kunnen. Als ze leren van elkaar, worden ze echt partners in de samenleving.’

Warme werker

Wat is de geheime formule van Habbekrats? Waarom is Van Lysebettens aanpak zo effectief? ‘We zijn erg laagdrempelig. Een jongere kan hier gewoon binnenstappen en beginnen te spelen. Als je bij een dienst aanklopt, zit er steevast een mevrouw tegenover je die vraagt: “Heb je al een dossier?”… en ze begint op haar computerklavier te tokkelen. Dat is toch afschuwelijk. Hier moet je niet eerst ‘in het systeem’, wij houden geen dossiers bij. Een kind vindt hier meteen een warm huis, iemand die hem nog eens vastpakt, die aandacht geeft. De ontmoeting is er direct en loopt heel natuurlijk over in persoonsvorming en in hulpverlening. Het begint met spelen en gewoon luisteren. Wie wil kan zijn verhaal kwijt, maar niets moet. We zijn ons er goed van bewust dat de kinderen die hier komen soms met ernstige problemen kampen: ze worden gepest, hebben een eetprobleem, denken aan zelfmoord, worden mishandeld, krassen. Al mijn medewerkers zijn pedagogisch geschoold en kunnen hulp bieden. Als het hen toch boven het hoofd gaat, kunnen ze onze warme werker inschakelen, onze Habbekrats-psycholoog die de link kan leggen met de professionele hulpverlening. We doen dus veel meer dan alleen spelen. We beseffen heel goed dat we bezig zijn met de levens van kinderen en dat we daar uiterst zorgzaam mee om moeten gaan.

‘Het is belangrijk om jongeren een zinvolle vrijetijdsbesteding te bieden. Habbekrats moet je zien als een enorme markt met tal van kraampjes waaruit ze kunnen kiezen. In Oostende hebben we ons tienerstrand, in Gent is er De Fabriek met een klimmuur, een boksring en een fitnesszaal, in Brussel komt er een cultuurzolder en ga zo maar door. Onze kinderen vinden moeilijk aansluiting bij een reguliere jeugdbeweging of sportclub. Zodra er lidgeld wordt gevraagd of er een uniform is, werpt dat een barrière op. Jeugdbewegingen in de stad doen wel inspanningen, maar ze zijn erg gestructureerd en onze kinderen voelen zich daar niet thuis. Het is hun wereld niet. Een pak verenigingen ziet onze jongeren ook liever niet komen. Ze vinden het lastpakken, en het klopt wel dat ze veel tijd en aandacht nodig hebben. Habbekrats gaat ook op kamp met kinderen en jongeren. Bij een jeugdbeweging is het kamp het doel zelf: samen onderweg zijn met vrienden die je door en door kent. Bij ons is het een middel om iets anders te bereiken: om aan het zelfbeeld te werken, om grenzen te verleggen. Op kamp worden onze kinderen echte helden. We klimmen op rotsen en gaan in geheime gangen, we zoeken schatten en schurken en schimmen. De hoop is dat dat hun persoonlijkheid verrijkt. Dat ze als ze thuiskomen en het moeilijk hebben, terugdenken aan dat ene moment dat ze van die rotswand gegleden zijn: Toen kon ik dat, hier kom ik ook wel door.

‘We willen hun blik verruimen, dat is voor mij de definitie van opvoeden. Onze kinderen komen uit een kleine leefwereld, die vaak letterlijk beperkt is tot hun kamer, hun stoel achter hun computer. Op straat, op de pleinen, is het niet veilig want daar zitten moeilijkheden, is er gevaar, zijn er drugs en alcohol en geweld. Jongeren die op regelmatige basis naar Habbekrats komen, ondertekenen een charter. Daarin staat bijvoorbeeld dat er niet gerookt of gedronken mag worden en dat alle activiteiten stipt om 22 uur afgelopen zijn. Ze beloven ook dat ze zich zullen inzetten voor respect, ook buiten onze werking. Daar gaan we ver in. Onlangs hoorden we dat een van onze jongens betrokken was geweest bij een vechtpartij op de bus. Die hebben we op het matje geroepen en een week geschorst. Dat komt wel aan, maar zo maken we duidelijk dat respect geen hol begrip is voor ons.

‘Ik merk dat steeds meer kinderen zich aangetrokken voelen door de huiselijkheid van Habbekrats. Veel jeugdinitiatieven zijn beperkt tot snelle acties, fuiven bijvoorbeeld. De echte warme menselijkheid ontbreekt vaak. Dat is een leemte die we invullen. Elke avond serveren we in onze huizen een gratis maaltijd aan een mooi gedekte tafel. Dat is een nieuwe norm die we onze kinderen aanreiken, want velen kennen dat thuis niet meer. Vaak is roepen en dreigen er de norm. Wij belonen, geven schouderklopjes en applaus.

‘Hier komen kinderen die nog nooit een hand hebben gekregen. Bij Habbekrats krijgt iedereen een hand en dat is belangrijk want door die aanraking verandert onze verhouding al. Wat je dan ziet, is dat kinderen elkaar ook de hand gaan schudden. Dat is zo mooi aan werken met jongeren: ze leren zo snel. Wat jij in hen investeert, geven ze minstens tienvoudig weer door. Een kind dat thuis slecht wordt behandeld maar dat weerbaar wordt gemaakt, zal het op den duur niet meer pikken. Als er een hand tegen hem wordt opgericht, zal het zich gaan verzetten want hij heeft hier geleerd dat slaan niet de norm is. Zo halen we hen uit hun isolement en doorbreken we de cirkel. Om die reden zoeken we bewust niet te veel contact met hun ouders. Voor veel van onze kinderen zijn de ouders niet de beste vrienden. Voor een aantal zijn zij het net die hen in die benarde situatie hebben gebracht. Wij willen echt de positie van het kind innemen.’

Ommekeer

‘Ik ben nu 23 jaar met jeugdwelzijn bezig en in wezen heb ik niet veel zien verbeteren. Er zijn veel goeie bedoelingen en plannen geweest, maar het is niet met erover te spreken en een mooie folder te maken dat er iets verandert. We hebben in België een groot netwerk van hulpverleners en jeugdwerkers en toch is er nooit zo veel kinderarmoede geweest, er hebben nog nooit zo veel kinderen in een instelling of jeugdgevangenis gezeten, nog nooit eerder stapten zo veel jongeren uit het leven. Het moet nu toch echt gaan doordringen dat we iets verschrikkelijk verkeerd doen. Neem de GAS-boetes. Dat is zo’n flauw verdedigingsmiddel. Het spreekt voor zich dat je niet alles kunt toelaten, maar als je niet in staat bent om op een positieve manier respect af te dwingen, dan verlies je. Ieder dreigement is een nederlaag. Je kunt voor alles wel een GAS-boete verzinnen. Je kunt de Schelde gaan dichtgooien als jongens er gestolen camino’s in smijten, maar daarmee los je het onderliggende probleem niet op. Ik trek het nu wat op flessen, maar dat is wat nu gebeurt.

‘We moeten echt aan de slag, er moet nu echt actie op het veld komen. We kunnen het ons met de crisis ook niet blijven permitteren om op deze weg door te gaan. Weet je hoeveel een kind in een jeugdgevangenis kost? En hoeveel kinderen je er met dat geld uit kunt houden? Gek toch dat dat laatste niet meer gebeurt. De kortermijnvisie heerst: we sluiten ‘probleemkinderen’ op, dan zijn we ervan af. Dat is opnieuw misschien wat kort door de bocht, maar zo gaat het vaak. Ik ben ervan overtuigd dat als we preventief zouden beginnen te werken en daar volop geld voor zouden vrijmaken, we aan één generatie genoeg zouden hebben om echt een ommekeer teweeg te brengen.

‘Kinderarmoede is geen ver-van-ons-bedshow. Elk gezin kan in de penarie terechtkomen. Neem de situatie rond Ford Genk. Twee ouders worden werkloos, het gezin komt zonder middelen te zitten, de druk van de banken wordt onhoudbaar. Dan is het fijn dat Habbekrats zich om de kinderen bekommert. Dat er iemand ruimte voor hen maakt, terwijl de ouders met hun crisis aan het vechten zijn. Onze kinderen zijn onze toekomst, ons aller erfgoed. Wij, de volwassenen, hebben zoveel verknald: het milieu, de financiële instellingen enzovoort. Hoe kunnen we dat goedmaken? Door ons in te zetten voor de nieuwe generatie. Al is het maar omdat we daar zelf beter van worden.’

Toverdoos

Habbekrats krijgt soms te maken met problemen die een onmiddellijke oplossing vereisen: dokterskosten, noodzakelijke kleding, voeding, schoolmateriaal, enzovoort. Hiervoor is er de Toverdoos, een steunfonds voor jongeren in moeilijkheden. Bijdragen kunt u storten op het rekeningnummer 390-0304050-10.

www.habbekrats.be

DOOR ILSE DEGRYSE, FOTO’S FRANCKY VERDICKT

‘Dat is zo mooi aan werken met jongeren: ze leren zo snel. Wat jij in hen investeert, geven ze minstens tienvoudig weer door.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content