Wachten op de Dag van de doden

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Johan van de Gronden, ex-directeur van het WWF, gaat in zijn essays op zoek naar het soms moeilijke samenleven van mens en natuur.

Het zal met een mengeling van spijt en opluchting geweest zijn dat de markies de Girardin op 9 oktober 1794 een stel werkmannen de graftombe van Jean-Jacques Rousseau zag openbreken. Zestien jaar eerder was de grote filosoof te rusten gelegd op het populiereneiland in het park van Château d’ Ermenonville. Nu vertrok hij naar Parijs, naar het Panthéon om precies te zijn, omdat de Nationale Vergadering van de Eerste Republiek een nationale held in hem zag. Dat hij al die tijd zo goed voor het lijk had gezorgd, zou zijn leven wel eens kunnen redden, besefte de markies.

Johan van de Gronden haalt deze anekdote aan in Het vlindertje van Methusalem, een bundeling van tien essays over het samengaan van mens en natuur. Dat hij Rousseau opvoert, zal wel geen toeval zijn, eerder een programmaverklaring wellicht. Rousseaus bewering dat de beschaving vooral ongelijkheid en miserie had voortgebracht beaamt hij immers volmondig, en hij voert Thomas Piketty aan ter bevestiging. Maar dat betekent nog niet dat Van de Gronden daarom onder een treurwilg nostalgisch gaat liggen verlangen naar een onbezoedeld verleden. Nee, zegt hij, ook die rurale idylle van de markies de Girardin was een menselijke constructie vol uitheemse planten, zoals de Amerikaanse eik. Het idee dat mens en natuur nog uit elkaar te halen zouden zijn, is gewoon een leugen.

Johan van de Gronden tast zijn onderwerpen af, zonder dat hij per se iets wil bewijzen.

Johan van de Gronden is filosoof en was tien jaar directeur van het Nederlandse WWF. Schrijven is een hobby en hij doet het dan ook alleen wanneer hij er persoonlijke urgentie toe voelt. Dat was zo in Wijsgeer in het wild, zijn debuut van zeven jaar geleden, en dat is zo in zijn nieuwe boek. Bovendien wil hij een echte essayist zijn. Hij tast zijn onderwerpen af, zonder dat hij per se iets wil bewijzen. Het levert teksten op die niet alleen boeiend geschreven zijn en cultuur laten rijmen op natuur, maar die je ook aan het denken zetten. In een brief aan Linnaeus heeft hij het bijvoorbeeld over de relatieve macht van de mens en het voor die oude Zweedse plantkundige wellicht bizarre idee achter natuurbescherming. In een ander stuk volgt hij de Nederlandse landschapsschilders op weg naar Barbizon en ziet hij in de verte William Turners Rain, Steam and Speed – The Great Western Railway aanstormen, wat hij een schreeuw van Munch noemt, maar dan voortgebracht door een mechanisch monster.

Er zit dus wel wat dreiging in deze bundel, ook in het titelessay trouwens, waarin hij vertelt over zijn reis naar Mexico, waar een entomoloog hem het overwinteringsgebied van de monarchvlinders toont. Zeven maanden lang wachten die vlinders daar op de lente, waarna ze met miljoenen tegelijk naar de VS en Canada vliegen. In de herfst vinden hun achterachterkleinkinderen zonder enig probleem de weg terug naar hetzelfde lapje bomen in de Sierra Madre. De lokale bevolking koppelt die terugkeer aan de Dia de Muertos, Allerheiligen en Allerzielen. En inderdaad, aldus Van de Gronden, als het zo doorgaat zou la monarquita wel eens dezelfde weg op kunnen gaan, want de zilversparren waarin het vlindertje overwintert worden stelselmatig gekapt.

Johan van de Gronden, Het vlindertje van Methusalem, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 224 blz., 20,00 euro.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content