‘Het soortelijk gewicht van België is te klein om op alle vlakken een eigen diplomatie te voeren.’ Topambtenaar van Buitenlandse Zaken Dirk Achten – in een vorig leven hoofdredacteur van De Standaard – over journalistiek, bescheidenheid in tijden van gewapende conflicten, en de bokkensprongen van de Belgische politieke geschiedenis.

Het is dat België geen ambassade heeft in Jemen. Anders was ze wellicht ook gesloten, toen de Amerikanen twee weken geleden waarschuwden voor terreurdreiging. Dirk Achten, voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken – de chef van de Belgische diplomatie -, erkent het veiligheidsprobleem in de regio. Een week later ging de Belgische post in Caïro wel dicht, toen het Egyptische leger de stad herschiep in een oorlogszone.

De voormalige hoofdredacteur lijkt de verpersoonlijking van het oude adagium dat de journalistiek tot alles leidt, op voorwaarde dat je er op tijd uit stapt. Achten was hoofdredacteur en vervolgens uitgever van de krant De Standaard, toen hij in het spoor van Karel De Gucht eerst bij VLD en daarna op Buitenlandse Zaken belandde.

Was de journalistiek voor u een roeping?

Dirk Achten: Nee hoor. Moet dat dan? Moeten journalisten, net als pastoors, een roeping hebben? Is diplomatie een roeping? Ik ben twintig jaar met hart en ziel journalist geweest, maar het is niet omdat je plezier in je vak hebt dat je dat je hele leven moet blijven doen.

Anders gezegd: u was uitgekeken op de journalistiek.

Achten: Na twintig jaar vond ik dat het tijd was voor iets nieuws. Maar de journalistiek was in die twintig jaar ook behoorlijk veranderd. Het was niet meer hetzelfde beestje, merkte ik. Dat zal ongetwijfeld hebben meegespeeld toen ik besloot de krant vaarwel te zeggen. De discussie die toen op tafel lag, was: mogen kranten en weekbladen nog een eigen koers varen en een eigen mening hebben? Of moeten ze gewoon een waaier van meningen aanbieden en iedereen aan bod laten komen? De postmodernistische idee van ‘alle meningen zijn onderling verwisselbaar’ leek bij de krant meer en meer de bovenhand te krijgen. Ik had het daar moeilijk mee.

Voor u was de krant nog altijd een mijnheer?

Achten: Ik houd nogal van de Britse perstraditie. Van een weekblad als The Economist weet je waar het voor staat. De redactie neemt in alle belangrijke kwesties duidelijke standpunten in. Je hoeft het daar als lezer niet mee eens te zijn – ik was echt gechoqueerd toen ze destijds de Amerikaanse inval in Irak toejuichten – maar dat maakt het juist interessant. Wat heb ik nou aan al die geurloze en kleurloze meninkjes? Mijn leermeesters in de journalistiek waren mensen als Manu Ruys en Hugo De Ridder. Zij vonden dat een krant in de eerste plaats maatschappelijk relevant moest zijn. Dat klinkt vandaag misschien wat ouderwets, maar ik vind dat ook nog altijd.

Kranten waren vroeger natuurlijk vooral de spreekbuis van belangengroepen.

Achten: Ze waren verzuild, dat zeker. De ontzuiling van de Vlaamse pers die sindsdien heeft plaatsgevonden is op zich een goede zaak. Vrijheid, blijheid. Maar het is toch niet omdat je niet langer bij één bepaalde partij aanleunt dat je als krant geen mening meer zou mogen hebben?

Hadden journalisten en politici vroeger niet te veel de neiging bij elkaar op schoot te kruipen?

Achten: De osmose tussen politiek en journalistiek is in België altijd nogal sterk geweest, in vergelijking met andere landen. Maar ik zie wat dat betreft niet zo veel verschil met vroeger.Journalisten en politici frequenteren nu eenmaal hetzelfde milieu.

Samen met Yves Desmet was u in de zomer van 2001 op bezoek in de villa van toenmalig VLD-voorzitter Karel De Gucht, voor het boekje Het einde der pilaren – Toscaanse gesprekken tussen Karel De Gucht en gewezen CVP-voorzitter Johan Van Hecke. Was dat niet op het randje?

Achten: Waarom? Daar is nadien geweldig veel heisa over gemaakt, maar ik begrijp nog altijd niet goed waarom. Bij de krant wisten ze perfect wat er aan de hand was, we hadden daarover goede afspraken gemaakt. En ik vond die gesprekken in wezen ook niet zo verschillend van andere dingen die je als journalist doet. Journalisten die met de minister op reis gaan, zitten ’s avonds in de bar van het hotel toch ook samen met de minister een glaasje te drinken? Zo ging het in Toscane toen ook: overdag werd er vrij ernstig gewerkt, en ’s avonds werd er bij een drankje en een hapje over van alles gepraat – maar nauwelijks over politiek.

En kort daarna stapte Johan Van Hecke over naar de VLD.

Achten: Het kan natuurlijk best zijn dat Van Hecke en De Gucht daar toen apart over gepraat hebben. Maar ik heb daar in ieder geval geen plannen of complotten horen smeden. Yves en ik deden gewoon ons werk. Ik geloof niet dat we toen ons boekje te buiten zijn gegaan.

Dat Karel De Gucht u luttele maanden later vroeg politiek directeur van de VLD te worden was toeval?

Achten: Ja en nee. We zijn toen vier of vijf dagen in Toscane gebleven en dan leer je iemand natuurlijk wel kennen. Daarvoor kende ik Karel De Gucht nauwelijks. Zijn aanbod kwam voor mij ook als een complete verrassing. Ik was weliswaar klaar om de journalistiek vaarwel te zeggen, maar ik zag mijn toekomst eerder in het bedrijfsleven dan in de politiek.

Stel dat een andere politieke partij u gevraagd had, de CD&V of de N-VA, bijvoorbeeld. Had u het dan ook gedaan?

Achten: Nee.

Klopt het dat u in 2003 als politiek directeur van de VLD samen met Bart De Wever ontwerpteksten hebt geschreven voor een kartel tussen de N-VA en de VLD?

Achten: Daar is heel even sprake van geweest. Geert Bourgeois was toen voorzitter van de N-VA, de N-VA had één zetel in het parlement – te weinig om een fractie te vormen – en dat had ook financiële consequenties: het voortbestaan van de partij hing aan een zijden draadje. Bourgeois wilde onderzoeken of de N-VA niet een kartel kon vormen met de VLD of de CD&V. Hij is met beide partijen beginnen te praten en ik heb met Bart De Wever, die toen nog relatief onbekend was, een aantal mails uitgewisseld om aan een ontwerptekst te sleutelen. Dat schoot goed op, maar de gesprekken zijn uiteindelijk afgesprongen.

Wat was het breukpunt?

Achten: Het had iets met de financiering van de N-VA te maken, staat mij vaag bij. Een kartel met de N-VA was voor de VLD ook niet zo evident: we hadden al de overstap gehad van de groep rond Johan Van Hecke, daarna was de groep rond Patrik Vankrunkelsven gekomen en ten slotte Roland Duchâtelet. Voor de gemiddelde VLD-militant was dat op den duur moeilijk te slikken. Het werd allemaal wat veel. En toen is Geert Bourgeois dus met Yves Leterme in zee gegaan.

Heeft de VLD toen een kans gemist? Het was een historisch moment, achteraf bekeken.

Achten: Dat gevoel had ik toen ook heel sterk. Het heeft geen haartje gescheeld, maar in plaats van met de VLD heeft de N-VA een kartel met de CD&V gevormd, met alle gevolgen die we kennen. Was dat kartel er toen niet gekomen, dan was de N-VA waarschijnlijk verdwenen en zag het land er nu misschien heel anders uit.

En dan had Karel De Gucht, die toen als partijvoorzitter van de VLD met de N-VA een kartel wilde vormen, nu niet zo moeten fulmineren tegen Bart De Wever. Het kan raar lopen.

Achten: Wat moet ik daarop zeggen? Het kan héél raar lopen.

U volgde Karel De Gucht naar het ministerie van Buitenlandse Zaken, eerst als kabinetschef en sinds 2008 als voorzitter van het directiecomité van Buitenlandse Zaken. U werd chef van de Belgische diplomatie, terwijl u zelf nooit diplomaat bent geweest. Was dat een voor- of een nadeel?

Achten: Een voordeel is in ieder geval dat iemand die van buitenaf komt met een andere blik kijkt. Maar dat ik niet uit het vak kwam, deed zeker in het begin wat wenkbrauwen fronsen. Zeker omdat ik nooit ‘op post’ ben geweest, zoals dat heet. Ik heb er ondertussen zo veel bezocht dat ik dat nadeel wel heb overwonnen. Veel mensen geloven dat diplomaten een paradijselijk leven hebben, maar dat klopt niet met de werkelijkheid.

Is de diplomatie nog altijd echt een korps?

Achten: Zeker. Diplomaten hebben de indruk dat ze deel uitmaken van een elite, en dat ze zich daarnaar moeten gedragen. Dat is een pluspunt, want bij een korps hoort namelijk een code. Een erecode. Maar dat korps mag het contact met de buitenwereld niet verliezen.

Heeft de oprichting van een Europese diplomatieke dienst het speelveld van de Belgische diplomatie veranderd?

Achten: Aanvankelijk bestond in elk geval de hoop dat die dienst complementair zou zijn met wat wij doen. Dat we, bijvoorbeeld, zouden kunnen zeggen: in Oost-Timor hoeven wij geen post, daar kunnen we ons door de Europese Dienst voor Externe Actie laten vertegenwoordigen. Maar in de huidige stand van zaken lukt dat niet. Een aantal lidstaten wil het niet. We zijn nu bezig met een grondige hervorming van de Belgische diplomatie, om de statuten van diplomaten, consuls en attachés gelijk te schakelen. We willen het buitenlands beleid als een geheel zien en het niet meer opdelen in hokjes: het politieke werk, het consulaire en de ontwikkelingssamenwerking. Maar we rekruteren zeker niet met het idee dat we straks minder mensen nodig hebben omdat Europa een deel van het werk overneemt.

Kan een klein land als België zich in tijden van bezuinigingen al die ambassades nog wel permitteren?

Achten: We maakten de oefening twee jaar geleden. We hadden toen 143 posten – ambassades, consulaten en secties voor ontwikkelingssamenwerking. We hebben die allemaal op de balans gelegd en gekeken naar hun belang op politiek, economisch en consulair vlak. De Nederlanders en de Britten hebben dat ook gedaan, en iedereen kwam tot dezelfde slotsom: een universeel postennetwerk blijft in meerdere of mindere mate nodig. Maar we zijn wel tot de conclusie gekomen dat het niet meer noodzakelijk is om in iedere Europese lidstaat aanwezig te zijn – we hebben Malta gesloten. Zelfs een kleine post kost toch nog altijd 400.000 à 500.000 euro. Het kan niet de bedoeling zijn dat we ons op Europa terugplooien. Ambassades zijn er niet voor de schone schijn of om recepties te organiseren. We besteden het geld beter in landen waar we een economisch belang hebben.

Hoe nauw werkt u met Nederland samen?

Achten: De Nederlanders hebben een financieel probleem en wij ook. Als we dingen samen doen, kunnen we besparen en we werken dus ook zeer intensief samen, bijna op dagelijkse basis. Dat kan gaan van het louter delen van een gebouw tot de situatie in de Albanese hoofdstad Tirana, waar een Belgische diplomaat de nummer twee is op de Nederlandse ambassade. Maar de ene post is natuurlijk de andere niet. Je kunt zoiets bijvoorbeeld niet in Washington of in Peking doen. Of in landen waar we met elkaar in competitie zijn voor, bijvoorbeeld, contracten voor onze baggerbedrijven.

In welke mate heeft de ontwikkeling van de communicatietechnologie de diplomatie veranderd?

Achten: De tijd dat een ambassadeur zich kon beperken tot één of twee rapporten per jaar die vervolgens per schip naar Brussel werden gevaren, is in ieder geval voorbij. We zitten online en dat legt veel meer druk op de mensen. Het is bijna zoals in de journalistiek: er moet onmiddellijk wor-den gerapporteerd. Tegelijk komt de technologie niet in de plaats van het klassieke netwerk. Om het investeringsklimaat in een land correct in te schatten, moet je daar fysiek aanwezig zijn. Dat blijft essentieel.

Vroeger werden rapporten in een verzegelde diplomatieke koffer bezorgd. Nu gaan ze over het internet. Is dat veilig genoeg?

Achten: Onze boodschappen gaan natuurlijk over een beveiligde weg. We weten dat er mensen zijn die graag zouden meelezen en die zich niet laten afstoppen door klassieke firewalls. We zijn een doelwit. Het is een voortdurend gevecht. We werken er constant aan met de militairen en met de Staatsveiligheid om een stap voor te blijven.

Worden er nog microfoontjes verborgen in de sanseveria?

Achten: Absoluut. Microfoontjes zijn moeilijk op te sporen. Het gebeurt ook nog dat mensen gewoon worden benaderd.

U verwijst ook voortdurend naar het economische belang van het diplomatieke netwerk. Is het gekibbel over wie bevoegd is voor de economische diplomatie – het federale niveau of de regio’s – niet een beetje gênant?

Achten: Buitenlandse handel is in grote mate geregionaliseerd. Het is echt niet zo dat we voortdurend op voet van oorlog leven met elkaar. Er zijn in Brussel regelmatig contacten, zowel formeel als informeel, tussen de verschillende beleidsniveaus. We hebben elkaar nodig: wij hebben niet meer de mensen om dat werk te doen, terwijl de regio’s niet zonder de ambassades kunnen.

Kan België in zijn buitenlandse politiek nog eigen accenten leggen?

Achten: Het soortelijk gewicht van België is te klein om op alle vlakken een eigen diplomatie te voeren. We proberen om iets te doen aan de humanitaire situatie in Syrië. We zijn nog altijd actief in Midden-Afrika. We zijn fel bezig geweest met de strijd tegen het gebruik van antipersoonsmijnen en clustermunitie. Het is een kwestie van kiezen en zien waar er ruimte is. Onze grootste ambassade staat ook gewoon hier in Brussel: onze Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Unie. We proberen altijd om een Europese consensus te bereiken. Weliswaar in het volle besef dat de stem van Europa in de wereld de voorbije jaren veel aan volume heeft verloren. Dat geldt trouwens voor het hele Westen.

Heeft het verlies aan politiek gewicht te maken met verlies aan economische macht?

Achten: Zeker. Mensen onderschatten dat, maar hier in dit huis voelen we dat heel sterk. De manier waarop we worden bekeken, is heel anders dan tien jaar geleden. We hebben in het Westen dikwijls, vaak onbewust, de neiging om de rest van de wereld uit te leggen hoe het moet. De mentaliteit ook van: er gebeurt iets en we moeten ingrijpen. Waarom zouden we moeten ingrijpen? We zijn geen spelverdeler meer. En als we toch zouden ingrijpen, doen we het ook weer fout. Dan denkt men dat het ons alleen om de olie te doen is.

Is de les dan dat we een toontje lager moeten zingen?

Achten: Dat doen we al. De limieten van wat we kunnen en niet kunnen zijn veel duidelijker geworden. Wat moeten we met Syrië doen? Binnenvallen?

Zijn onze waarden dan toch niet zo universeel als we altijd dachten?

Achten: De hoop was dat we het na de val van het communisme ten minste eens zouden zijn over de waarden die aan de basis moeten liggen van de manier waarop de samenleving moet worden georganiseerd. De overgrote meerderheid heeft toch de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend. Toch lukt dat niet. Het lijkt weer alsof het Westen zijn eigen gedragsregels wil opleggen. Dat het ook aan landen die aan een steile economische opgang begonnen zijn, wil zeggen dat ze moreel eigenlijk minderwaardig zijn.

Het verwijt is dat we neokolonialisten zijn.

Achten: Zo zien ze ons dikwijls. In de meest uiteenlopende landen, tot in Latijns-Amerika toe, voel je het ressentiment tegen wat er in het verleden is gebeurd. We zijn er niet in geslaagd om onze normen en waarden echt universeel te maken, zodanig dat ze in de hearts and minds ook zo worden ervaren. En dan heb ik het nog niet over de mensen die het kalifaat opnieuw willen invoeren – die staan er nog veel verder van af.

Moeten we dan accepteren dat democratie en mensenrechten niet universeel zijn?

Achten: Ik vind dat mensenrechten wél universeel zijn. Ik stel alleen vast dat het door veel mensen niet zo wordt ervaren. De Europese Unie heeft op dat vlak een belangrijke rol te spelen, maar zelfs binnen de EU is het niet altijd evident. Democratie is meer dan verkiezingen houden. Het is een vrij subtiele vorm van checks-and-balances die voortdurend in de gaten moeten worden gehouden.

Verklaart dat voor een deel de problemen waarmee het Internationaal Strafhof in Den Haag moet afrekenen?

Achten: Er wordt gezegd dat het eigenlijk een hof is voor Afrikaanse ex-leiders. Daar moet je van leren. Ik ben voor universele rechtsmacht, maar je moet ze uitoefenen op een manier die geloofwaardig is. De mensen die dachten dat er na de val van de Muur overal democratieën zouden ontluiken, hebben zich vergist. Kijk naar wat er in de Arabische wereld gebeurt. Dat is allemaal niet zo eenduidig.

Hoe moeten we op de Arabische Lente reageren?

Achten: Wat we zeker niet mogen doen, is ze vertellen dat wij beter weten hoe het verder moet. Stel dat hier plotseling een team Arabieren of Afrikanen landt dat ons komt uitleggen hoe we onze communautaire problemen moeten oplossen. Die zouden toch ook niet met handgeklap worden ontvangen? Dat werkt niet. Die landen moeten zelf de kans krijgen om uit te zoeken hoe ze zich kunnen organiseren.

Ze moeten de kans krijgen om hun eigen fouten te maken?

Achten: Natuurlijk. De Europese geschiedenis van de vorige eeuw was toch ook niet bepaald glorieus. We kunnen dus maar beter niet al te hoog van de toren blazen.

DOOR PIET PIRYNS EN HUBERT VAN HUMBEECK, FOTO’S LIES WILLAERT

‘Het heeft geen haartje gescheeld of er was een kartel tussen VLD en N-VA. Het land had er heel anders kunnen uitzien.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content