De rijkswacht bestaat tweehonderd jaar en was nog nooit zo jong. En de culturele revolutie die opperbevelhebber, luitenant-generaal Willy Deridder, doorvoerde, is nog lang niet voltooid. Een gesprek.

DE datum was 22 messidor 4-ième année Républicaine 10 juli 1796 dus. Toen bekrachtigde het Directoire Exécutif bij decreet het voorstel om in de negen met de Franse Republiek verenigde departementen, tweehonderd brigades van de Gendarmerie Nationale op te richten. Het plan kwam van de 31-jarige generaal Louis Wirion. Die was enkele maanden tevoren in onze contreien afgestapt om er, met zijn stafofficieren, enkele rijkswachtbrigades te installeren. De negen departementen stemden grotendeels overeen met het latere Napoleontische België, maar hadden evenmin als Corsica, trouwens mogen deelnemen aan de verkiezingen van eind oktober 1795.

Napoleon Bonaparte, die andermaal met Corsicaanse onafhankelijkheidsstrijders had samengespannen, was enkele jaren voordien in Toulon beland en daar leerde hij de avontuurlijke vicomte Paul de Barras kennen. Van hem kreeg Bonaparte, ondanks zijn schorsing als generaal, op 4 oktober 1795 in Parijs het bevel over de artillerie. Die werd in allerijl in stelling gebracht en schoot al de volgende ochtend in de rue Saint-Honoré en op de linkeroever van de Seine de opstand van de royalisten neer. Zo werd op 13 vendémiaire, de Convention gered. Bonaparte effende meteen het pad om vier maanden later het opperbevel te krijgen over de Franse soldateska in Italië. Op 9 maart 1796 trouwde hij bovendien met Joséphine ?Rose? Tascher de La Pagerie, de mooie weduwe van Alexandre de Beauharnais en één van Barras’ vroegere maîtresses. Generaal Bonaparte had nog veel te doen voor hij Napoleon I kon worden.

Precies om de dictatuur van één man of één partij te bemoeilijken, hadden de opstellers van de grondwet van het jaar III een tweekamerstelsel en tal van wettelijke drempels ingevoerd. Toch werden de vijf directeurs van het Directoire Exécutif, onder wie Barras als de sterke man van het regime, veeleer door de Conseil des Cinq-Cents aan de Conseil des Anciens opgedrongen dan echt door hen verkozen. Het Directoire Exécutif vertegenwoordigde nu eenmaal het machtscentrum van de republiek. En de directeurs zwaaiden de plak over de regering, de ambtenarij, de diplomatie en de veiligheidsdiensten. In die omstandigheden kwam het decreet van 10 juli 1796 tot stand.

De geest waarin de 427 rijkswachtbrigades vandaag gemoderniseerd worden, oogt zeker niet minder revolutionair dan tweehonderd jaar geleden. Toen luitenant-generaal Willy Deridder eind 1992 opperbevelhebber van de rijkswacht werd, traden met hem enkele officieren aan, die komaf maken met alle reactionaire sabelslepers en met al wie politiewerk nog met militair vertoon zou verwarren. De gendarme was zeker niet meer die van het jaar IV. De gendarme van vandaag is echter nog die niet van morgen. Hoe ziet de opperbevelhebber die rijkswachter ?

WILLY DERIDDER : De rijkswachter moet vooral oog hebben voor de dienstverlening aan de bevolking en voor de oplossing van een aantal problemen waarmee die bevolking geconfronteerd wordt. Daarom moet de rijkswachter een open geest cultiveren en beseffen dat het steeds beter kan. Dat zal zowel de individuele rijkswachter als het publiek aan het vertrouwen helpen dat zij in elkaar moeten hebben.

Waar ligt dan nog het verschil tussen de zogeheten sectorrijkswachter en de wijkagent ?

DERIDDER : Het beeld dat ik schets, is het ideaalbeeld waar elke rijkswachter zich moet aan spiegelen. Ook een sectorrijkswachter beantwoordt vanzelfsprekend aan dit profiel. Hij of zij is bovendien bezig met specifieke fenomenen, zoals inbraken, aanrandingen of verkeersoverlast, die de burger in een welbepaalde omgeving op een welbepaald ogenblik verontrusten. De sectorrijkswachter moet die helpen oplossen. De wijkagent daarentegen heeft, als de zichtbare verpersoonlijking van de gemeentelijke autoriteit, een meer algemene taak.

In het regeerakkoord staat dat de gemeentepolitie, in het kader van verdere specialisering en samenwerking, haar preventieve taak en meer bepaald die van buurtpolitie moet kunnen vervullen. Vreemd genoeg heeft niet de gemeentepolitie maar wel de rijkswacht het begrip basispolitiezorg in eer hersteld, of niet soms ?

DERIDDER : Wij hebben dat begrip opnieuw vooropgesteld omdat wij enkele jaren geleden vaststelden hoe de vervreemding van het publiek tegenover de rijkswacht en de politiediensten in het algemeen ervoor zorgde dat wij minder goed functioneerden. Om degelijk politiewerk te leveren, moesten wij dus opnieuw naar de mensen toe gaan en naar hun verwachtingen peilen. Wij komen immers uit een periode waarin politiediensten dermate geprofessionaliseerd werden dat zij dachten de onveiligheid op hun dooie eentje te bestrijden. Het was de periode van de zogeheten fish tank-patrouilles. Rijkswacht en politie verschansten zich als het ware in hun voertuigen en stapten slechts uit als er moest opgetreden worden. Omdat zware criminaliteit nu eenmaal wortelt in bepaalde wijken of etnische groepen, dachten wij als federale politie ook die kloof met de bevolking te moeten dichten en de burger aan te spreken als een partner in ons gezamenlijk streven naar meer veiligheid.

In 1991 zijn wij daarmee begonnen. Toen was ik nog stafchef en zijn wij met een klein groepje gaan brainstormen en naar buitenlandse korpsen kijken. Wij wisten al gauw dat zo’n hervorming niet zou lukken zonder de korpscultuur te veranderen.

De wet van 18 juli 1991 ter demilitarisering van de rijkswacht was dus niet het grote keerpunt.

DERIDDER : Neen, al zou het zonder de demilitarisering minder vlot verlopen zijn. Voordien hadden wij immers, als onderdeel van de krijgsmacht, een aantal verplichtingen, die wij nu als politiemacht kunnen vergeten. Meteen verdween ook het denkpatroon dat ons belette de rijkswachter op het terrein meer vrijheid en verantwoordelijkheid te geven. Steeds meer officieren worden nu aan de universiteiten gerekruteerd en niet langer gevormd aan de Koninklijke Militaire School. Onze basisopleiding zal weldra maar ten dele meer in de rijkswachtschool gegeven worden. Een belangrijk deel van de opleiding zal in de 427 brigades zelf gebeuren en door ervaren rijkswachters verzorgd worden.

Hoe kon u de culturele revolutie binnen de rijkswacht zo snel doorvoeren ?

DERIDDER : Door eerst de voortgezette opleiding te herdenken. Zo bereikten wij vanaf 1992 meteen de rijkswachters, die reeds in de brigades actief waren. Om te beginnen hebben wij hun interne en externe communicatievaardigheden bijgewerkt. Dit gebeurde bovendien in groepjes, waarin onderofficieren en officieren ongeacht hun rang samenwerkten. Mochten wij daarentegen eerst de volledige basisopleiding herzien hebben, dan zou de impact van deze hervorming pas veel later merkbaar geweest zijn ; als de jonge rijkswachters namelijk in de brigades arriveerden.

Hoe kan u de nieuwe rijkswachtcultuur verder bijbrengen tot aan de laatste van de 17.500 personeelsleden ?

DERIDDER : Dit is inderdaad het paradoxale. Enerzijds poneren wij dat de basis voortaan zo zelfstandig mogelijk moet opereren. Anderzijds kunnen wij deze nieuwe werkwijze niet invoeren zonder die basis onder druk te zetten. De ware cultuurverandering is eigenlijk op gang gebracht door de projecten van basispolitiezorg. Wij begonnen met zeven projecten in het noorden en evenveel in het zuiden van het land. Telkens lieten wij de districten en de daaronder ressorterende brigades zelf uitzoeken met welk project zij de basispolitiezorg dachten te verbeteren. Sommigen gingen het onthaal aantrekkelijker maken. Anderen vonden een systeem om de kantschriften van het parket sneller uit te voeren. Nog anderen verbeterden de dienstverlening bij dringende interventies, de omgang met jongeren, de samenwerking met middenstandsorganisaties in het kader van vermogensdelicten en zo meer. Nu heeft elke operationele eenheid, versta elk van de 25 nieuwe districten, minstens één project lopen. Het is de bedoeling deze projecten verder vanuit de generale staf en met officieren-animatoren methodologisch te ondersteunen én te toetsen aan onze doelstellingen. Dankzij een zestigtal projectploegen en de publicatie van hun ervaringen stellen wij vast dat de rijkswachters vrij snel het belang begrijpen van mogelijk groepswerk en van de dienstverlening aan de bevolking. Dat is de culturele revolutie en die is per definitie niet af. Daarom pakken wij de cultuurverandering nu systematischer aan. Ook in de stafdiensten en in eenheden, zoals de provinciale verkeerseenheden en sommige Bijzondere Opsporingsbrigades, waar nog afwijkende subculturen heersen.

Is de basispolitiezorg niet het gedroomde voorwendsel voor de rijkswacht om een wijdvertakt informatienetwerk op te bouwen en zo het monster te voeden ?

DERIDDER : Neen. Het is een nieuwe vorm van politiewerk en grotere politiekorpsen zouden zich daardoor best laten inspireren. Wat niet belet dat ook de opsporingsdiensten op die manier een maatschappelijk draagvlak en een verankering krijgen die een louter criminele politie mist. Daarom ben ik trouwens geen voorstander van al te gespecialiseerde politiediensten. Zij hebben de bevolking maar zelden aan hun kant. Dit kan trouwens niet als je uitsluitend vanuit justitiepaleizen opereert.

Zijn de interpolitiezones (IPZ) die SP-minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte volgens het regeerakkoord invoert, dan het middel om ook de gemeentepolitie tot die basispolitiezorg te verplichten ?

DERIDDER : Net voor de oprichting van de Vaste Commissie van de Gemeentepolitie heb ik die ideeën begin vorig jaar uiteengezet aan de leden ervan. De aanwezige collega’s van de gemeentepolitie zagen daar ook wel wat in. De kans is dus reëel dat een begrip zoals community policing op termijn ook bij de gemeentepolitie ingang vindt en binnen een IPZ verrijkend werkt.

Ik ben er immers van overtuigd dat er altijd een gemeentepolitie zal nodig zijn en dat die in de komende vijftig jaar niet zal verdwijnen. Als federale politie hebben ook wij echter nood aan voeling met de bevolking en moeten wij dus als partner met de gemeentepolitie kunnen werken. Een politiedienst die slechts ter versterking wordt opgeroepen, is gedoemd de hond in het kegelspel te zijn. Zo’n politiedienst kent de lokale gevoeligheden niet en wordt er uiteindelijk maar bijgehaald om het geweld of de middelen te gebruiken die andere diensten niet kunnen of willen gebruiken. Ook daarom lijkt het mij het beste de samenwerking binnen die interpolitiezones onder het toezicht van de bevoegde burgemeesters uit te bouwen.

Binnenlandse Zaken werkt nu aan teksten om de burgemeester, binnen zo’n IPZ, ook zeggenschap over de rijkswacht te geven. Hoe ziet u de rol van de burgemeester in dit verband ?

DERIDDER : Vermits het politiebestel in België minstens een gemeentelijke en federale component telt en beide korpsen elkaar voor de voeten kunnen lopen, zijn duidelijke afspraken onontbeerlijk. De huidige wetgeving laat de burgemeester echter niet toe de rijkswacht te herinneren aan de binnen een IPZ gemaakte afspraken. De rijkswacht blijft immers een federale politie. Daarom kan de burgemeester trouwens nooit evenveel gezag krijgen over de rijkswacht als de minister van Binnenlandse Zaken heeft. De bevoegde burgemeester moet ons, via die minister, desnoods wel kunnen verplichten de afgesproken opdrachten uit te voeren. Dan nog kan de gezagsrelatie tussen de burgemeester en de brigade- of districtscommandant van de rijkswacht niet dezelfde zijn als de relatie tussen de burgemeester en zijn politiekorpschef.

Anderzijds blijven de relaties tussen de politiediensten met gerechtelijke opdrachten problematisch : of het nu de Opsporingsdiensten (OD) van de gemeentelijke politie, de 23 brigades van Gerechtelijke Politie bij de parketten (GPP) en de 25 Bijzondere Opsporingsbrigades (BOB) van de rijkswacht of het Centraal Bureau der Opsporingen (CBO) van de rijkswacht betreft.

DERIDDER : Het CBO is momenteel zeer goed geplaatst om zowel de BOB als de rijkswachtbrigades met mensen en middelen bij te staan zonder daarom zelf op het terrein te speuren. Als instelling moeten wij ons wel afvragen hoe lang wij de rijkswachtbrigades in de geest van de verzelfstandiging die wij propageren , met bepaalde onderzoeken laten doorgaan en wanneer wij de BOB ter versterking of ter vervanging inzetten. Dit is een zeer delicate, soms zeer menselijke kwestie, waarover momenteel intern gedebatteerd wordt.

De taakverdeling met de OD’s van de gemeentepolitie zal op termijn binnen de interpolitiezones geregeld worden. In verband met de taakverdeling tussen de rijkswacht en de gerechtelijke politie heeft de minister van Justitie Stefaan De Clerck een werkgroep opgericht en die is nog maar één keer bijeen geweest.

Ik denk echter dat de regering, na overleg met het college van procureurs-generaal en de politiediensten, eerst duidelijk moet maken welke misdrijven zij bij voorrang wil aangepakt zien.

Het CBO heeft aan de hand van rijkswachtgegevens vastgesteld dat alvast een negentigtal misdaadbendes in België beantwoorden aan de definitie van georganiseerde criminaliteit. Zij zijn hiërarchisch gestructureerd, hebben dikwijls hun eigen sancties en bindingen met in volgorde van belangrijkheid de Italiaanse, Koerdische, Russische en Chinese maffia. De negentig onderzoeken die in dit verband in 1994 werden gevoerd, wezen bijna allen op internationale bindingen, betreffen 6.584 strafbare feiten en 1.067 verdachten, behorend tot 38 verschillende nationaliteiten. De helft van de daders waren evenwel Belgen. In zestig procent van de gevallen werden commerciële structuren aangewend. In twintig procent van die zaken was sprake van beïnvloeding, waaronder corruptie. In vijf procent ging het om geweldplegingen.

Het beeld dat wij nu al van de georganiseerde misdaad in België hebben, laat de politieke overheden alvast toe beleidslijnen uit te zetten. Zodra die vast liggen, moeten wij de misdaadsectoren projectmatig en pro-actief kunnen aanpakken. Als wij niet anticiperen, blijven wij met zijn allen re-actief achter de feiten aan hollen. De criminele organisaties moeten dus eerst gedetailleerd in kaart gebracht worden. Dit vergt dan weer een aantal wetswijzigingen om het beheer en betalen van informanten, het afluisteren zonder onmiddellijke aanwijzingen van een strafbaar feit en andere speciale politietechnieken te legaliseren. Pas daarna kunnen wij, gezien België te klein is om alle politiediensten pro-actief en projectmatig te laten werken, een taakverdeling tussen de rijkswacht en de gerechtelijke politie uitstippelen. Dan zal ook het re-actieve gerechtelijk speurwerk, dat daarop volgt, veel makkelijker te verdelen zijn.

Is de opslorping van de GPP door de BOB van de rijkswacht dan niet de oplossing ? De Leuvense professor Fijnaut stelt dit in tegenspraak met het regeerakkoord voor in het jongste nummer van Politeia.

DERIDDER : Er wordt aan oplossingen gedacht vooraleer het probleem grondig geanalyseerd is. Wat professor Fijnaut voorstelt, is een mogelijke oplossing. Intussen moeten zowel speurders als magistraten niet langer re-actief maar pro-actief en projectmatig leren optreden. Velen staren zich blind op vlugge resultaten, dringen niet door tot de kern van de zaak en missen hun doel. Om de parketten-generaal en de parketten tot pro-actieve recherche aan te sporen, is zeker een nieuwe wetgeving nodig. En daarvoor moeten alweer eerst beleidslijnen uitgestippeld worden.

Wie pro-actieve recherche zegt, denkt aan speciale politietechnieken zoals infiltratie met undercover-agenten, toongeld, gecontroleerde zendingen, uitgestelde aanhoudingen, dito inbeslagnames en zo meer. Na de doorlichting van betwiste opsporingspraktijken in Nederland wil de parlementaire onderzoekscommissie, onder leiding van Maarten Van Traa, dat bij onze noorderburen allemaal afschaffen.

DERIDDER : De commissie- Van Traa is enigszins in strijd met haar eigen premissen : geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid en geen verantwoordelijkheid zonder verantwoordingsplicht. Als wij er bovendien vanuit gaan dat politiewerk uitsluitend door politiemensen maar niet door figuren uit het milieu mag uitgevoerd worden, en dat een magistraat de procedurele controle op dat politiewerk moet uitoefenen, dan kunnen wij ongetwijfeld een systeem uitwerken waarbij de verantwoordelijkheden en de verantwoordingsplicht ook tegenover het parlement duidelijk omschreven zijn. In België moet men trouwens eens met de bestaande structuren leren werken, hen verantwoordelijk maken en hen verantwoording laten afleggen aan wie het hoort : in eerste instantie aan de gerechtelijke overheden en nadien aan het parlement.

Lijkt het u niet vreemd dat u als rijkswachtgeneraal al jaren op zoek bent naar politieke gesprekspartners aan wie u nog verantwoording wil afleggen ook ?

DERIDDER : Dit is inderdaad een vreemde situatie. Ik hoop alleen dat de rijkswacht, door zelf de nodige informatie aan te brengen, voor een parlementaire doorbraak kan zorgen. Het is bovendien ongezond dat het parlement zijn inlichtingen over de gang van zaken in het politielandschap voorgekauwd krijgt van een Vast Comité van Toezicht op de Politie, dat mij sinds zijn oprichting twee jaar geleden nog niets heeft geleerd. Integendeel. Het eerste jaarverslag stond vol fouten. Al wie de leiding heeft over politie- of inlichtingendiensten, zou zich ook tot de bevoegde parlementaire commissie moeten kunnen wenden of daar ter verantwoording geroepen worden.

Deze logica staat wel haaks op de bewering dat de rijkswachttop sinds minister van Binnenlandse Zaken Tobback, onder één hoedje speelt met de SP.

DERIDDER : Het is niet omdat ik bepaalde mensen beter ken dan anderen, dat ik mijn koers en ideeën aanpas. Zij die mij al lang kennen, weten dat ik de rijkswacht al jaren op een nieuwe leest wil schoeien.

In mijn vroegere functies heb ik te veel gezien. Omdat ik toen niet aan het roer stond, kon ik wel opmerkingen maken, maar daar bleef het meestal bij. Na mijn rechtsstudies aan de Vrije Universiteit Brussel, werkte ik op het departement van Landsverdediging, waar ik mij vooral met de personeelsproblemen van de rijkswacht inliet. Zo heb ik de rijkswacht tijdens de jaren zeventig van buitenaf maar toch ook binnenin kunnen observeren. Ook mijn operationele functies op de generale staf in de jaren tachtig waren zeer leerrijk.

In de naweeën van de commissie-Van Traa wordt verwezen naar al dan niet strafbare praktijken van de intussen geschorste Antwerpse BOB-adjudant Willy Van Mechelen. Wat is er aan de hand ?

DERIDDER : Als die man strafrechtelijk over de schreef zou gegaan zijn, dan zal het gerecht hem daarvoor moeten terechtwijzen. Omdat er een gerechtelijk onderzoek loopt, kunnen wij op dit ogenblik niet exact weten wat hem ten laste wordt gelegd. Ik heb dus onvoldoende elementen om indien nodig andere maatregelen te treffen dan de schorsing. Door de publiciteit die deze zaak nu krijgt, wordt wel het hele korps in de prang genomen maar kunnen wij niet meer doen dan deze louter individueel betrokken rijkswachter schorsen. Als wij echter de strijd tegen de georganiseerde misdaad willen aanpakken de bestrijding van de corruptie incluis , dan zijn ook disciplinaire maatregelen nodig ten overstaan van ambtenaren die in verdenking worden gesteld. Nu kan dat niet. Intussen zorgen wij er wel voor dat de brigadecommandanten de eerste verantwoordelijken worden voor de interne tucht.

Kon de inspectie-generaal van de rijkswacht een en ander weten voor het gerecht deze zaak begon uit te spitten ?

DERIDDER : De inspectie-generaal hangt om begrijpelijke redenen niet af van de rijkswacht, maar van Binnenlandse Zaken en Justitie. Mocht die inspectie-generaal trouwens weet gehad hebben van mogelijke misdrijven, dan moest ook zij dat dossier automatisch afstaan aan de bevoegde magistraat. Die vertrouwt het onderzoek dan toe aan de leden van de rijkswacht of, zoals in dit geval, aan de gerechtelijke politie.

In het regeerakkoord wordt aangedrongen op ?de autonome afhandeling van bepaalde strafrechtelijke dossiers door de politiediensten.? Het parket in Brugge is gestart met een experiment terzake, maar hoever wil de rijkswacht daarin gaan ?

DERIDDER : Wij zijn pas op 1 april van start gegaan. Onderzoeken die verband houden met georganiseerde criminaliteit, zullen wellicht niet in aanmerking komen voor een autonome afhandeling. Dit kan wel voor inbraken, diefstallen en dergelijke. Toch zullen de politiediensten gaandeweg meer bewegingsvrijheid nodig hebben. Het uitschrijven van de initiële opdracht, de opvolging ervan en de controle op de aangewende politietechnieken zullen uiteraard strikt procedureel moeten geregeld worden. Al was het maar om ontsporingen te vermijden zoals die in Nederland blijkbaar mogelijk waren. Naarmate echter de opleiding van onze mensen en de wetenschappelijke politie verbeteren, zullen wij, zeker in courante onderzoeken, meer autonomie aankunnen. Dan zullen wij de ons toevertrouwde gerechtelijke onderzoeksopdrachten in eigen beheer uitvoeren en het dossier aan het parket overmaken zodra het af is. Zoiets kan slechts naarmate de wet, de mentaliteit en de werkmethodes van politie en gerecht evolueren.

Als u op dit Angelsaksische model aanstuurt, zal u in België in de plaats van een onderzoeksrechter wel degelijk een rechter van het onderzoek nodig hebben, die slechts tussenkomt als onderzoeksdaden verricht worden die de vrijheid en de privacy van de verdachte raken.

DERIDDER : Daar pleiten wij voor.

Maar het wetsvoorstel van de commissie-Franchimont ter hervorming van het strafprocesrecht wil de figuur van de onderzoeksrechter juist behouden.

DERIDDER : Dat weet ik. Toch denk ik dat het moet mogelijk zijn bepaalde beslissingen van een onderzoeksrechter te bekomen zonder dat hij of zij daarom het hele dossier te verwerken krijgt ; met alle tijdverlies van dien. Daarom pleit ik ook voor pro-actief politie-onderzoek onder het toezicht van de parketten. Daarbij zal nu en dan wel een huiszoekingsmandaat vereist zijn, maar dit kan geen reden zijn om de onderzoeksrechter met het hele dossier op te zadelen. De traagheid waarmee sommige gerechtelijke onderzoeken behandeld worden, is trouwens een van de argumenten die pleiten voor de invoering van de rechter van het onderzoek. Al te veel onderzoeksrechters zijn nu ware flessenhalzen. Deels omdat zij het aantal dossiers niet kunnen slikken. Deels omdat zij liever met welbepaalde speurders dan met structuren werken. Ook daardoor gaan veel tijd, energie en pakkansen verloren. Het is maar als de politiediensten zelf de nodige mensen en middelen inzetten dat een onderzoek zo grondig en zo breed mogelijk kan gevoerd worden.

Frank De Moor

De rijkswacht heeft begrepen dat politiewerk een vorm van dienstverlening aan de bevolking is.

Luitenant-generaal Deridder wil graag verantwoording afleggen maar verwacht ook politieke beleidslijnen.

De rijkswacht werd tweehonderd jaar geleden in de naweeën van de Franse Revolutie opgericht en beleeft nu zijn eigen culturele revolutie.

Ongeacht zijn soms zeer gespecialiseerde opdrachten, wil de rijkswacht ook instaan voor de dagelijkse basispolitiezorg.

Zelfs bij ordehandhaving wil de rijkswacht zijn charter voor ogen houden waarin sprake van een tot het strikte minimum beperkte aanwending van de macht die ons is toevertrouwd.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content