Bijna vijftig jaar lang nu al komen programmamakers van radio en televisie jaarlijks naar een Italiaanse stad. Dit keer was Bologna aan de beurt. De Prix Italia : over moderne media in historische palazzi.

IK ben moe, zei de voorzitter. Elke dag weer zeven uur televisiedrama bekijken, het is niet niets. De juryleden die hem aan de groene tafel omringden, knikten instemmend. Met zijn allen hadden ze in de afgelopen dagen 39 uur televisiedrama bekeken, in een donker zaaltje van het palazzo Re Enzo, aan de Piazza Maggiore in Bologna. Ze hebben het overleefd en nu was het zo ver : voor een publiek van internationale televisiemakers en waarnemers mochten ze bekendmaken wie, in de kategorie Fiktie, de winnaar was van de Prix Italia een van de hoofdprijzen dus van de jaarlijkse programmakompetitie die onder die naam, telkens in een andere Italiaanse stad wordt georganizeerd.

In de Cappella Farnese, op de tweede verdieping van het Palazzo Comunale, het stadhuis, zat het publiek nagelbijtend ; mensen van de BBC en van ITV en Channel Four en van NHK Tokyo, van Zweden en Hongarije, van Frankrijk en van overal maar niet van Vlaanderen, omdat de BRTN geen televisiedrama meer heeft, dat ze zonder schroom kan laten zien op een internationale kompetitie. Ooit was het anders. Ooit won het Vlaams televisiedrama “Mijn Papa, Mama” in Berlijn een Prix Futura en op Capri snauwden een Tsjechische en een Sloveense dame aan de jurytafel hun Britse voorzitter bitsig af, omdat hij hooghartig was voorbijgegaan aan “het beste drama van de kompetitie” : de BRT-inzending “Zonderlinge Zielen”.

De Prix Italia is een jaarlijkse kompetitie voor radio- en televisieprogramma’s en al heel oud. Het begon in 1948 op Capri. De inzet was aanvankelijk feestelijk : barok, boergondisch en verfijnd-aristokratisch. Het duurde wel even vooraleer de Prix Italia zou uitgroeien tot het keiharde werkfestival van nu. De jaarlijkse in september gehouden kompetitie was oorspronkelijk uitsluitend bedoeld voor de hoogste omroep-hiërarchie, die er de kans kreeg de beste radioprogramma’s (toen eigenlijk muzikale komposities) te beluisteren. Na de principiële oprichting in Capri, volgde in 1949 in Venetië de eerste èchte kompetitie, in 1953 in Palermo definitief uitgewerkt tot een wedstrijd in drie kategorieën : muziek (kunst), dokumentaire en fiktie. De televisie kwam er bij in 1957, in Taormina.

BRITS MEESTERSCHAP.

De Belgische omroep was er vanaf het begin bij. Bij de tweede uitgave, Torino 1950, werd de RTB al meteen gelauwerd voor het symfonisch verhaal “D’un diable de Briquet”, een kompositie van Raymond Chevreuille. Vlaanderen kreeg in Firenze 1954 zijn eerste onderscheiding : de door de Italiaanse Pers uitgereikte bekroning voor de beste dokumentaire, de BRT-produktie “De zon gaat op over een Wereld”, een reportage van Paul Loyet over Kongo. In Taormina 1957 volgde een tweede onderscheiding : ze ging naar de BRT-opname “De grote Verzoeking van Sint-Antonius” van Louis de Meester. De eerste prix Italia voor televisie werd dat jaar toegekend aan de destijds welbekende televisiewetenschappers Igor Barrière en Etienne Lalou van de Franse televisie.

De Vlaamse omroep maakte op de Prix Italia, te oordelen naar de bekroningen, vooral indruk met muzikale kreaties. Voor televisie viel de BRT in Genua 1964 in de prijzen met “Willem van Saeftinghe” van Frederik Devreese, en in Palermo 1966 met “Twee is te weinig, Drie is teveel”, alweer van Louis de Meester. Dan was drie keer de radio aan de beurt : in Mantua 1969 met “Ndesse ou Blues” van Elias Gistelinck, in Venetië 1971 met “Upon La Mi” van Philippe Boesmans, in Bologna 1976 met “Het Leven is geen Droom” van André Laporte. In Triëste 1984 ontving Gie Laenen de dramaprijs voor “Stemmingen”. In Lucca 1986 werd Johan Bonnens bewerking van Simenons “De Burgemeester van Veurne” bekroond met de dramaprijs voor de beste bewerking van een boek ; dit weliswaar na een verandering aan de erelijst, omdat de Amerikanen lieten weten dat hun (aanvankelijk bekroonde) werk helemaal niet naar een boek was gemaakt. Die speciale prijs heeft geen tweede uitgave gekend.

Behalve die onderscheidingen waren er voor de Vlaamse omroep vele bijna-bekroningen en vermeldingen weggelegd, zoals ook dit jaar in Bologna voor “Piazza”, met de reportage “De Mannen van de Kas” van Luc Haekens, de leuke en verwarrende 1 april-uitzending 1995.

Vooral de Britten sleepten al karrevrachten Prix Italia’s mee naar huis. Maar die hebben dan ook de beste radio- en televisiemakers ter wereld, bij de BBC, ITV en Channel Four. En toch, een beetje objektief zijn : het viel al die jaren op dat ook kleine (vaak Skandinavische) omroepen met verrassend kreatief werk uitpakken en niet alle jury’s blever er blind voor.

RAD VAN FORTUIN.

Omroepen van over de hele wereld hadden voor de uitgaven van dit jaar 173 produkties of 166 uur zendtijd ingestuurd ; verdeeld over 85 programma’s voor de radio en 88 voor de televisie. En nieuwe kandidaten staan aan te schuiven (dit jaar Rusland en Ted Turners TBS) nadat ook de èchte commerciëlen vorig jaar toegang kregen, met inbegrip van Silvio Berlusconi’s Fininvest. Het houdt voor de organizatoren een groeiende zorg in. In de praktijk organizeerde altijd al de RAI, maar eigenlijk is het RAI-gebouw alleen maar het dak boven het hoofd. De Prix Italia wordt volkomen gescheiden van de Italiaanse omroep en is het kind van de aanvankelijk uitsluitend openbare omroepen, die daarvoor een jaarlijkse bijdrage betalen die thans (zo is de vorige week beslist) 300.000 frank bedraagt.

De omroepen leveren, volgens een ingewikkelde beurtrol, juryleden voor de kompetitie. Vroeger werden die allemaal uitgenodigd, maar sinds Rome 1993, toen de Prix Italia even voordien klinisch dood was verklaard, kan al die weelde niet meer. Maar het blijft een boeiende bedoening. Ook dit jaar dus.

De inzendingen voor televisie bestonden dit jaar uit 33 dokumentaires, 30 drama’s en 25 muziek-kunst-bijdragen. En wat krijgt een televisieminnend mens daar zo allemaal te zien, anders dan het Rad van Fortuin ? Op kompetities als Prix Italia, Prix Futura, Monte-Carlo, Praag, Prix Jeunesse (jeugd) en INPUT-konferenties blijkt telkens weer dat in het nochtans woelige medialandschap en ongeacht de commerciële konkurrentie van de populaire pulp, nog mensen zoeken en wroeten en kreatief bezig zijn om, naar vorm en inhoud, kwalitatief hoogstaand audiovisueel werk af te leveren. Programmamakers die zich niet storen aan het verraad van de intellektuelen, die hen hooghartig bekijken zolang ze geen duurbetaalde kwisvragen mogen verzinnen.

Jammer dat de Vlaamse omroep tegenwoordig bochten maakt rond de Prix Italia. Vooral de televisie laat het de jongste jaren afweten. In zoverre dat ze zelfs geen belangstelling ventileert voor de laureaten, ook niet van kompetities waar de Vlaamse omroep zelf een hoofdprijs wint (Futura, Praag). Dit jaar bleef het aantal aanwezige programmamakers tot een minimum beperkt : Pieter Andriessen, Flor Stein en Edwin Brys of het kruim van de kreatieve radio en voor de televisie Peter Suetens, met een bijdrage uit zijn NV De Wereld ; wel produktie-direkteur Frans Puttemans, maar geen lid van de hogere hiërarchie of de programmadirektie dus die, zoals bij andere omroepen, samen met medewerkers kijkt en kiest en kreatief nadenkt met het oog op een zinnig invullen van de zendtijd. En die tussendoor met buitenlandse kollega’s praat over uitwisselingen en eventuele co-produkties.

PRIEST.

De Prix Italia heeft (net als bij de radio) in televisieland geschiedenis gemaakt. In Ravenna 1967 was er de beroemde Vietnamdokumentaire “La section Anderson” van Pierre Schoendorffer. Rome 1968 bekroonde de BBC-dokumentaire “Cathy come home” van Kenneth Loach : het eerste èchte dokudrama, in een stijl die een eigen genre zou worden. In 1968 dus : de jaren zestig zijn voor de televisie een zegen geweest. Firenze 1970 lauwerde de BBC met de beroemde “The six wives of Henry VIII” en evengoed de ARD voor “Rotmord” van Tankred Dorst en Peter Zadek. In Parma 1992 trad wéér de BBC op het voorplan met “War, Lives and Videotapes”, het eerste belangwekkende projekt van video-dagboek.

In Bologna was veel sukses weggelegd voor Priest, de drama-inzending van de BBC, die het werk eerst op 11 november zal uitzenden. De Britse film loopt sedert Berlijn al een tijd in buitenlandse bioskopen en zadelt daardoor de Prix Italia met een probleem op. Het is film, maar het gaat tenslotte om een omroep-produktie, bedacht en uitgewerkt voor de televisie en dat gehoorzaamt geheel aan de meest recente interpretatie van het reglement ook al kent de film ook een bioskoop-carrière. Twee jaar geleden rees het probleem al met Riff Raff van Ken Loach en dit jaar alweer met zijn bij ons ook al vertoonde Raining Stones (uitzending bij Channel Four op 31 oktober). De werkgroep heeft het probleem opgelost : inzendingen moeten voor televisie gemaakt en eerst door de eigen omroep uitgezonden zijn, de eventuele bioskoop-verspreiding naderhand doet er niet toe. Terloops : Priest is geschreven door de katolieke auteur Jimmy McGovern, scenarioschrijver van de uitstekende Cracker-serie van ITV, dat naar Bologna een aflevering (“Mad Woman in the Attic”) had ingezonden. Iemand van de BRTN meegekeken ?

Behalve de drie voormelde werken, waren er een tiental drama’s die aandacht en uitzending verdienen. De jury bekroonde de (in elk opzicht) bescheiden Slovaakse inzending “De tuin”, gecharmeerd als ze was door het tema van terug-naar-de-natuur (er treedt voorwaar een Frans personage in op dat Rousseau heet). De speciale prijs, de afgelopen jaren gelukkig weer vaak bestemd voor zoekend werk, ging naar de Canadese bijdrage “32 Kortfilms rond Glenn Gould”. De Canadezen twijfelden : drama, dokumentaire of kunst. Het had inderdaad in èlke kategorie gekund : flarden van een biografie, autentiek en geakteerd, geënt op de “Goldberg Variationen” van Bach, bizar, gedurfd en prijzen(s)waard.

Lovende woorden sprak de jury over “De Partizanen”, van de KRO-BRTN. Een speciale vermelding ging naar het Hongaarse “Café Sarajevo”, een verwarrend en bevreemdend drama, vermengd met aktualiteit van toen en nu, in de sfeer van de vooroorlogse Berlijnse (en allicht ook Boedapester) kabaretten : cynisme, satire en dekadentie in schitterende liedjes (genre : “we are from Amnesia International” en : “de laatste die het land verlaat, doet het licht uit”).

PYGMEEEN.

Channel four pakte de dokumentaire-hoofdprijs met het even onthutsende als ontroerende “The Betrayed”, een reportage-verslag rond de Russische moeders die hun zoon-soldaat in Tsjetsjenië gaan opzoeken. De jury gaf de speciale prijs aan de Amerikaanse PBS-dokumentaire “Hoop Dreams”, drie uur lang het in vijf jaar opgenomen relaas van twee jonge Afro-Amerikanen op weg naar de top van het basketbal. De wat verbazend lovende woorden in een RAI-persbericht over de BRTN-inzending “Gebroken Dromen” (Dirk Vandersypen voor NV De Wereld op de zeepromenade in Havana) leverde geen prijs op, maar wel veel bewonderende reakties. Maar wat de jury ervan vond, bleef een zorgvuldig bewaard geheim : de (alweer Britse) diktatoriale juryvoorzitter verhinderde een evaluatie, onder protest van twee moedige vrouwelijke (Deense en Italiaanse) juryleden. De jury hadden ook “En Quête de Banlieu” van de RTBF kunnen vermelden, een reportage van (de ooit al met de Prix Italia bekroonde) Manu Bonmariage. De Fransen evokeerden schitterend “Funk Rio”, de Duitsers de ware (en uitermate hilarante) global village met mensen over de hele wereld die naar Brasil-Italia kijken (“The final Kick”). De BBC liet in “The Dead”, sober en aangrijpend, mensen vertellen over hun in Noord-Ierland omgekomen geliefden. En de Bosnische televisie luisterde een half uur lang naar de monoloog van “Suzanna in de Kelder”, het fascinerende meisje in Sarajevo, dat al de tweede prijs van de Prix Europe veroverde. Ik bedoel maar.

Minder ophef maakt meestal de kategorie muziek-kunst. Voor de vierde keer al mocht de Zweedse Inger Åby de Prix Italia in ontvangst nemen, dit keer voor haar zeer konventionele verfilming van Stravinsky’s “The Rake’s Progress”. Maar het is waar, Barbara Hendricks en Hakan Hadegard zijn vokaal èn visueel fascinerend mooie mensen. En de RTBF kreeg de speciale prijs voor Baka, een film van Thierry Knauff (in Parma 1963 gelauwerd voor een origineel dokument rond Webern) over de band tussen de kultuur en de muziek van de pygmeeën en de natuur. Kultuur is niet het monopolie van ons, hier in het Westen, zei de juryvoorzitter, heel lucied en terecht diep ontroerd.

De organizerende RAI had, zoals vrijwel altijd, alweer geen prijs maar dit terzijde. Volgend jaar beter, misschien. Dan reist het gezelschap naar Napoli.

Huib Dejonghe

“Baka” van Thierry Knauff : Prix Italia, kategorie muziek-kunst, speciale prijs.

Barbara Hendricks en Hakan Hadegard in “The Rake’s Progress” : vokaal en visueel mooie mensen.

“Café Sarajevo” : Hongaarse satire in Boedapester kabaret.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content