Jacques Sys
Jacques Sys Jacques Sys is hoofdredacteur Sport/Voetbalmagazine

Ernest De Vuyst, voorzitter van de Belgische wielerbond, trekt met erg gemengde gevoelens en een wegwerpploeg naar het WK in het hoge, Colombiaanse Duitama.

DE UCI, de internationale wielerfederatie, dreigt zichzelf voorbij te hollen in haar drang om te mondializeren. Nadat eerder pogingen om een Europees produkt in andere kontinenten te promoten niet helemaal lukten, lijkt de organizatie van het wereldkampioenschap wielrennen, volgend weekend in het Colombiaanse Duitama, een miskleun van de eerste orde. Het korrupte Zuidamerikaanse land gaat gebukt onder een hoge kriminaliteit en alle wilde verhalen over onveiligheid grepen verschillende toprenners dankbaar aan om de nog altijd belangrijkste eendagswedstrijd van het jaar van hun programma te schrappen.

Dat moet een zware klap zijn voor Hein Verbruggen, de Nederlandse UCI-voorzitter die zijn federatie als een marketingman leidt, kortzichtigheid verving door een lange-termijnpolitiek en zo het gezicht van de professionele wielersport resoluut veranderde. In het kader van die vernieuwingen gooide hij ook de kalender door elkaar en verschoof het wereldkampioenschap van eind augustus naar begin oktober, om zo de wedstrijden beter te spreiden. Maar het seizoen is zo slopend dat het veel mentale sterkte vergt om nu nog een specifiek voorbereidingsprogramma in te lassen voor deze race om de regenboogtrui : omdat er in Colombia op drieduizend meter hoogte wordt gestreden, is een lange hoogtestage voordien een strikte noodzaak. Van alle toprenners bracht alleen Tour-winnaar Miguel Indurain die geestelijke kracht op. Hij ziet zich zondag meteen gebombardeerd tot grote favoriet.

De Belgische profploeg die in Colombia start, omvat renners van het derde garnituur. “Als één van hen de wedstrijd uitrijdt, mogen we heel tevreden zijn, ” weet Ernest De Vuyst, overdag werkzaam bij Electrabel en sinds vijf jaar voorzitter van de wielerbond. De Brabander nam dit logge apparaat in handen en profileerde zich als een soort kruisvaarder tegen de krisis. Maar niemand kan zich van de indruk ontdoen dat er aan de Brusselse Globelaan veel gepraat maar weinig gekonkretizeerd wordt. De Vuyst bestrijdt dat echter met klem. Na een lange donkere periode ziet hij in de verte weer licht flikkeren. Omdat Johan Museeuw de wereldbeker gaat winnen en sinds Frank Vandenbroucke in Parijs-Brussel een staaltje van zijn intrinsiek talent demonstreerde, bespeurt De Vuyst bij de jongeren een resolute mentaliteitsverandering. Vooral bij de juniores wemelt het van het talent. “Binnen vijf jaar staan we weer aan de top, ” poneert De Vuyst. Maar in afwachting daarvan moet België in Colombia vrede nemen met een figurantenrol.

– ERNEST DE VUYST : Sommigen vroegen me : waarom gaan jullie met zo’n ploeg eigenlijk naar Colombia ? Wegblijven zou natuurlijk heel gemakkelijk zijn, dat is acht à negen miljoen frank gewonnen voor ons, budgettair lijkt me dat fantastisch. Van de andere kant moet je ook in een moeilijke periode durven doorbijten. Als ik zou roepen dat we niet naar het wereldkampioenschap gaan en ik moet op hetzelfde moment centen vragen aan de officiële instanties voor de sponsoring van ploegen of voor de opleiding van jeugd, lijkt me dat moeilijk met mekaar te verenigen. Ook al bestaat er een kans dat heel de ploeg opgeeft. Maar met die gedachte mogen we niet vertrekken. De voorbereiding was meer dan behoorlijk. En sommige renners, zoals Kurt Van de Wouwer, hebben al geroepen : we gaan laten zien dat we meer zijn dan invallers.

– Kunt u begrijpen dat de toppers afzeggen ?

– DE VUYST : Enerzijds wel, het seizoen is zwaar geweest, het tijdstip valt heel ongunstig. Maar anderzijds moet ik toch zeggen : deontologisch is dat niet verantwoord. Een grote kampioen moet in alle omstandigheden durven aantreden. Ook al zijn die in Colombia moeilijk, vraagt die wedstrijd een specifieke voorbereiding, er zijn toch renners die dat hadden kunnen doen. Museeuw bijvoorbeeld, of Vandenbroucke die me aanvankelijk twee keer beloofde dat hij zou meegaan. Maar dan vermoedelijk onder druk van zijn ploeg terugkrabbelt. Ik kan moeilijk met een geweer achter hen gaan staan om hen te verplichten naar ginder te trekken. Als ze niet de instelling hebben van een echte topsporter, niet aangedreven worden door de gedachte dat ze als prof in een wereldkampioenschap iets moeten presteren, dan sta je machteloos. Met alle begrip voor de argumenten die de renners inroepen om het wereldkampioenschap te verzaken : ik vind dat je als topsporter de motivatie moet kunnen opbrengen om naar ginder te gaan. Dat maakt het verschil tussen de hele groten en degenen die iets minder zijn.

– Het is geen toeval dat Miguel Indurain wel start.

– DE VUYST : Zeker niet. En het opmerkelijke is dat je Indurain niet één keer hoorde klagen. Hij heeft geen cinema gemaakt, bleef weg uit de Ronde van Spanje om zich voor te bereiden en gaat nu proberen die regenboogtrui te pakken.

– Achteraf bekeken waren de kalenderherschikkingen van het UCI toch niet zo gelukkig. Een Ronde van Spanje in september, met veel uitgebluste renners aan de start. En dan een wereldkampioenschap in oktober.

– DE VUYST : Ik vind die datum heel ongelukkig. De interesse van het publiek is er niet meer, de hoogtepunten zijn in wezen al voorbij. Volgens mij moet een wereldkampioenschap in mei of juni worden gereden, voor de Ronde van Frankrijk. Zo voer je het seizoen op naar een climax : eerst de lenteklassiekers, dan de kleine rittenwedstrijden, vervolgens het wereldkampioenschap en uiteindelijk de Ronde van Frankrijk. Om dan alle herfstklassiekers in september doorgang te laten vinden en niet meer in oktober. Dan kom je ook tot een bepaalde spreiding van de kalender en maak je het niet meer mee dat renners van het gehalte van Laurent Jalabert afzeggen voor Parijs-Tours en de Ronde van Lombardije.

– Van de plannen van Hein Verbruggen om de wielersport te mondializeren blijft ook niet veel over. U stond daar van in het begin nogal sceptisch tegenover.

– DE VUYST : Omdat je een produkt moet verkopen aan de man die het kan gebruiken. Het hart van de wielersport klopt nog altijd in West-Europa, dat moet je zo houden. Je kan de wielersport zoals die hier bedreven wordt, niet exporteren.

– Daarom heeft ook een wereldkampioenschap in Colombia geen zin.

– DE VUYST : Absoluut niet. Zeker niet als je kijkt welke criteria er worden gesteld. Neem bijvoorbeeld de kategorieën van wedstrijden. Er zijn er nu een stuk of 22, als je nu nagaat hoeveel jaar je moet organizeren om qua niveau een trap op te schuiven, als je weet hoe wij moeten vechten om Parijs-Brussel volgend jaar in een weekend te krijgen, je moet daarvoor bij wijze van spreken iedereen omver rijden. En dan gaat men plotseling in een apenland, tenminste wat wielersport betreft, op drieduizend meter hoogte een WK geven. Zonder bewijs van goede organizatie, van betrouwbaarheid. Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet, er bestaat voor een wereldkampioenschap een lastenboek waarin alle voorwaarden staan waaraan voldaan moet worden, nu blijkt men die allemaal vergeten te zijn. En dat alleen om het gezicht te redden van bepaalde mensen.

– Hoe bedoelt u ?

– DE VUYST : Colombia was al lang kandidaat. De voormalige voorzitter van de Colombiaanse wielerfederatie, Bermudes, deed jaren aan een stuk op zijn troon een uiteenzetting om het WK in zijn land te krijgen, daar werd altijd mee gelachen. Bermudes is zo’n maffia-figuur, altijd mooi gekleed, altijd in het gezelschap van een ander jong meisje, niemand nam die man serieus. Maar uiteindelijk heeft hij het toch gehaald. Terwijl je toch geen wereldorganizatie weggeeft om iemand te plezieren. Dat moet sportief, commercieel en publicitair passen. Ik denk dat het hoofdbestuur van de UCI zich toch op een en ander heeft verkeken. Het olympisch komitee is daarin veel efficiënter. Ze kennen de kampioenschappen veel langer van tevoren toe, zodanig dat men een periode heeft om de zaken op te volgen en dat er eventueel ruimte blijft voor alternatieven.

– Gaat Verbruggen in zijn pogingen om de wielersport te hervormen uiteindelijk niet te ver ?

– DE VUYST : Ik zei al jaren geleden : Verbruggen maakt de wielersport onbereikbaar. Je moet proberen op een moderne wijze te werken, maar je dient erover te waken dat de wielersport toegankelijk blijft voor de mensen die het financieel moeten dragen. En dan heb ik het ook over de organizatoren. Stel dat wij ons kandidaat zouden stellen voor het wereldkampioenschap in 2002, dan moet je vaststellen dat we daartoe financieel niet in staat zijn. En op wie moet je dan in een land zonder multinationals rekenen ? Op het ministerie dat ook al schulden heeft en dat misschien driehonderd miljoen frank aan de voetbalsport geeft voor het EK, maar niet zal bereid zijn om vijftig miljoen frank voor zo’n evenement uit te trekken ? En met vijftig miljoen kom je er niet meer, zo’n organizatie kost minimaal tweehonderd miljoen frank. Terwijl we een WK in 1988 in Ronse nog konden houden voor naar schatting zeventig miljoen. Die prijzen zijn dus verdrievoudigd, de UCI loopt met alle sponsoring weg, met de televisierechten, wat moet je dan doen ? De kosten dragen en hopen dat er wat kruimels van tafel vallen ? De organizatie van een wereldkampioenschap is echt niet meer haalbaar.

– De sponsoring van een ploeg kan voor de meeste bedrijven ook niet meer. Want Hein Verbruggen roept : met honderd miljoen frank kom je niet meer toe.

– DE VUYST : Daarom vraag ik me ook af waarmee die man bezig is. Je merkt trouwens overal dat de lonen fors teruggaan, dat het anders allemaal niet meer valt op te brengen. Ik ben tevreden dat we over een paar ploegen beschikken met een budget van vijftien à twintig miljoen frank, die geven jonge renners de gelegenheid om te rijpen. Verbruggen wilde de wielersport vergelijken met de formule 1, voor mij mag dat allemaal, maar ik moet jammer genoeg zeggen : hij kent het terrein niet. Hij bouwt een mooi dak maar er staan geen fundamenten onder.

– Hoe staat het met de fundamenten in de Belgische wielersport ? Er wordt al jaren geschreeuwd dat er anders met de jeugd moet worden gewerkt, maar het lijkt bij holle woorden te blijven.

– DE VUYST : Dat vind ik dus niet. Volgens mij zijn we op dit moment heel goed bezig. Het enige waar wij alle provinciale afdelingen moeten van doordringen, is dat zij aan echte opleiding doen. Dat betekent : helemaal afstappen van de oude metode, trainers aantrekken, aan wetenschappelijke begeleiding doen. Zoals wij nu op nationale schaal bezig zijn, met Paul Ponnet als trainer. Natuurlijk moet je altijd over grondstof beschikken om goed te werken. Maar niemand kan mij wijsmaken dat de Belgische kinderen minder sterk zijn dan die in Frankrijk of Italië. De oorzaak moet je op andere vlakken zoeken. Daar zijn we nu aan bezig. Ik heb altijd gezegd : het resultaat zal maar te zien zijn over vijf jaar. De wielersport is de afgelopen tien jaar verschrikkelijk snel geëvolueerd, daar moet je op inspelen. En wij zijn te lang blijven stilstaan.

– Waar liggen de klemtonen in die andere manier van werken ?

– DE VUYST : Vooral op het vlak van de begeleiding. Onze trainer, Paul Ponnet, gaat specifiek werken met een groep, hij schrijft trainingsprogramma’s, hij bedient zich van wetenschappelijke middelen, bepaalt wanneer renners moeten rusten en bijtrainen. Over iemand als Ponnet zouden alle provincies moeten beschikken. Daar willen we nu naar streven. De basis van de wielersport blijven uiteindelijk de klubs.

– Maar we wisten toch al langer dat daar een en ander schortte ? Waarom begint u de wetenschap pas nu te gebruiken in de trainingsmetodiek ? In Italië zijn ze daar al bijna tien jaar mee bezig.

– DE VUYST : We maakten op een gegeven moment een bepaalde keuze. We willen in die wetenschappelijke-medische begeleiding niet te ver gaan, we willen nog ruimte laten om een goede beroepsrenner te maken. Dat betekent dat we erover waken dat de amateurs nog niet aan hun plafond zitten op het moment dat ze naar de beroepsrenners overstappen. Ons uitgangspunt is : de renners op een middellange periode laten doorgroeien.

– De opleiding blijft het grote probleem in de wielersport : de jeugd rijdt zich onbesuisd te pletter en ontwikkelt zich te eenzijdig.

– DE VUYST : Mensen beseffen te weinig : in feite moet je voor wielrenner studeren. Het is een investering voor jaren. Bij ons denken ze nog altijd dat je dertig koersen per jaar moet winnen om renner te worden. Terwijl het tegendeel nu almaar meer wordt bewezen. Kijk naar Axel Merckx. Ik heb dat al een paar keer gezegd : mocht het talent waarover we destijds in zijn jeugdreeks beschikten, zoveel wilskracht en volharding etaleren als hij, dan hadden we heel goeie renners. Maar daar gaat het mis. De karaktersterkte ontbreekt, dat moet je blijven herhalen. En ook : de renners moeten leren trainen. Dat is één van de redenen waarom we die midweekwedstrijden afschaften. Daar kwam veel heisa rond, maar er werd te veel gekoerst, waardoor men te weinig naar specifieke wedstrijden toeleefde. We wilden de jonge renners gewoon tegen zichzelf beschermen.

– Is het niet zo dat het de bond ondanks alle ideeën aan een duidelijke visie ontbreekt ? Vaak zie je dat er plannen worden geboren en uitgevoerd, maar dat die vervolgens in de prullenmand beladen. Of worden herroepen. Bijvoorbeeld : klubs met 25 renners mochten eerst niet en dan weer wél blijven bestaan. Of : eerst wordt een versnellingstoestel verboden en dan weer beperkt toegelaten.

– DE VUYST : Ik ben nu al twaalf jaar bij deze federatie betrokken. We leefden toen nostalgisch, ik zei toen : we zullen op een en ander moeten anticiperen of we gaan veel op onze kop krijgen. Intussen kregen we ook veel op onze kop.

Ik zag toen, bijvoorbeeld, een wildgroei van klubs, iedereen wilde een klub oprichten en ging maar doen alsof. Daarom werd gezegd dat mensen over 25 renners moesten beschikken om met een klub te beginnen. Nu pasten we dat weer aan omdat we zien dat klubs met 120, 130 renners niet meer kunnen overschakelen naar moderne strukturen, dat zij niet meer in kleine groepen kunnen werken. Men zegt niet voor niets : individueel onderwijs is het beste onderwijs.

Wat dat verzet betreft, wellicht gaat dat weer veranderen naar vroeger. Daar komt te veel reaktie op. Iemand van vijftien jaar die bergop moet rijden, heeft de macht niet om dat te doen, die moet kunnen schakelen. Waarom zou je dan een bepaalde beslissing niet mogen herroepen ?

– Maar ze zeggen dan wel : bij de bond weten ze niet waarmee ze bezig zijn.

– DE VUYST : Sommige dingen komen misschien paniekerig over. We zochten altijd naar beter, we probeerden op iedere vraag een antwoord te geven. En dat is niet altijd goed.

– Het lijkt op paniekvoetbal.

– DE VUYST : In wezen is wat gebeurt toch logisch, dat werkt in een firma toch niet anders ? Wie geen verkoop meer voor zijn produkt heeft, gaat toch ook proberen dat produkt beter te maken, of beter aan de man te brengen. En dat betekent dat hij in een korte periode zoveel mogelijk uittest. In de bond is het bovendien ook zo : ze willen voor iedereen het gepaste reglement maken en het gepaste antwoord geven. En dat gaat niet. In een beleid, in een management, moet je soms al eens cru kunnen zijn.

– En is dat inderdaad niet een probleem ?

– DE VUYST : Voor bepaalde mensen wel, voor mij niet. Ik probeer te werken zoals in een moderne firma.

– Maar is dat wel mogelijk in een federatie met specifieke strukturen en een bepaalde mentaliteit ? Want het is toch bekend dat er te veel wordt gewerkt in een sfeer van : als jij me een dienst bewijst, dan doe ik wel iets voor een ander.

– DE VUYST : Daar ben ik dus een pertinent tegenstander van. Ik krijg soms ook kritiek, omdat ik zeg : in een modern bedrijf kan dat dus niet, het is aan een manager om zoiets te leiden, die moet uit het bedrijfsleven komen. Ik ga niemand naast mij aanstellen om een ander een plezier te doen. En dat botst soms, dat geef ik toe. In een beleid moet men het beleid zien. En niet zichzelf als persoon. Ik heb enkel en alleen de strategie voor ogen, de federatie. Maar iedereen denkt er zo niet over. Er zijn tafelspringers.

– Is het niet zo dat de werking van de bond vertraagd wordt omdat alles nog via bepaalde kommissies moet passeren ?

– DE VUYST : Er zijn inderdaad veel kommissies, maar dat vind ik niet erg. Ik schafte er al een paar af en ik ga er nog afschaffen. Om direkter te kunnen werken. Waar ik in de toekomst voor ga pleiten, is dat je autonoom de zich opdringende beslissingen op sportvlak kan nemen en dat je geen tien weken dient te wachten alvorens je de goedkeuring krijgt van de algemene raad, een direktiekomitee waarin 37 beheerders zetelen. Een firma zou nooit kunnen funktioneren in zo’n konstellatie. Met alle respekt voor die mensen, maar dat is een beetje plaatsjes weggeven. Ik ben ervoor om direkt beslissingen te laten nemen en die te laten uitvoeren, wij mogen niet vervallen in ambtenarij. Een sportfederatie is natuurlijk geen gewone firma, men zit daar altijd met een zaak van mandaten. Dat betekent : men wil er iemand uitgooien, maar die is verkozen. En als die man het dan nog een keer als een tijdverdrijf beschouwt om een keer naar Brussel te komen, dan kan je niet honderd procent funktioneren. Ik zeg altijd : als je komt, dan moet je werken, het moet hier vooruitgaan. Misschien ga ik soms iets te vlug, dat is mijn karakter, ik rijd soms op kop en als ik achter me kijk, zijn de anderen gelost. Let wel, er wordt al veel efficiënter gewerkt. De tijd dat ik aan drie kommissies moest vragen of ik een vlag van duizend frank kon kopen, is voorbij. Ik wil van dat oude gedoe uit een vorig tijdperk afstappen.

– Vindt u dat het imago van de wielersport op dit moment goed is in België ?

– DE VUYST : Ik konstateer in ieder geval dat wij veel gemakkelijker toegang hebben tot de officiële instanties, er is meer vraag naar samenwerking. Mochten wij nu doorbreken op sportief vlak, dan zouden wij tot een sportfederatie uitgroeien die zijn voet mag plaatsen naast de voetbalbond. Ik vind ook : als wij als federatie een goed beheer tonen en vertrouwen kunnen uitstralen naar bepaalde firma’s en duidelijk maken dat ze geen 100 miljoen frank nodig hebben om een goeie ploeg te maken, dan kunnen we veel weerstanden overwinnen. De afgelopen jaren had iedereen schrik van de wielersport. De federatie moet respekt afdwingen bij mensen die het een beetje afstandelijk bekijken. Daarom grepen wij na dat Belgisch kampioenschap in die affaire met Johan Capiot ook meteen in. Ik zei Johan heel duidelijk : jij draagt er mee de schuld van dat de wielersport een slechte naam heeft.

– Maar om de belangstelling op te krikken, zijn er vooral internationale toppers nodig.

– DE VUYST : Ik vind dat we qua eendagswedstrijden niet mogen klagen. Er zijn weinig betere klassieke renners dan Johan Museeuw. Ik verwacht de doorbraak van Tom Steels. We hebben nog Wilfried Nelissen die moet beseffen dat het volgend jaar erop of eronder is. Veel brains zitten er niet in, maar er moet hem bijgebracht worden dat hij voor zijn beroep moet leven, dan haalt hij internationaal niveau. En Frank Vandenbroucke lijkt toch te bevestigen. Al is het de vraag of hij over de fysieke weerbaarheid beschikt om tot een topper uit te groeien. Hij heeft de inzet, het karakter, maar de carrosserie moet standhouden. Ik stond naast hem op het podium na zijn zege in Parijs-Brussel en toen schrok ik toch een beetje, zo’n dunne beentjes, zo weinig schouders. Niettemin : ik zie de toekomst heel optimistisch in. Zeker op middellange termijn. Want ik herhaal het, we beschikken over heel goeie juniores, gasten met de juiste mentaliteit, geen renners die van heimwee vergaan als ze een paar dagen van huis zijn.

– En die op de juiste manier begeleid en gestuurd worden en zich niet laten omringen door mensen die de renners prestaties willen zien behalen voor de eer en de glorie van zichzelf.

– DE VUYST : Ik zei hier vorige week op de bond nog : wij beheren de wielersport. Maar wij moeten niet bezig zijn voor onszelf. Wij moeten in het belang van de wielersport handelen. Als iedereen daar zo over zou denken, dan zouden we een hele stap verder zijn.

Jacques Sys

Ernest De Vuyst, voorzitter van de Belgische wielerbond : “Ik moet geen drie kommissies meer passeren om te vragen of ik een vlag van duizend frank mag kopen. “

Frank Vandenbroucke wint Parijs-Brussel : dunne benen.

Axel Merckx in de Vuelta : voorbeeldfunktie voor de Belgische wielerjeugd.

Miguel Indurain : topfavoriet.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content