‘Scholen hebben meer vrijheid dan ze vermoeden’

Bert Smits: ‘Scholen kijken veel te weinig naar buiten om te zien hoe de samenleving aan het veranderen is.’ © Dieter Telemans

Telkens als Vlaanderen achteruitboert in een onderwijsranking bedenken de minister van Onderwijs en de koepels nieuwe maatregelen. ‘Scholen en leerkrachten kunnen nauwelijks nog ademen’, zegt onderwijsvernieuwer Bert Smits. ‘Terwijl zij de enigen zijn die ons onderwijs écht kunnen veranderen.’

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

‘Als scholen de ruimte die ze hebben niet genoeg benutten, dan neemt de overheid die meer en meer in. Dat is wat we nu al jaren, minister na minister, zien gebeuren’, zegt sociaal pedagoog Bert Smits. ‘Zo’n minister doet dat niet vanuit grote strategische overwegingen, maar wel omdat we achteruitboeren in de internationale rankings. Telkens als we met slechte resultaten worden geconfronteerd, voelt hij zich haast verplicht een oplossing naar voren te schuiven.’ Smits weet waarover hij het heeft. Als gedelegeerd bestuurder van Schoolmakers helpt hij scholen uit heel Vlaanderen om vernieuwende onderwijsinitiatieven op de sporen te zetten. ‘In zo goed als alle scholen waarmee ik werk, zie ik hetzelfde patroon terugkomen: de directie en de leerkrachten beseffen niet hoeveel ruimte en vrijheid ze eigenlijk hebben. Nochtans zal de grote vernieuwing van hen moeten komen.’

Nieuwe rapporten zijn koren op de molen van leraren die zich tegen elke vernieuwing verzetten en willen lesgeven zoals ze altijd al hebben gedaan.

Waarom moet het onderwijs zo dringend worden verbouwd?

Bert Smits:Omdat de manier waarop we het organiseren gewoon niet meer werkt. De afgelopen decennia zijn er almaar koterijen bijgebouwd, terwijl er amper iets werd afgebroken. Dat komt vooral doordat de samenleving steeds meer van het onderwijs is gaan verwachten. Scholen moeten hun leerlingen altijd weer nieuwe dingen aanleren, van burgerschap en financiële geletterdheid tot reanimatietechnieken. Ondertussen moet er ook meer aandacht gaan naar het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen, neemt de diversiteit in scholen toe en moet er ook op inclusie worden ingezet. We nemen al lang geen genoegen meer met een collectief onderwijssysteem. Tegenwoordig moeten scholen aan de individuele noden van kinderen en jongeren tegemoetkomen. Het gevolg is dat er in dezelfde lestijd veel meer moet gebeuren dan vroeger. Op den duur is dat niet meer haalbaar.

Ondertussen klagen veel leerkrachten net dat de vernieuwingen elkaar zo snel opvolgen dat zij niet meer kunnen bijbenen.

Smits: De inzichten evolueren zo ontzettend snel dat leerkrachten amper de tijd krijgen om ze te filteren, te verwerken en op een gestructureerde manier door te geven. In het onderwijs verlopen zulke processen dan ook nog eens erg traag. Meer dan een halfjaar nadat de nieuwe eindtermen voor de tweede graad van het secundair onderwijs moesten worden ingevoerd, zijn ze in Brussel nog altijd over de kwaliteit en het nut ervan aan het bakkeleien. Tegen de tijd dat de scholen ze helemaal hebben verwerkt, dreigen ze alweer achterhaald te zijn. De samenleving evolueert tegenwoordig dus veel sneller dan de scholen.

Nogal wat leerkrachten beweren dat die eindtermen zó gedetailleerd zijn dat ze hun vrijheid als lesgever verregaand beknotten. Terecht?

Smits: Op zich zijn die nieuwe leerdoelen wel relevant, maar het zijn er zo veel dat het amper nog te organiseren valt. Het gevolg is dat veel leraren tijd te kort komen. Valt er aan het begin van het schooljaar een lesuur weg, dan vrezen ze al dat ze niet meer door de leerstof zullen raken. Zo blijft er natuurlijk weinig ruimte over om eigen accenten te leggen. Tenminste, dat denken ze. In werkelijkheid hebben scholen meer vrijheid dan ze zelf vermoeden, maar ze vullen ze te weinig in.

Hebben ze niet gewoon te weinig tijd?

Smits:Het probleem is vooral dat ze de tijd die ze wel hebben niet op de best mogelijke manier gebruiken. Zo zouden scholen veel efficiënter kunnen omgaan met de kostbare lerarentijd. Voor sommige vakken, zoals geschiedenis, zouden ze bijvoorbeeld alle klassen van een leerjaar in een grote aula samen kunnen zetten. Op die manier is er maar één leerkracht nodig om instructie te geven aan vier, vijf klassen. Minstens drie andere leraren hebben dan de handen vrij om samen lessen voor te bereiden, leerlingen individueel te begeleiden, aan kleine groepen les te geven of onderzoeksopdrachten uit te voeren.

Staat de klassieke indeling van de meeste Vlaamse schoolgebouwen, met een lange gang met aan elke kant identieke klaslokalen, dat soort vernieuwingen niet de weg?

Smits: Ook op dat vlak is er veel meer mogelijk dan vaak wordt gedacht. Onlangs nog bezocht ik een school waar ze volgens de directeur veel te weinig plaats hebben. Hij vertelde me dat er zelfs concrete plannen zijn om een nieuw gebouw op te trekken. Nochtans is er in die school een prachtige, grote aula die maar een paar keer per jaar volloopt voor het schoolfeest of een toneelopvoering. Voor aardrijkskunde en biologie zijn er dan weer vaklokalen die voor niets anders worden gebruikt en dus vaak leegstaan. Nochtans is er geen enkele reden waarom daar ook geen andere vakken kunnen worden gegeven. Het enige wat erop wijst dat het om een aardrijkskundelokaal gaat, is een grote kaart aan de muur. De meeste scholen hebben ook een hele grote refter waar amper gebruik van wordt gemaakt. De leerlingen komen er alleen om ‘s middags hun boterhammen op te eten of om studie te volgen wanneer een leerkracht afwezig is. Het is dus niet zozeer de indeling van gebouwen die vernieuwingen bemoeilijkt, maar wel de schoolorganisatie.

Wat is daarvan de oorzaak?

Smits: De meeste scholen werken nog altijd met klassieke lesroosters, en dat maakt het heel moeilijk om nieuwe dingen uit te proberen. Het kost directies bloed, zweet en tranen om die ingewikkelde puzzel te leggen, want elk lesuur moet worden gekoppeld aan een vak, een leerkracht en een klaslokaal. Neem je een van die kaarten weg, dan dreigt het hele kaartenhuis in elkaar te storten. Stel dat je als leerkracht graag eens een halve dag met een klasgroep aan de slag wilt gaan in plaats van de traditionele vijftig minuten. Dan is de kans groot dat je collega’s zullen protesteren omdat zij daardoor lestijd verliezen of op een ander moment moeten lesgeven.

© Dieter Telemans

Zijn het dan de leerkrachten zelf die mogelijke vernieuwingen in de weg zitten?

Smits: Dat is te sterk uitgedrukt. Het helpt in elk geval niet dat leerkrachten in heel strakke structuren moeten werken. Daar proberen ze vaak uit te breken door individuele vrijheden na te streven. Zo oefenen veel leraren druk uit op de directie om een zo goed mogelijk lesrooster te krijgen. Dat gaat dan over het vak dat ze willen geven, de dagen en uren waarop ze het liefst lesgeven en de klasgroepen die ze verkiezen. Haast altijd zijn het de leerkrachten met de langste staat van dienst die hun eisen ingewilligd zien. Op die manier loopt het systeem natuurlijk vast, want al die individuele wensen dienen het algemene belang van de school niet. Lessenroosters zouden in de eerste plaats met het oog op leren in elkaar moeten worden gepuzzeld. Mochten die kleine privileges allemaal in één grote pot worden gegooid, dan zouden scholen al veel meer ademruimte hebben om vernieuwingen uit te proberen of door te voeren. Bovendien zou het werk van beginnende leerkrachten een pak aantrekkelijker worden, want vandaag krijgen zij vaak de lesuren, vakken en klassen die niemand anders wil. In een tijd van nijpend lerarentekort is dat natuurlijk niet zo verstandig.

Veel scholen kopen nu halsoverkop laptops aan, zonder goed na te denken hoe het verder moet.

Vorig schooljaar vonden in Vlaamse scholen in totaal 1547 directiewissels plaats. Nogal wat directeurs houden het blijkbaar voor bekeken omdat de job hen te zwaar wordt.

Smits: Dat is niet zo verwonderlijk. De laatste jaren zien we steeds vaker dat er ergens een directeur of directieploeg aantreedt die het anders wil aanpakken en de leerkrachten meer bij het schoolbeleid wil betrekken. Jammer genoeg lopen velen binnen de kortste keren tegen hindernissen aan. Dat begint al wanneer zo’n directeur zijn team wil samenroepen om een paar uur te brainstormen. Wanneer doe je dat? Op schooldagen zijn er geen momenten waarop iedereen een vrij uur heeft, en meestal is er onder de leerkrachten weinig animo om op woensdagmiddag te vergaderen. Mensen die al twintig of zelfs dertig jaar op de oude manier werken, staan in veel gevallen ook niet erg open voor vernieuwing. Sommigen hebben jaren geklaagd dat hun directeur veel te autoritair was. Maar als hij wordt vervangen door iemand die hun meer vrijheid en inspraak geeft, dan hebben ze het daar ook moeilijk mee. Op die weerstand bijten directies hun tanden stuk. Om een schoolcultuur echt te veranderen, is er twee, drie, soms zelfs vijf jaar nodig. Niet elke directeur houdt het zo lang vol. Daarom is het een goede zaak dat nu op de professionalisering van directies wordt ingezet. Met Schoolmakers werken we in opdracht van de overheid aan een traject om 200 schoolleiders tot uitmuntende topprofielen te laten evolueren. Dat is heel belangrijk, want uit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van een schoolleider zelfs impact heeft op de prestaties van de leerlingen.

De grootste onderwijsvernieuwing van de afgelopen jaren is wellicht de digitalisering, waarvoor de Vlaamse regering in het licht van de Digisprong 375 miljoen euro vrijmaakte. Mogen we dat een succes noemen?

Smits: Sommige scholen weten eigenlijk niet goed wat ze met dat geld moeten doen. Dat komt vooral omdat ze nooit eerder een visie over digitalisering hebben uitgewerkt. Scholen die op dat vlak wel onderlegd zijn en vóór de pandemie al met digitalisering bezig waren, worden dan weer beknot door het keurslijf waarin ze worden gedwongen. De overheid gaat heel ver in het bepalen van de manier waarop ze die middelen moeten spenderen. Om te beginnen worden scholen verplicht om dat binnen de twee jaar te doen, en de focus ligt ook heel erg op hardware. Nochtans is het idee dat elke leerling een laptop moet hebben een te simpele interpretatie van digitalisering. Veel scholen kopen nu halsoverkop laptops aan zonder goed na te denken hoe het verder moet. Wat als die over een paar jaar moeten worden onderhouden of zelfs vervangen? Ik betwijfel of alle scholen daar een financieel plan voor hebben uitgewerkt.

Is het niet een beetje vreemd dat we een pandemie nodig hadden om het onderwijs echt te beginnen digitaliseren?

Smits: De digitalisering hadden we inderdaad twintig jaar geleden al moeten zien aankomen. Nu het digitale overal aanwezig is en mensen drie uur per dag op hun smartphone kijken, stellen we plots vast dat ons onderwijs daar totaal niet op is voorbereid. Dat zou nooit zijn gebeurd als scholen meer naar buiten zouden kijken om te zien hoe de samenleving aan het veranderen is. Dat doen ze nog altijd veel te weinig doordat ze helemaal op hun eigen organisatie zijn gefocust. Tijdens de coronacrisis is nochtans gebleken dat scholen die wel naar buiten kijken en toekomstscenario’s uitbouwen, veel wendbaarder zijn en beter met veranderingen om kunnen gaan.

Zal de digitalisering het onderwijs wezenlijk veranderen?

Smits: Als al die laptops niet louter als veredelde invulboeken worden gebruikt, is dat zeker mogelijk. In mijn ogen is digitalisering zelfs de grootste hefboom voor de verbouwing van ons onderwijs. Voor het inoefenen van wiskunde- of taalvaardigheden bestaat er bijvoorbeeld heel goede software die oefeningen aanbiedt op maat van elke leerling. Zodra een leerling die heeft gemaakt, krijgt hij feedback en de software onthoudt ook welke fouten hij heeft gemaakt zodat hij die oefeningen de volgende keer opnieuw krijgt. Dat is een hyperefficiënte manier om te leren. Geen enkele leerkracht kan voor elke leerling onthouden waar hij moeite mee heeft. Laat staan dat hij voor iedereen apart oefeningen op maat zou kunnen uitwerken. Het bso kan dan weer sterk worden opgewaardeerd door het gebruik van virtual reality, want op die manier kunnen leerlingen met de recentste technologische snufjes in contact komen zonder dat de school ze hoeft aan te kopen.

In de media wordt nu al jaren een heftig debat gevoerd tussen pleitbezorgers van excellentie in het onderwijs en experts die vinden dat we voluit voor gelijke kansen moeten gaan. Heeft dat ook impact in de scholen?

Smits: Die experts spreken elkaar inderdaad tegen. Beide kampen hebben een beetje gelijk. Het antwoord op onze onderwijsproblemen is niet in één strijdkreet te vatten. Daarom betreur ik ook dat de bevindingen van de Commissie Beter Onderwijs zo eenzijdig zijn. In het zogenaamde rapport-Brinckman staat dat de focus weer op kennisoverdracht moet worden gelegd met een leerkracht die de hele tijd voor de klas les staat te geven. Dat is natuurlijk koren op de molen van leraren die zich tegen elke vernieuwing verzetten en willen blijven lesgeven zoals ze altijd al hebben gedaan.

U gelooft niet dat die aanbevelingen de kwaliteit van ons onderwijs kunnen opkrikken?

Smits: Die benadering is veel te eng. Klassieke kennisoverdracht is op zich wel een belangrijk ingrediënt om ons onderwijs vooruit te helpen, maar daarmee alleen zullen we er niet komen. Integendeel, dan zullen we pas echt terugvallen in al die internationale rankings. Zoals ik al zei, vandaag wordt er gigantisch veel van scholen verwacht. Ze moeten omgaan met diversiteit en ook nog eens inclusief werken. In die context kun je geen goed onderwijs bieden door alleen maar terug te grijpen naar recepten uit het verleden.

Wat zou de overheid dan wel moeten doen?

Smits: Scholen het vertrouwen en de ruimte geven om te doen wat ze moeten doen. Je kunt de minister, de administratie en de onderwijskoepels wel met de vinger wijzen, maar zij zijn het niet die ons onderwijs zullen veranderen. Dat kunnen alleen de scholen zelf. Het is doordat ze die ruimte veel te weinig innemen dat de overheid en de koepels hun van alles opleggen. Daardoor vergroot de druk in de scholen nog meer, want leerkrachten worden op den duur onder zo’n stapel verwachtingen en doelen bedolven dat ze amper nog kunnen ademen. We moeten dringend uit die vicieuze cirkel zien te breken. In plaats van de vrijheid van scholen te beknotten en vernieuwingen te bemoeilijken, zou de overheid die net meer moeten faciliteren. Daarom ben ik opgetogen dat Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) nu heeft aangekondigd dat scholen vanaf volgend schooljaar meer vrijheid krijgen om het lerarentekort op hun eigen manier te proberen op te lossen. Ook als er weer eens een onderzoek opduikt waaruit blijkt dat de leerprestaties van onze leerlingen achteruitgaan, zouden scholen moeten worden aangespoord om daar zelf aan te werken. Laat hen acties uitwerken op maat van hun eigen leerlingen, en geef hun daar ook middelen voor. Dat zou veel meer opleveren dat al die algemene beleidsmaatregelen. Als we de kwaliteit van ons onderwijs willen bewaken en zelfs weer optrekken, dan moeten we onze scholen dringend bevrijden.

Bert Smits

– 1980 geboren in Maaseik

– Studie pedagogische wetenschappen (KU Leuven)

– 2003-2004 zorgcoördinator in de Scholengemeenschap Anderlecht

– 2004-2007 lerarenopleider Groep T Leuven Educating College

– 2012-vandaag voorzitter van het platform voor onderwijsinnovatie Mysterie van Onderwijs

– 2014-vandaag gedelegeerd bestuurder van Schoolmakers

– 2015-vandaag doorbraakarchitect bij de coöperatieve Tweeperenboom

– 2019-vandaag voorzitter raad van bestuur basisscholengroep De Kraal

– Boek Iedereen schoolmaker – investeren in samen leren

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content