Vergeleken bij het basisonderwijs is het secundair onderwijs stukken te duur. Laten we even rekenen.

Op het eerste gezicht klopt het dat secundair onderwijs zeer duur is (zie grafiek). Maar secundaire scholen hebben verplicht een veel zwaardere infrastructuur dan basisscholen : laboratoria, bibliotheken, mediatheken, computerklassen. Dat bepaalt mee hun prijs.

Als we voorts kijken naar het aantal leerlingen in de basisschool (610.424) en het aantal scholieren in het secundair onderwijs (435.678), lijkt het secundair onderwijs alweer stukken duurder. Maar het aantal leerlingen in het basisonderwijs daalde sinds 1984 en het aantal voltijdbanen steeg. Het secundair onderwijs noteerde eveneens minder scholieren, maar daar verminderde het aantal voltijdse betrekkingen (zie grafiek).

Het aantal leerlingen en scholieren bepaalt (via een bijzonder ingewikkelde berekening) het aantal voltijdbanen. Niet het aantal leraren, dat ligt hoger omdat velen halftijds werken. De leerlingen van het basisonderwijs staan voor 41.306 onderwijzers en onderwijzeressen, terwijl de scholieren van het secundair samen zorgen voor 59.175 voltijdse betrekkingen. Wie het aantal leerlingen deelt door het aantal voltijdambten merkt dat het basisonderwijs maar 14,78 leerlingen per klas telt en het secundair onderwijs maar 7,36 scholieren per klas. Eigenlijk is het correct te zeggen dat een voltijdse betrekking staat voor 7,36 scholieren. In 1990 was dat nog 7,14. De klasgroepen zijn dus wel degelijk groter geworden.

Hoe komt het dat minder scholieren toch meer voltijdbanen met zich meebrengen. Eenvoudig : een leraar secundair onderwijs geeft minder uur les dan een onderwijzer. Er zijn dus meer leraren secundair onderwijs en dat verhooogt de loonkost van het secundair.

Bovendien zijn de leraren secundair onderwijs hoger gediplomeerd, wat verrekend zit in hun salaris. De beginwedde van een onderwijzer steeg sinds 1990 wel met 12 procentpunt, die van een regent met 11,8 procentpunt, die van een licentiaat met 10,8 procentpunt.

Niet alleen het diploma, ook de leeftijd bepaalt de hoogte van het loon. In het secundair is bijna zestig procent van de leraren ouder dan veertig jaar, in het basisonderwijs is dat geen 46 procent. Uit die leeftijdsstructuur valt gemakkelijk af te leiden dat de werkgelegenheid in het secundair onderwijs stagneert, zoniet afneemt. Er komen namelijk geen betrekkingen en dus geen jonge leerkrachten bij.

Alles bij elkaar is het secundair dus ?superduur” als gevolg van het aantal leraren, hun diploma en hun leeftijd.

M.V.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content