De problemen bij de CIA en de FBI zijn ook relevant voor de Europese inlichtingendiensten, zelfs voor de Belgische.

Zeven jaar lang stond George Tenet aan het hoofd van de Amerikaanse spionagedienst CIA ( Central Intelligence Agency). Nu hij is opgestapt, worden z’n flaters en leugens voor het eerst politiek bespreekbaar. Zo heeft de CIA het voorbije decennium de dreiging van Osama Bin Laden en diens Al-Qaedanetwerk totaal verkeerd ingeschat. Een gevolg van de gebrekkige kennis van vreemde culturen, te weinig lokaal ingewerkte geheim agenten en een tekort aan strategische analisten.

De CIA en andere inlichtingendiensten dachten dat Bin Ladens volgelingen zich zouden gedragen als guerrillastrijders. En dat bijgevolg de geavanceerde Electronic Intelligence (Elint) van de nationale veiligheidsdienst NSA ( National Security Agency) wel zou volstaan om de terreurbeweging in de gaten te houden. Maar niettegenstaande alle satellieten en andere hoogtechnologische middelen kan de ‘elektronische spionage’ niet zonder de ‘menselijke spionage’ of Human Intelligence (Humint), zeker niet wanneer het om clandestiene organisaties in traditionele culturen gaat.

Het wordt bovendien ook steeds moeilijker om de internationale informatiestromen te controleren. Nog maar tien procent van het internationale telefoon- en faxverkeer kan worden onderschept door de afluistertafels van de NSA in Fort Meade (Washington) en de daarop aangesloten antennes van de Britse Government Communications Headquarters (GCHQ) in Cheltenham in het kader van het Echelon-netwerk. Vorig jaar steeg de duur van alle gesprekken in de wereld tot 180 miljard minuten – dat is 340 jaar in twaalf maanden.

De productie van computerdata overstijgt nu al ruim de 5 exabytes per jaar. 1 exabyte staat gelijk met 5 miljard gigabytes, of 83.333.333 keer de hoeveelheid informatie op de harde schijf van een doorsnee pc. Toch plukken de GCHQ-computers miljarden bits van de communicatiesatellieten zodra een telefoon, fax of computer vooraf geselecteerde woorden, vreemde zinnen of codes de wereld instuurt.

De Signal Intelligence-specialisten moeten al die ‘signalen’ dan ook nog tijdig kunnen vertalen en analyseren. Zo raakten twee onderschepte telefoongesprekken die gingen over de aanslagen van elf september 2001 in New York slechts een paar dagen later vertaald.

De terroristen in het Spaanse Leganes, een Madrileense buitenwijk, werden wel tijdig gelokaliseerd omdat de Amerikaanse NSA en de Britse GCHQ hun telefoonverkeer, ondanks het gebruik van betaalkaarten, nauwlettend volgden.

De samenwerking tussen de NSA en GCHQ is trouwens zo intens dat de Amerikaanse dienst zijn Britse collega’s vorig jaar vroeg de gesprekken van sommige leden van de VN-veiligheidsraad (Angola, Kameroen, Chili, Bulgarije, Guinee en Pakistan) af te luisteren om meer te weten te komen over hun stemgedrag in verband met de Amerikaanse invasie van Irak.

Verstarring

De CIA hield de voorbije jaren ook vaak geen rekening met de inlichtingen van buitenlandse collega’s over Osama Bin Laden en zijn medewerkers. De Amerikaanse spionagedienst gaf zelfs geen gevolg aan de waarschuwingen van de Duitse terroristenjagers van het Bundesamt für Verfassungsschutz (BFV) over ene Marvan met een telefooncontact in de Verenigde Arabische Emiraten. De man was de BFV vreemd overgekomen tijdens een interceptie in maart 1999 in Hamburg. Op elf september 2001 zou hij de Boeing van United Airlines in de zuidertoren van het WTC in New York boren.

Maar niet alleen de CIA is in de fout gegaan. Midden 2001 waarschuwden Franse en Marokkaanse geheime diensten hun Spaanse collega’s al voor het gedrag van een man die later een belangrijke rol zou spelen bij het Madrileense bloedbad van 11 maart 2004. De waarschuwingen waren tevergeefs.

De Amerikaanse FBI ( Federal Bureau of Investigation), de binnenlandse politie- en veiligheidsdienst, blijkt al even verstard als de CIA. Zo legden de FBI-chefs rapporten naast zich neer die al midden 1991 signaleerden dat een tiental moslimextremisten met verrassend veel ijver vlieglessen volgde en interesse toonde voor het besturen van passagiersvliegtuigen. De dienst, die buitenlandse collega’s nochtans graag de les leest, heeft ook geen intern computersysteem dat verbanden kan leggen tussen bijvoorbeeld moslimextremisten en pilotenscholen. De FBI legt zich immers toe op strafrechtelijke onderzoeken en laat zich niet in met de veelal buitenlandse opdrachten van de CIA.

Robert Mueller, die amper een week voor de aanslagen van elf september aan het hoofd kwam van de FBI, kon toen pas 4000 extra agenten, talenknobbels en analisten in dienst nemen in het kader van de strijd tegen het terrorisme op Amerikaanse bodem.

De forse kritiek op de FBI en de CIA dwingt hen tot herstructureringen. De Verenigde Staten zien het nu zo: ofwel komen de gezamenlijke inlichtingendiensten onder de leiding van een Director of National Intelligence, een man die in alle omstandigheden weet waar het om gaat en die zelfs de president niet naar de mond praat. Ofwel wordt een nieuwe terreurbestrijdingsorganisatie opgericht, met daarin specialisten van FBI, CIA, de Defence Intelligence Agency (DIA) en andere diensten.

Op het schaakbord van de wereldpolitiek zijn en blijven de inlichtingendiensten machtsinstrumenten van elke staat afzonderlijk. De strijd tegen het (moslim-)terrorisme leidt slechts tijdelijk tot internationale samenwerking. Dat heeft Gijs de Vries, sinds 29 maart veiligheidscoördinator van de Europese Unie, van meet af aan goed begrepen. De strijd tegen het terrorisme moet volgens hem ‘van onder op’ door de nationale veiligheidsdiensten gevoerd worden, en niet door een nieuwe Europese instelling.

Amper tien dagen na de aanslagen van 11 september 2001 werd een Europese Task Force voor terreurbestrijding opgericht. Die kreeg onderdak bij Europol in Den Haag, maar viel buiten de structuur van Europol. Een dozijn van de toen nog vijftien lidstaten stuurde elk een vertegenwoordiger. Samen zouden zij de entourage van de toen bekende 11-septemberterroristen in kaart brengen. De Britse en Scandinavische diensten werkten collegiaal mee. De Nederlandse, Franse en enkele Zuid-Europese diensten werkten grotendeels elk voor zich. De Belgische deelname bleef beperkt tot wat getouwtrek tussen de Staatsveiligheid en de federale politie. Eind 2002 werd de Task Force dan maar opgedoekt.

Na de aanslagen van 11 maart in Madrid werd, dit keer binnen de structuur van Europol, een Reinforced Terrorism Unit opgestart. Die wordt opnieuw verondersteld de uitwisseling van informatie tussen de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten te bevorderen.

Flaters van Dassen

Niet geïnspireerd door veel kennis van zaken lanceerden premier Guy Verhofstadt (VLD) en zijn schaduw, binnenlandminister Patrick Dewael (VLD), in maart het voorstel van een vaag omschreven Europese Inlichtingendienst. Toenmalig kandidaat-Commissievoorzitter Verhofstadt werd snel teruggefloten. Wel kan elke EU-lidstaat een reeks maatregelen treffen die een gezamenlijke Europese aanpak van terreurorganisaties mogelijk maakt. En daarbij moet uiteraard worden gestreefd naar een vlottere uitwisseling van informatie tussen de inlichtingendiensten.

Zo vanzelfsprekend is dat niet, want de betrokken diensten moeten daarvoor (ook in eigen land) bereid zijn hun inlichtingen met andere veiligheidsdiensten te delen. In België is dat zeker niet evident. Maar dat wist Gijs de Vries duidelijk niet toen hij op 2 juni premier Verhofstadt feliciteerde met de Belgische inzet in de strijd tegen het terrorisme. De premier zei toen iets over betere samenwerking tussen ‘de militaire politie, de Staatsveiligheid en de federale politie’ (De Morgen 4/6/04).

Ook hier besefte Gijs de Vries niet dat deze uitspraak al even onjuist is als Verhofstadts belofte als zou in juni ‘op een paar protocollen na, in België dan het hele instrumentarium voor de strijd tegen het terrorisme operationeel zijn’. Er is immers meer nodig dan enkele nieuwe wetten. De structuren voor een doeltreffende inlichtingendienst zijn immers al jaren voorhanden, maar ze werden door de regering miskend of genegeerd (zie kader).

Sinds 1999 heeft de regering, met gewezen minister van Justitie Marc Verwilghen (VLD) voorop, de Staatsveiligheid maar laten aanmodderen. Eind september 2002 benoemde zij de VLD’er Koen Dassen, toenmalig kabinetschef van minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne (MR), tot administrateur-generaal van de Staatsveiligheid. Dassen beging – in zijn pogingen om zich met de politieke actualiteit te bemoeien – de ene flater na de andere.

Zo probeerde Dassen te verhinderen dat de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (ADIV) van het leger zich zou inlaten met moslimextremisme en -terrorisme. Ondanks het feit dat Belgische troepen in de moslimwereld worden ingezet en de militaire inlichtingendienst, die de reputatie heeft zeer betrouwbaar te zijn, toch moet weten in welke omgeving de strijdkrachten opereren.

Dassen wou met zijn Staatsveiligheid (440 personeelsleden en een budget van 27,3 miljoen euro) net zoals de ADIV in het buitenland actief zijn. Meer nog, hij wou de ADIV overkoepelen. En dat terwijl in alle landen militaire inlichtingendiensten en binnenlandse veiligheidsdiensten afzonderlijke organisaties zijn, met eigen doelstellingen.

De grootse plannen van Dassen werden eind maart afgevoerd van de agenda van de bijzondere ministerraad over veiligheid en justitie. Daarmee zijn de problemen met de Staatsveiligheid evenwel niet opgelost.

Doorlichting

De derde en voorlaatste fase van de doorlichting van de Staatsveiligheid wordt, nog steeds in opdracht van het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten, nu uitgevoerd door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Dat geeft een almaar nauwkeuriger ziektebeeld, maar daar wordt zedig over gezwegen.

De buitendiensten, zeg maar de informatiejagers van de Belgische Staatsveiligheid, schrijven jaarlijks bijna 10.000 verslagen. De audit wijst erop dat het zeer moeilijk, vaak zelfs onmogelijk is te bepalen wat de ontvangers met de hen toegezonden informatie hebben gedaan. In sommige gevallen doen de verslagen er zelfs maanden over om op hun eindbestemming te raken. De buitendiensten mogen dan nog zo performant zijn en in negen van de tien gevallen hun dienstchef binnen de week verslag uitbrengen – ‘Eens een verslag is afgewerkt, is er niet altijd veel return’, zegt het rapport.

De doelgerichte impulsen uitgaande van de Operationele Directie bedragen ’ten hoogste 4 procent van de instroom’. De Staatsveiligheid draait dus bijna uitsluitend op geautomatiseerde informatiestromen waarop ‘moeilijk een overzicht te houden’ is door de toevloed van berichten. Daarbij komt nog dat er ‘geen echte gemeenschappelijke aansturing vanuit één centraal punt is naar de twee grote delen van de Staatsveiligheid (buitendiensten en studiediensten) toe.’

Zo wordt ook de tweede fase van de audit door de derde bevestigd: ‘De sturing van de organisatie is dus de kern van de vraag bij het Bestuur voor de Veiligheid van de Staat.’ Dit moet voor Dassen en voor de regering een verontrustende conclusie zijn.

De PS heeft echter met André Jacobs een kandidaat-directeur Operaties (DO) van de Buitendiensten klaar om de operationele leiding van de Staatsveiligheid in handen te nemen. De VLD ziet van zijn kant Robin Libert, een ambitieuze vriend van Dassen, definitief benoemd tot chef van de Binnendiensten, zeg maar de Directeur der Analyses (DA).

MI5

In het kader van hun reorganisatiepogingen verwijzen zowel Amerikaanse als Europese inlichtingendiensten graag naar de Britse binnenlandse veiligheidsdienst MI5, ook de ‘five’ of de Security Service genoemd. Die wordt sinds 2002 geleid door Eliza Manningham-Buller, en met succes. Zo wist MI5 vorig jaar onder andere een aanslag op de Londense luchthaven Heathrow te verijdelen. De tweeduizend MI5-leden hebben al veel expertise in huis wat betreft de moslimwereld, maar de Britse minister van Binnenlandse Zaken David Blunkett wil de komende drie jaar nog eens duizend man erbij om de strijd tegen het terrorisme op te drijven. De duizend nieuwkomers moeten vooral de meest uiteenlopende vreemde talen spreken en worden opgeleid tot ‘watchers’ gespecialiseerd in achtervolgingen op straat en virtuele achtervolgingen op het internet.

Human intelligence blijft voor MI5 uiterst belangrijk. De Britse dienst kan ook kieskeurig zijn. Een agent verdient al vlug 30.000 pond met extra’s. Het totale budget van de Britse geheime dienst bedraagt 1,1 miljard pond (1,6 miljard euro). Een vijfde daarvan gaat naar de Security Service. De rest is voor de buitenlandse spionagedienst, Secret Intelligence Service (SIS) – ook MI6 genoemd en bekend van James Bond – en naar de Government Communications Headquarters (GCHQ), die binnenkort wellicht op extra financiering kunnen rekenen in het kader van Echelon. Ter vergelijking: de Franse geheime diensten moeten het met de helft minder doen.

Terwijl de meeste veiligheidsdiensten het moeilijk hebben om de informatietoevloed te verwerken, laat staan met derden te delen, hebben de Britse diensten het Joint Intelligence Committee (JIC). Daarin wisselen de MI5, de MI6, de GCHQ en de Defence Intelligence Staff (DIS) wekelijks de belangrijkste informatie uit, en worden plooien gladgestreken of ruzies bijgelegd. Het JIC wordt ook verondersteld de regeringsleider zo nauwkeurig en oprecht mogelijk in te lichten. Hoe hij dat nadien vertaalt of verdraait, is zijn politieke verantwoordelijkheid. Zowel de Britse premier Blair, zijn vroegere Spaanse collega Aznar als de Amerikaanse president Bush weten wat dat betekent.

Onder impuls van David Blunkett wil de Britse regering de MI5 tegen 2006 ten dele laten aansluiten bij een nog op te richten dienst die de strijd tegen het terrorisme op een meer integrale wijze zal voeren. Dat moet EU-veiligheidscoördinator de Vries als muziek in de oren klinken, aangezien hij erop wijst dat ‘het terrorisme raakvlakken heeft met diverse gebieden’. Precies daarom wil het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken met de medewerking van de MI5, de douane, de GCHQ-luistervinken en andere diensten de Serious and Organised Crime Agency (SOCA) oprichten. Met zo’n vijfduizend speurders en specialisten willen zij het steeds fijnmaziger web van terroristen, drugtrafikanten, smokkelaars allerhande, fraudeurs en witteboordencriminelen ontrafelen en vernietigen. Tegelijk wil Blunkett, naar Amerikaans voorbeeld, bestaande rechten en vrijheden inperken, vermoedelijke terroristen laten veroordelen ‘on the balance of probabilities‘ en desnoods de openbaarheid van proces afschaffen.

Geheime diensten dreigen zo, in hun terechte pogingen om de veiligheid van de staat beter te garanderen, essentiële rechten te ondermijnen die een staat haar burgers moet garanderen.

Door Frank De Moor

Nog maar tien procent van het internationale telefoon- en faxverkeer kan worden onderschept.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content