Jan Braet
Jan Braet Jan Braet is redacteur cultuur bij Knack.

“Als jongen wou ik in de kleur staan. ” Een gesprek met Ettore Spalletti in het MUKHA.

TUSSEN DE BERGEN en bij de zee in het dorpje Cappelle sul Tavolo in de Abruzzen, kijkt Ettore Spalletti (55) toe hoe de bewoners grote eenkleurige vazen van de vensterbanken halen wanneer ze ’s avonds de luiken sluiten. Eeuwenlang al zinderen dezelfde kleuren en vormen in een nog altijd ongerepte ruimte. Ze zijn aanwezig in de objekten die Spalletti beschildert en waarmee hij bij exposities “chromatische modulaties” (Bruno Corà) in de ruimte verwezenlijkt.

Ze zijn ook veranderd. Ze zijn subtiel bewerkt en geabstraheerd omdat het mentale dingen zijn, die hun letterlijkheid opgeven zonder aan tastbaarheid in te boeten. Wel integendeel. Spalletti strijkt warme gipsverf, gemengd met lijm, uit over de drager. Op de nog verse massa brengt hij kleur aan, die voor een deel door de witte onderlaag opgeslorpt wordt. Wat overblijft heeft een zachte, melkachtige grondtoon. Met schuurpapier maakt hij het oppervlak glad, dat een fijne poeder vrijgeeft. Het wordt heel verleidelijk om deze lichamen, die je pikturale objekten zou kunnen noemen, met de vingertoppen te beroeren. Maar elke aanraking geeft een kwetsuur.

Dingen van kleur. Azuur- en kobaltblauwe, roze of grijze verschijningen. Die hun eigen licht lijken uit te stralen, vanuit het wit onderin.

Zijn tentoonstelling in het MUHKA, “Ettore Spalletti-Anversa, Settembre 1995” is vooreerst verankerd in de schilderkunst. Spaarzaam verdeeld over de muren van twee grote witte ruimtes (“als een ijszee, ” zucht hij), hangen veelluiken, gegroepeerd in kleurenharmonieën. Het gewicht en de omvang van de panelen lijken te zijn opgeheven, alsof de loutere kleur ze minder afhankelijk maakt van de zwaartekracht en ze bevrijdt van hun stoffelijkheid. De delen van de polyptieken met hun monochrome kleurvelden verhouden zich op een beweeglijke manier tot elkaar, in de smalle ruimtes tussenin. Ze trekken elkaar aan, zonder aan te raken ; daar ontstaan magnetische velden, geheimzinnige openingen als was iets van tussen de luiken geglipt. Aan de randen treedt veelkantigheid in, met de mogelijkheid voor nieuwe kleur een streepje goud, waarom niet nieuwe lichtval en een nieuwe blik.

– Uw werk creëert een puurheid waar tentoonstellingsruimtes en bezoekers zelden tegen opgewassen zijn.

– ETTORE SPALLETTI : Het is veeleer lichtheid dan puurheid, denk ik. De lichtheid die de oude Italiaanse kunst met de Vlaamse verbindt.

– Hebben de afzonderlijke werken, tentoongesteld in de meest miserabele omstandigheden, eigenlijk nog een autonome betekenis als kunstwerken ?

– SPALLETTI : Ja. Het zijn als kristallen, die voor een deel hun omgeving absorberen. Je kunt kristallen ook als oud ijzer exposeren, waardoor niet langer blijkt dat ze de waarde van kristal hebben. Maar wie zou er, in de wereld van de kunst, in godsnaam kunnen beslissen om een werk te verwerven en tentoon te stellen in een ruimte die de waarde van het werk geen recht doet ?

– Wanneer men alleen op prestige uit is, door bezitsdrang wordt gedreven, kunst als belegging ziet, of gewoon achteloos is.

– SPALLETTI : Dan zij we met verschillende problemen bezig : het verlangen om te investeren en het verlangen om het werk van de ene naar de andere ruimte te verslepen, hetgeen zoals u zegt, behoort tot de realiteit van de ekonomie vandaag. Maar ik denk dat al mijn werken los van die biezondere definitie bekeken moeten worden. Als ik de materie gebruik of zo verander dat ze de lichtheid krijgt waarover ik daarnet sprak, dan heeft dat werk een ander soort aandacht en konservering nodig. De gedachte dat iemand zegt : ik bezit een werk van Spalletti, staat me niet aan. Het interesseert me nooit wie mijn werken heeft. Ik wil dat de werkelijkheid en ook de kwetsbaarheid van mijn werken gerespekteerd worden. Ze kunnen vertransporteerd worden, maar ze mogen niet bepoteld worden, niet mishandeld noch met een gebrek aan aandacht behandeld worden.

– Bruno Corà beschrijft uw werken als fragmenten die uit de hemel gevallen zijn.

– SPALLETTI : Ik zeg dat mijn werken de ene na de andere geboren worden, en als het ware opgehangen aan een denkbeeldige muur. In die zin interpreteert Bruno Corà ze als fragmenten. Ik denk dat ze een uniciteit hebben, maar met de mogelijkheid om te dialogeren, een beetje zoals in de tentoonstelling in het MUHKA. Er zijn werken die twintig jaar geleden gemaakt zijn en zeer goed door mij bewaard zijn, opdat de tijd er zich niet te zeer zou doen op gevoelen : zij kunnen een mogelijke relatie aangaan met mijn werken van vandaag.

– De overheersende kleur in uw oeuvre is blauw, azuur en kobalt. Ware die kleur ook in het MUHKA dominant geweest, dan zou u de nostalgie van ons noorderlingen voor het zuiden gewekt hebben.

– SPALLETTI : Het is mooi om ook de nostalgie in een tentoonstelling binnen te brengen. De nostalgie voor een kleur, die van bij het begin een beetje de kleurwaarde van het zuiden meebrengt. Maar ik heb blauw gebruikt, ik heb roze gebruikt voor deze tentoonstelling, geel en ook grijs. Mijn werk is gekarakterizeerd door blauw omdat azuur en kobalt niet bestaan in de natuur, behalve als atmosfeer. Wanneer we een wandeling maken, kunnen we ook zeggen dat we in het azuur gedompeld zijn, dat alles rondom ons blauw is. In de catalogus heb ik de volgende zin opgenomen : “Op heldere dagen produceren de blauwe en paarse stralingen de blauwe kleuring van de lucht. ” In die zin heb ik ook het roze als atmosferische kleur gebruikt. Het roze is de kleur van de huid. Het is geen vaste kleur, het is geen oppervlaktekleur, het is een kleur die verandert met de humeuren. Die kleur wijzigt zich doorheen de emoties. En het geel is het verhaal van het licht…

– Uw werken zijn tegelijk zinnelijk en onaantastbaar.

– SPALLETTI : Het taktiele verlangen in mijn werk is zeer sterk. Maar ik zeg altijd dat het werk niet aangeraakt wil worden. In het normale leven is dat wel niet mogelijk. Ik ben mij bewust van de kontradiktie tussen het uitdrukken van de taktiele waarde en het loskoppelen van de verwezenlijking van het verlangen om aan te raken.

– Uw werken laten niets zien van de arbeid die er aan voorafgegaan is.

– SPALLETTI : Het idee van het werk van de kunst, staat mij niet aan. Ik denk dat mijn werk in een ogenblik verschijnt, dat het verschijnt in het finale moment waarop ik zeg dat het goed is of niet goed. Ik noem mijn werken ook niet ‘werken’ maar schilderijen of skulpturen.

– Maken ze deel uit van de wereld of zijn het voorafspiegelingen van een ideale staat ?

– SPALLETTI : Ik denk dat al de dingen die gemaakt kunnen worden, deel uitmaken van deze wereld.

– Zijn uw werken daar dan niet misplaatst ?

– SPALLETTI : Ik denk dat ze behoren tot de sensibiliteit, tot de kultuur, en dat de utopie ten slotte pratikeerbaar wordt in de realiteit van de wereld.

– Waar ligt de oorsprong van uw kunst ?

– SPALLETTI : Ik kan daar niet goed op antwoorden. Waarom beslis je om schilder te worden ? Toen ik heel jong was, had ik het verlangen om als het ware binnenin de kleur te staan. Later, langzamerhand, heb ik ook andere dingen gedaan, gekeken naar de uiterlijke werkelijkheid ook, naar de wereld van de kunst, wat ten slotte ook gemaakt heeft dat ik school gelopen heb.

– Uw kunst roept heel wat historische referenties op, die ons zelfs terugvoeren naar de oudheid. En dan zijn er Brancusi, Fontana, Yves Klein…

– SPALLETTI : Een van mijn eerste werken is de zuil van kleur (“Colonna di Colore”). De zuil van kleur is een beeld dat de hele geschiedenis van de kunst doorkruist. Ze vertrekt bij de Kore, en langzamerhand transformeert de zuil zich, in de proporties, de hoogte… en maakt uiteindelijk de hele boog van de geschiedenis van de kunst. Ik heb dat werk in het begin gemaakt, het is één van mijn oudste werken. Het behaagde me om één ogenblik lang die vorm met de ogen van de hedendaagsheid te bekijken. Ik denk dat binnen die hedendaagsheid al de realiteiten aanwezig zijn die jij in de buurt van mijn werk situeert… Brancusi, Fontana, noem maar op. Och kom, ik denk wel dat ik Piero della Francesca niet ben…

– Wat is de belangrijkste waarde die u wil doorgeven ?

– SPALLETTI : Een idee die fundamenteel is voor de realiteit van mijn werk is het verlangen : bij het lopen door de zalen van de tentoonstelling, bij het lopen door de ruimte van het atelier of bij het naar voren treden bij één enkel werk, doet zich een stemming gevoelen… Ik ben bezig met aan te raken, ik ben bezig een werk aan te raken, jou aangeboden, aan je ogen, opdat ze iets zouden zien om te ademen, een sensibiliteit om te ademen. Ik begrijp dat niet als iets wat niet bestaat. Het bestaat wel degelijk, het materiaal is echt, niet ? Ik zou geen betoog kunnen houden over iets wat niet bestaat, over een verlangen dat niet bestaat. Ik breng het in de praktijk, ik beleef het van de ochtend tot de avond. Het is mogelijk. Ik ben geboren in een kleine streek in de Abruzzo, waar geen vijfhonderd mensen wonen. Ik ben daar ten slotte ook gaan wonen. Ik vond het niet zo prettig om in een grote stad te wonen, terwijl iedereen me zei dat het niet mogelijk was om schilder te zijn in zo’n klein gat. Het is waar dat de historische traditie wil dat je je in Rome of Parijs gaat vestigen… Maar wat utopie bleek, is werkelijkheid geworden.

– Maar u voedt zich toch met de kunst die in de grote metropolen gemaakt en getoond wordt. Ontwikkelt u een dialektiek tussen de eenzame afzondering en het kontakt met wat er in de grote centra gebeurt ?

– SPALLETTI : Het staat me tegen om rond die zaak een poëtisch beeld op te bouwen. Ik denk dat ik op die plaats ben blijven hangen uit luiheid, omdat ik niet veel in beweging wil zijn, niet altijd wil verhuizen. En ook : ik denk echt dat de dingen om mij heen, rondom de ruimte die ik inneem, alles al te zien geven. Het probeem is altijd, in staat zijn om te zien of de energie vinden om te zien. Om mij heen is er het licht, is er de duisternis, is er het westen, is er het oosten, is er altijd alles. Alleen, hetgeen soms te moeilijk blijkt, is de energie te vinden om te zien.

– Is de kunstenaar dan altijd een onschuldige die de dingen almaar weer als nieuw bekijkt ?

– SPALLETTI : Ik weet niet of dat als onschuld kan worden omschreven, misschien wel. Niet ? Maar ik weet wel, als ik voor het raam van het huis sta en er beneden een rivier stroomt, en als er uit die rivier een kleine nevel oprijst die het landschap een beetje doezelig maakt… op dat ogenblik denk ik dat Leonardo mij de ogen gegeven heeft om het landschap zo te zien, maar ik weet niet of dat een onschuldig oog is of een oog dat…

– Bruno Corà schreef dat kleur bij u een morele dimensie heeft. Ligt aan uw kunst een morele kode ten grondslag ?

– SPALLETTI : Ik geloof in de moraal, ik geloof in de etiek. Ik kan slechts praten over de waarden die ik beleef, binnen mijn werk, en dat is de kleur. Misschien heeft de criticus dat op die manier aangevoeld.

– U streeft lichtheid na, zei u in het begin. Wordt die niet vaak verward met dekorativiteit ?

– SPALLETTI : Het is precies het tegendeel. De lichtheid komt eigenlijk doorheen een grote historische realiteit en een complexiteit. Die complexiteit levert de lichtheid op, maar je moet er eerst wel doorheen.

– Vindt u het niet hinderlijk wanneer men uw werk dekoratief noemt ?

– SPALLETTI : Dat is een polemische vraag van mensen die vinden dat mijn werken te mooi zijn. Bedoelt u zelf met dekorativiteit : schoonheid ?

– Zeker.

– SPALLETTI : Aan wie mij zegt dat mijn werken zeer mooi zijn, zeg ik altijd : dank u.

– Is schoonheid uw grote drijfveer ?

– SPALLETTI : Ik denk dat schoonheid een positief verlangen is. Ik heb nooit goed begrepen waarom ik iets ruws zou moeten maken. Het staat me niet aan om iets vies te eten, om iets ruws te maken… en bovendien word ik zeer aangetrokken door de schoonheid. Ik herinner me dat, toen er op school gesproken werd over Michelangelo, over Leonardo, men het altijd had over zeer grote kunstenaars, over buitengewone kunstenaars… en toen de professor daarentegen uitleg gaf over Rafaël, zei hij altijd dat hij een zeer goed kunstenaar was, maar dat zijn beelden te mooi zijn. Ik ben er nooit in geslaagd om dat te begrijpen, en ook vandaag nog snap ik niet waarom schoonheid altijd bekeurd wordt. Wie een zeer mooie vrouw ontmoet, hoort plots het tegendeel te zien : mooi maar stom. En dan denk ik nog iets anders : dat de schoonheid de enige werkelijkheid is die rechtstreeks funktioneert, dat ze geen behoefte heeft aan een diafragma. Van iemand met een mooie stem zegt men, ja hij heeft een mooie stem maar hij zou moeten gaan zingen. Of : dat is een fantastische schrijver, maar hij zou romans moeten schrijven. Een goed pianist ? Ja, maar hij zou sonates moeten spelen. Schoonheid heeft dat soort overgangsexamen niet nodig, schoonheid komt rechtstreeks…

Jan Braet

Tot 5.11.95 in het MUHKA, Leuvenstraat Antwerpen. Open van 10 tot 17 u. Gesloten op maandag.

Ettore Spalletti : “Schoonheid is een positief verlangen”.

Spalletti, zaalzicht MUHKA : “Ik ben bezig met aanraken… “

Spalletti, “Stanza, giallo oro”, (1995) : het verhaal van het licht.

Spalletti, “Stanza grigia” (1993) : geheimzinnige openingen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content