Jan Braet
Jan Braet Jan Braet is redacteur cultuur bij Knack.

“From London” : zes klassiek moderne Britse schilders houden stand.

AANGEVOERD door Damien Hirst, wiens op sterk water gezette schapen, haaien of stierkoppen de schokbestendigheid van de toch niet overdreven lichtgeraakte kunstwereld al een tijdje op de proef stellen, dringt een nieuwe generatie Britse kunstenaars naar voren. Het gerucht gaat dat New York en Parijs afgedaan hebben als metropolen van de avantgarde, en dat Londen de fakkel overgenomen heeft.

Verspreiders van de Nieuwe Wind, zoals Hans den Hartog Jager in het NRC Handelsblad (22.9.95), moeten echter zelf vaststellen dat de jonge Britse sterren hun opwachting makend in deBiënnale van Venetië, de tentoonstelling “Wild Walls” in Amsterdam, of in Eindhoven (Douglas Gordon) alsnog weinig nieuws te vertellen hebben en geen gemeenschappelijke visie verdedigen. Hooguit delen ze de in de halve wereld levende behoefte bij jonge kunstenaars om de kunst opnieuw from scratch te beginnen, ongehinderd door het gewicht van de kunst uit een nabij of ver verleden.

Alles is deugdelijk, met een voorkeur voor moderne media als film, televisie en video. Met foto’s van wildvreemde vrouwen uit de tabloid press maakt Sarah Lucas collages. Douglas Gordon laat Alfred Hitchcock’s meesterwerk “Psycho” op een groot video-scherm vertraagd en zonder geluid afspelen (duur 24 uur). Georgina Starr stelt een nachtklub in levende aktie, figuranten inbegrepen, tentoon. Van skulptuur in de enge zin is allicht geen sprake wanneer Marc Quinn z’n eigen bloed aftapt om een afgietsel van z’n hoofd te maken. En Gary Hume vindt in doodgereproduceerde schilderijen uit het pop art repertoire voldoende weerstand om er iets nieuws mee te maken.

Wat is daar nu zo bijzonder aan ? Niets. Alsnog heeft het er vooral de schijn van dat er zich in Londen een koncentratie van investeerders in jonge Britse kunst voordoet, die de wind mee heeft en zo nodig zelfs een beetje kan helpen meeblazen. De grootste Britse verzamelaar van moderne kunst, reklamemogul Charles Saatchi, maakt er sinds enkele jaren zijn jachtterrein van. En dynamische figuren als Karsten Schubert en Jay Jopling hebben zich bij Nicholas Logsdale (Lisson Gallery) en Anthony d’Offay gevoegd in het rijtje van Londense top-galeriehouders voor hedendaagse kunst. De tweejaarlijkse Turner prize ten slotte, is een uiterst gemediatizeerde, kontroversiële en erg lonende stimulans. Tate Gallery-direkteur Nicholas Serota houdt er een stevige vinger in de pap.

KRUIM.

Of de tekenen van een internationale doorbraak zullen aanhouden, zal echter zoals altijd pas blijken indien de frisse en provocerende aanpak van de youngsters ook tot oeuvres van duurzame kwaliteit zal leiden. Iets oudere Britse kunstenaars als Rachel Whiteread, Anish Kapoor, Tony Cragg of Richard Deacon hebben aanzienlijk minder rumoer nodig gehad om tot het kruim van de artistieke wereldgemeenschap door te dringen. Ze zijn door hun vernieuwende inbreng in de skulptuur van hun tijd, door de samenhang van hun oeuvre (en ook wel dankzij een goed georganizeerde verspreiding in de belangrijkste westerse kunstlanden) tot het kollektieve kunstbewustzijn doorgedrongen.

Deze veertigers en prille vijftigers nemen, net zoals hun jongere kollega’s, aktief deel aan een internationaal circuit van solo-en groepstentoonstellingen in musea, kunsthalles en galeries, gespecializeerd in hedendaagse kunst.

Nog iets verder doordringend in het Britse verleden, tot bij de kunstenaars van zestig en zeventig jaar oud, worden de zaken minder simpel. Namen als David Hockney, Richard Hamilton en Ron Kitaj die de faam van de Britse pop art in de wereld gemaakt hebben, werden om uiteenlopende redenen buiten Engeland minder getoond dan het belang van hun werk dat zou vereisen. Maar voor een aantal van hun generatiegenoten was de situatie nog problematischer. Lucian Freud, Frank Auerbach, Michael Andrews en Leon Kossoff, allen geboren tussen 1920 en 1930, bleven opvallend lange tijd relatief onbekend buiten de Britse Eilanden.

Aan de kwaliteit van hun werk zal dat niet gelegen hebben. Een fijne selektie van hun schilderijen nu in het kader van Luxemburg Kulturele Hoofdstad van Europa ’95 voorgesteld in de tentoonstelling From London spreekt wat dat betreft boekdelen. Bovendien werden zij sinds 1945 gesteund in de Londense kunstwereld. Waaraan lag het dan ?

Het is waar dat zij konsekwent de heersende trends en vernieuwingen links hebben laten liggen, veeleer aansloten bij traditionele opvattingen over het schilderen, liever in de beslotenheid van hun atelier op hun eentje doorgingen dan in de glamour van het mondaine leven, en slechts zelden de plas wilden oversteken. Het frekwente bezoek aan de Londense National Gallery, waar de oude meesters hangen, gaf hen meer dan genoeg inspiratie, zo heette het.

Toen in de late jaren zeventig eerst de figuratieve schilderkunst en vanaf het eind van de jaren tachtig de menselijke figuur opnieuw in het brandpunt van het internationale kunstleven verschenen, werden zij uit hun Engelse isolement gehaald. En in 1987 werden zij, met de iets oudere reus Francis Bacon (1909-1992) als lokomotief en met de van de pop art teruggekeerde Ron Kitaj als zesde man, door de British Council voor het eerst als “A School of London : Six Figurative Painters” door Europa gevoerd. Van Oslo naar Kopenhagen, van Venetië tot Düsseldorf.

Voor ze dit jaar, door British Council in samenwerking met het Musée National d’Histoire et d’Art van Luxemburg met z’n zessen aan een nieuwe Europese toernee begonnen (Edinburgh, Luxemburg, Lausanne en Barcelona), waren ze al negen jaar lang in verschillende tentoonstellingen samen en samen met anderen opgevoerd als het kruim van de “British Figuration”.

ATOOMBOM.

In feite vormen zij evenmin als de beroemde Ecole de Paris uit het verleden (Picasso, Brancusi…) een school in de eigenlijke zin van het woord. Het zijn en blijven Einzelgänger in de kunst. Een aantal elementen hebben ze evenwel met mekaar gemeen : vast verankerd in Londen, hebben ze mekaar als vrienden opgezocht en bij gelegenheid geportretteerd, hun mentale maturiteit voltrok zich in het naoorlogse kulturele klimaat van existentialisme en absurd teater, ze werden gevoed gevoed door de sfeer van de Koude Oorlog en de angst voor de atoombom. Het mensbeeld in hun kunst is navenant rauw.

De bestudeerd misvormde figuren van de geboren Ier Francis Bacon zitten gevangen in buisachtige kooien in kamers waarvan de onduidelijke proporties en de schrille wandkleuren een sensoriële foltering veroorzaken. Hun identiteit is gedegenereerd tot iets ondefinieerbaar onmenselijks, ware het niet dat zij de angst en het algemene onbehagen uitstralen die met het wezen van elk mens te maken hebben. Ze vinden hun literaire pendant in de teaterstukken van Samuel Beckett.

Bacons kardinalen, mensachtigen en organische gedrochten zijn niettemin bij uitstek dragers van schilderkunstige bravoure. In een gladde, snelle stijl geschilderd, wisselend in olieverf en acryl, exposeren zij hun dekadente staat met teatrale gestes. De uitdrukking van wezenloze horror is door Bacon in latente staat aangetroffen bij Velazquez, ongemaskeerd bij Goya en geobjektiveerd bij Picasso. Hem, Bacon, restte het aanscherpen ervan tot hallucinante proporties. “From London” laat een tiental reprezentatieve Bacons zien, waaronder een vroege kardinaal (“Head VI”, 1949) en de monumentale “Triptych inspired by the Oresteia of Aeschylus” uit 1981, een hedendaagse variant op het tema van de drie Furiën.

In zijn beginperiode probeerde Lucian Freud verschillende dingen uit. Uit “Girl with Roses”(1949) spreekt een ijl en tijdloos neo-realisme ; de toetsen zijn zorgvuldig precies, bijna onzichtbaar. “Quince on a Blue Table”(1943-44), waarin hij een giraffekop naar een gele vrucht op een blauwe tafel laat staren, suggereert dat hij even met de gedachte speelde om het surrealisme verder te zetten. Pas in de jaren zestig, zonder twijfel onder invloed van Bacon, komt een virtuoos morbide blik op de menselijke figuur naar voren (“A man and his Daughter”, 1963).

Met zijn eindeloze variaties van overbelichte, syntetisch-realistische naakten waarin niettemin scherp analytische details geaksentueerd worden wezenloos voor zich uitstarend in de beslotenheid van kleine, troosteloze kamers, vindt hij zijn rijpe stijl. “From London” geeft er enkele schitterende voorbeelden van te zien : “Lying by the Rags” (’89-90), “Naked Girl with Egg”(1980-81), “Night Portrait”(1977-78) en andere. Het zijn volle, sterke lichamen in onbeschaamde houdingen, die de inbraak in hun intimiteit door de schilder en de toeschouwer met supreme onverschilligheid lijken te ondergaan. De krachttoer is dat ze tegelijk als vlees en bloed èn (zeker ook) als lichamen van verf bestaan.

DIE BRÜCKE.

Frank Auerbach en Leon Kossoff zijn voor een deel erfgenamen van het Duitse expressionisme van “Die Brücke” : hun favoriete onderwerpen zijn (stads)landschappen en portretten, die ze middels felle, krachtige toetsen en zwaar aangezette contourlijnen reduceren tot de essentie. In hun kleurgebruik en verfbehandeling wijken ze er anderzijds behoorlijk van af. De aan de Fauves ontleende felle kleuren van de “Brücke”-kunstenaars heeft bij Kossoff plaats gemaakt voor matte, met veel wit gemengde tonen die zelfs zijn meest donkere taferelen een warme intensiteit geven. En in de manier waarop hij in dikke massa’s olie zijn doeken hebben dertig jaar tijd nodig om te drogen kerft en verft, verliezen landschappen en figuren hun scherpte, en worden de komposities flets èn taktiel tegelijk.

Bij Auerbach leiden de krachtige, lange en korte streken een zelfstandig bestaan, als waren het contourlijnen die niet langer langs bestaande vormen lopen maar zich daar uit losgewerkt hebben en zelf een nieuwe, half-abstrakte, half-herkenbaar beeld met een stevige, soms erg wilde maar altijd expressieve struktuur zijn gaan maken. In zijn kleuren geven de meest schrille dissonanten de toon aan, en net als Kossoff heeft hij de materie gaarne dik.

Bij de dit jaar gestorven Michael Andrews, niets van dat alles. Elk opvallend schildersgebaar in dit poëtische, dromerige universum dat soms aan Léon Spilliaert doet denken, is geweerd. Subtiele lichteffekten, landschappen en gebouwen waar een sluier van zachte melancholie en mysterie over hangt, maar die van een soms verraderlijke simpelheid zijn : een aandachtig oog ontdekt verscholen details en kompositorische eigenaardigheden.

Als er één van de zes “From London” niet bang is van felle kleuren, dan is het Ron Kitaj. Ze vullen, samen met zachte, matte en doffe kleuren de vele vlakjes waarin hij zijn vaak complex geschakeerde schilderijen indeelt. Kitaj vertrekt van een vrij uitgewerkte tekening waarin hij tal van kunsthistorische, literaire, politieke en maatschappelijke referenties stopt. Het aantrekkelijk koloriet is een broodnodig tegengewicht bij de overmaat aan geleerdheid en het gebrek aan niet-ingestudeerde verrassingen.

Jan Braet

“From London”, tot 5.11, Musée National d’Histoire et d’Art, Marché-aux-Poissons, Luxemburg. Open di-wo-vr-za-zo van 10 tot 18 u. Do : nocturne 10-20 u. Ma : gesloten.

Francis Bacon, “Head VI”, 1949 : sensoriële foltering.

Lucian Freud, “Lying by the Rags”, 1989-90 : virtuoos morbide blik.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content