Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Dertig jaar na de sluiting van de laatste Limburgse mijn schetst Koolputters de geschiedenis van de mijnwerkers in die provincie. Dat betekent vijf afleveringen lang sprekende archiefbeelden plus enkele voormalige kompels die herinneringen opdelven aan het zware en gevaarlijke leven zo’n 800 meter onder de grond. Een van die getuigen is de ondertussen tachtigjarige Sandrettin Koçak, die in oktober 1963 aan de slag ging in het Kempens steenkoolbekken.

‘Hij was bij de eerste lichting’, vertelt zijn zoon Selahattin, die zelf nog enkele jaren in de mijn heeft gewerkt voordat hij aan zijn politieke loopbaan bij de toenmalige SP.A begon. ‘Het vliegtuig waarmee hij naar hier kwam, moest twee tussenlandingen maken. Een vlucht vanuit Turkije kon toen nog niet in één keer.’

Selahattin Koçak: We keken enorm op naar mijn vader. Die verhalen van mensen die in de mijn gekwetst waren of verongelukten, hebben wij natuurlijk vroeger ook gehoord. Hij trotseerde dat alles om voor ons brood op de plank te brengen. Dat maakte dat het hele gezin om hem draaide. Zo kochten we altijd het brood dat hij graag lustte. (lacht) Dat was niet specifiek eigen aan onze familie, maar aan heel veel mijnwerkersgezinnen. Ook de Vlaamse.

Hoe was het voor hem om als nieuwkomer in België te komen werken en daar een gezin te starten?

Koçak: Tot diep in de jaren tachtig hebben wij ons nooit ‘anders’ gevoeld. Nooit werden we anders behandeld. Of je nu Franky of Selahattin heette, dat maakte niet uit. Je was mijnwerker. Dat heeft ook een bijwerking gehad: ooit vond ik het PMS, nu het CLB, racistisch omdat ze tegen mijn vader hadden gezegd dat ik mijnwerker moest worden terwijl ik voor ingenieur wilde studeren. Ik voelde me echt beduveld. Later bleek dat ze gewoon aan alle mijnwerkerszonen hetzelfde advies gaven. In hun ogen konden wij enkel in de mijn terecht.

Jij begon zelf in 1986, op je zestiende, in de mijn van Beringen te werken, waar je bent gebleven tot de sluiting in 1989. Hoe blik jij daarop terug?

Koçak: Ik herinner me vooral de kameraadschap. Als je samen in een gevaarlijke situatie zit, ga je sneller verbroederen. ‘Onder in de mijn is iedereen zwart’, heette het. De grote gevaren waren instortingen en gasophopingen, met het risico op ontploffing – niet kleur of afkomst. Ik herinner me nog dat we ooit na een kleine instorting gered moesten worden. Ik was zestien en zag de oudere mijnwerkers een voor een hun lamp uitdoen terwijl één iemand zijn lampje aanhield. Zij verzamelden al de batterijen, al het eten en voedsel en wij gingen daar in groep rond zitten. Daar heb ik geleerd wat camaraderie en groepsvorming betekent.

Zondag 31/7, Canvas, 21.05

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content