Eerstdaags verschijnt een analyse van het juridisch kluwen rond het Baskisch echtpaar dat vooralsnog niet aan Spanje wordt uitgeleverd. Een interview met de twee auteurs.

VRIJWEL IEDEREEN liet steken vallen bij de behandeling van het vooralsnog geschorste verzoek van Spanje tot uitlevering van Luis Moreno en zijn vrouw Rakel Garcia. Zowel de Spaanse als de Belgische justitie, evenals de verdediging van het echtpaar, de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep in Brussel en uiteindelijk ook de Raad van State bewezen in deze zaak andermaal hoe weinig nochtans bevoegde juristen afweten van internationale samenwerking in strafzaken. Dat is alvast de stelling die Tom Vander Beken en Gert Vermeulen, beiden assistenten strafrecht aan de Universiteit Gent, uiteenzetten in het volgend nummer van het tijdschrift ?Recente arresten van de Raad van State” ( Mys & Brees).

Vander Beken doctoreert over de overdracht van strafvervolging, zijn collega Vermeulen over de justitiële en politiële samenwerking in strafzaken in de Europese Unie. Beiden zijn ook de coauteurs van het stilaan bekende naslagwerk ?Internationale Samenwerking in Strafzaken en Rechtsbescherming” ( Politeia, 1995), dat nu in samenwerking met Justitie zou moeten uitmonden in een compendium voor magistraten en politiediensten. Steeds meer gerechtszaken geraken immers niet meer afgehandeld zonder rekening te houden met bi- en multilaterale rechtshulpverdragen en met de meestal gebrekkige implementatie ervan in eigen land. Als in het dossier van het echtpaar Moreno-Garcia iets bewezen is, dan is het wel dat. Wat liep er van bij het begin van de zaak fout ?

TOM VANDER BEKEN : Toen het aanhoudingsmandaat van 15 juni en het uitleveringsverzoek van 30 juni 1993 werden uitgevaardigd, was het Spaans-Belgisch bilateraal uitleveringsverdrag van 1870 nog altijd van kracht. Daarin worden de misdrijven limitatief opgesomd waarvoor uitlevering mogelijk is. Welnu, de feiten die het Baskisch echtpaar officieel althans ten laste worden gelegd, komen niet voor in het uitleveringsverdrag van 1870. Ook de verdediging heeft dat blijkbaar over het hoofd gezien.

Maar bij de afhandeling van het uitleveringsverzoek steunt België niet op dat bilateraal uitleveringsverdrag ; wel op het Europees uitleveringsverdrag van 1957, dat nota bene slechts in maart 1995 van kracht werd : na het afsluiten van de gerechtelijke procedure.

VANDER BEKEN : Toen het Spaans verzoek tot uitlevering er op 30 juni 1993 kwam, was uitsluitend het bilateraal uitleveringsverdrag van 1870 van kracht. Tot het Schengen-verdrag op 26 maart 1995 in België van toepassing werd. Dat verving meteen het aloude bilateraal uitleveringsverdrag van 1870 en verleende, via een inhaalmaneuver, ook het Europees uitleveringsverdrag van 1957 in België de nodige rechtskracht, hoewel het parlement dat verdrag nooit ratificeerde. Op 26 maart 1995 was echter, sinds het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 23 juli 1993, de gerechtelijke procedure inderdaad afgerond. Dat wil zeggen dat ook de verdediging voor 26 maart 1995 uitsluitend op het bilateraal uitleveringsverdrag van 1870 kon steunen. Zodra echter het Schengen-verdrag in maart 1995 van kracht werd, ging blijkbaar iedereen ervan uit dat dit zomaar retroactief van toepassing kon zijn. Volkenrechtelijk is dat niet zo evident.

Zijn de procesrechtelijke waarborgen dan echt aangetast, zoals u schrijft ?

VANDER BEKEN : De Nederlandse Hoge Raad, de tegenhanger van ons Hof van Cassatie, is terzake formeel.

GERT VERMEULEN : Krachtens de Nederlandse rechtsspraak had Spanje, zodra het verdrag van Schengen van kracht werd, een nieuw uitleveringsverzoek aan België moeten richten, dat in overeenstemming was met het vanaf dat ogenblik vigerende Europees uitleveringsverdrag van 1957.

VANDER BEKEN : België had dat uiteraard aan Spanje kunnen of moeten vragen.

VERMEULEN : Ook de verdediging aanvaardde blijkbaar dat de betrokken landen van de ene dag op de andere zomaar een ander verdrag inriepen. Niemand stond daarbij stil.

Bovendien was het Spaanse uitleveringsverzoek van meet af aan ontoelaatbaar. Want, zoals u schrijft, is er in het Spaans-Belgisch uitleveringsverdrag van 1870 nergens sprake van het verschaffen van logies en vervoer ; feiten waarvoor het Baskisch echtpaar aangehouden en uitgeleverd zouden worden.

VANDER BEKEN : Heling van misdadigers komt in de limitatieve lijst van artikel 2 van dit verdrag niet voor en kan dus geen reden zijn tot uitlevering.

VERMEULEN : Bovendien expliciteren noch de minister van Justitie, noch de Kamer van Inbeschuldigingstelling, noch de Raad van State, noch de verdediging waarom de geïncrimineerde feiten al dan niet onder de toepassing vallen van het Europees verdrag ter bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977, in casu van artikel 1 waarin sprake is van ?gebruik van bommen, (hand)granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven…” De geïncrimineerde feiten kunnen, ons inziens, evenmin geïnterpreteerd worden als een ?poging tot” of ?deelneming aan” die gewelddaden. Er zou mogelijk sprake kunnen zijn van medeplichtigheid, maar dat blijkt nergens. Laat staan dat dit hard gemaakt wordt. Maar dat is een breekpunt in de hele discussie. Mocht het Baskisch echtpaar zijn beschuldigd van medeplichtigheid aan terreuraanslagen, dan zou het zonder meer uitgeleverd mogen worden. Vooraleer er echter, naar Belgisch recht, sprake kan zijn van medeplichtigheid, zou het Baskisch echtpaar de gewoonte moeten gehad hebben logies en vervoer te verschaffen aan ETA-terroristen. Ook dat wordt nergens aangetoond. Dat element komt zelfs in geen enkel van de arresten ter sprake.

Wat had Spanje dan wel moeten doen ?

VERMEULEN : Een sterker dossier met een betere bewijslast voorleggen. Luis Moreno en Rakel Garcia worden geassocieerd met terroristen en moorddadige aanslagen, maar naar Belgisch recht vallen de betrokkenen niet eens als medeplichtigen daaraan te beschouwen. In het aanhoudingsmandaat wordt nergens een concreet feit vermeld dat rechtstreeks verband houdt met terreurdaden. Hadden de Spaanse autoriteiten trouwens nooit met zoveel nadruk beweerd dat het om leden van de Baskische afscheidingsbeweging ETA ging wat betrokkenen ontkennen dan zou de Kamer van Inbeschuldigingstelling op 23 juli 1993 wellicht nooit tot het besluit gekomen zijn dat het hier om ?politiek geïnspireerde daden” gaat. En dan zou ze de regering hoogstwaarschijnlijk de raad gegeven hebben het koppel als doordeweekse misdadigers uit te leveren.

VANDER BEKEN : In dat verband moet toch wel gewezen worden op de merkwaardige positie van België in het internationaal strafrecht. In tegenstelling tot andere Europese landen heeft de rechterlijke macht in België bij uitleveringen slechts een adviserende, en zeker geen doorslaggevende rol. Als een rechtbank in andere landen oordeelt dat iemand niet mag uitgeleverd worden dan kan de minister van Justitie die beslissing niet naast zich neerleggen. Bij ons wel. Al is het hoogst uitzonderlijk dat een minister, na een negatief advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, toch uitlevert. Soms is het zelfs omgekeerd en wordt er na een positief advies niet uitgeleverd. Om politieke en diplomatieke redenen dan.

Welke verdragen inzake internationale samenwerking in strafzaken had België moeten ratificeren om deze zaak op te lossen ?

VERMEULEN : Had ons land het Europees Verdrag inzake de overdracht van strafvervolging van 15 mei 1972 niet alleen ondertekend maar, zoals Spanje, ook geratificeerd dan zou het mogelijk zijn geweest om de Spaanse rechtsmacht aan België over te dragen. Het gerecht in België had dan de Basken zelf kunnen vervolgen.

België had ook het Europees verdrag inzake internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970 kunnen ratificeren, zoals Spanje deed in december 1994. Bij een mogelijke veroordeling in Spanje zou het echtpaar Moreno-Garcia dan de opgelegde straf in België kunnen uitzitten.

VANDER BEKEN : Ratificeren is zelfs niet voldoende als de nodige nationale wetgeving achterwege blijft om dit soort verdragen te implementeren. De Belgische rechtshulpwetgeving is quasi onbestaand. Anderzijds biedt de procedure van uitlevering weinig waarborgen. Zolang een uitleveringsprocedure loopt, blijft de betrokkene immers ter beschikking van de regering en kan hij of zij maanden lang gevangen gezet worden zonder dat een rechter zich in de raadkamer over deze vrijheidsberoving kan uitspreken. De procedure in kort geding, zoals trouwens in dit geval eind 1993 aangewend, is de enige om mogelijk uit de greep van de uitvoerende macht, zeg maar uit de gevangenis, te geraken.

VERMEULEN : In het kader van het verdrag van Maastricht hebben de vijftien Europese lidstaten op 10 maart 1995 wel een intergouvernementeel verdrag ondertekend aangaande een vereenvoudigde procedure tot uitlevering, maar ook dit is nog door geen enkele lidstaat geratificeerd. Anderzijds wordt nu op het niveau van de Europese Unie over een meer omvattend uitleveringsverdrag onderhandeld. Daar dringt onder andere België erop aan politieke motieven uit te sluiten om een verzoek tot uitlevering te weigeren, als dit verzoek althans uitgaat van een van de vijftien lidstaten.

Dat is dan toch het einde van het eeuwenoude asielrecht.

VERMEULEN : Iemand kan als politiek vluchteling worden beschouwd wanneer hij in zijn land het gevaar loopt omwille van politieke motieven vervolgd te worden. Maar dat wil daarom nog niet zeggen dat die persoon een politiek misdrijf pleegde.

VANDER BEKEN : Als een Belgische rechtbank de zaak Moreno-Garcia als een politiek misdrijf bestempelt, dan wordt daarmee geen wantrouwen in de Spaanse justitie geuit. Daarmee wordt alleen bedoeld dat het Belgisch gerecht zich niet inlaat met de interne aangelegenheden van een ander land. Zo’n uitspraak sterkt echter algauw het vermoeden dat de Belgische raadsheren en rechters betwijfelen of het echtpaar Moreno-Garcia in Spanje een eerlijk proces te wachten staat.

VERMEULEN : Er mag evenmin beweerd worden dat de Raad van State, door de schorsing van het ministerieel uitleveringsbevel, laat verstaan dat de Spaanse hoven en rechtbanken de mensenrechten niet eerbiedigen. De Raad zegt zelfs dat er geen enkele reden is om zoiets te vermoeden.

Het signaal van de Belgische raadsheren, om te beginnen dat van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, aan de Belgische en Spaanse regeringen is toch niet mis te verstaan.

VANDER BEKEN : Het is heel merkwaardig dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling hier van een politiek misdrijf sprak. Professor Chris Van den Wyngaert (UIA) heeft in het kader van haar doctoraat en haar boek ?The Political offence exception to extradition” ( Kluwer, 1980), ook ten aanzien van Spanje, vastgesteld dat misdrijven waarvoor de uitlevering gevraagd wordt des te minder als politiek misdrijf worden gekwalificeerd naarmate het land, dat om uitlevering vraagt, democratischer is. En vice versa. Zo kregen misdrijven ten tijde van de Spaanse Franco-dictatuur in het buitenland vrij vlug een politiek etiket en werden de Spaanse voortvluchtigen niet uitgeleverd. Na Franco gingen de landen weer makkelijker aan Spanje uitleveren. Vandaar dat het arrest van de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) van 23 juli 1993 wel degelijk als een politiek signaal kan geïnterpreteerd worden. Het is zelfs een trendbreuk. De KI strikt de Spaanse autoriteiten in hun eigen woorden. Zij voeren immers aan dat het Baskisch echtpaar lid is van de ETA. En zelfs indien dit, zoals de betrokkenen beweren, niet waar is, dan zijn, volgens de KI, de daden waarvan zij verdacht worden ongetwijfeld ingegeven door politieke motieven.

Hoe kon de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen op 12 januari 1996 dan het echtpaar Moreno-Garcia het statuut van politiek vluchteling weigeren en daarmee de beslissing van het commissaris-generaal voor de Vluchtelingen van 16 februari 1994 bevestigen ?

VERMEULEN : Zelfs wanneer bepaalde feiten door een Hof van Beroep als een politiek misdrijf worden bestempeld, is deze beslissing niet in verband te brengen met de behandeling van een asielaanvraag. Het is een foute bewering als zou er geen sprake meer zijn van een politiek misdrijf omdat de aanvraag tot politiek asiel verworpen is. Dat wordt verleend wanneer de betrokkene kan aantonen dat hij of zij, bij een mogelijke terugkeer naar zijn of haar land van herkomst, zal vervolgd worden om politieke redenen.

Een lid of sympathisant van de ETA is daarom nog geen misdadiger aan wie concrete misdrijven kunnen verweten worden. De weigering van de Vaste Beroepscommissie om het echtpaar Moreno-Garcia als politieke vluchtelingen te erkennen, sluit niet in dat de feiten die hen ten laste worden gelegd geen politiek misdrijf kunnen zijn. Zelfs indien dit argument, ons inziens ten onrechte, door de minister van Justitie a contrario in zijn uitleveringsbesluit wordt aangewend. Hij wachtte duidelijk op de uitspraak van de Vaste Beroepscommissie, verwijst er zelfs naar en legt zo een juridisch moeilijk te verantwoorden brug tussen beide procedures.

VANDER BEKEN : Het is niet omdat de twee geen asiel krijgt dat de minister ze moet uitleveren.

VERMEULEN : Zelfs indien de minister, ons inziens ten onrechte, van oordeel is dat de geïncrimineerde feiten onder het artikel 1 van het Europees verdrag ter bestrijding van het terrorisme vallen, dan kon hij nog krachtens artikel 13 van dit verdrag de uitlevering weigeren. De minister van Justitie heeft hier andermaal een a contrario redenering opgebouwd. Zowaar in antwoord op de Kamer van Inschuldigingstelling, zegt hij dat het wel degelijk om zwaarwichtige feiten gaat en dat hij daarom moet uitleveren. Ook dit is juridisch onjuist. Hij had niet meer kunnen zeggen dan dat hij geen gebruik wenste te maken van het voorbehoud zoals in artikel 13 voorzien.

In uw analyse laat u verstaan dat ook de Raad van State er zich vooralsnog gemakkelijk van af maakte.

VANDER BEKEN : De Raad heeft niet uiteengezet waarom het Europees verdrag ter bestrijding van het terrorisme in deze zaak niet van toepassing is. De minister zei dat artikel 1 e en f van toepassing zijn. De Raad van State beweert zonder meer het tegendeel.

Toch heeft de Raad er nog op gewezen hoe de minister van Justitie zichzelf beperkte door uitlevering toe te staan op grond van de feiten vermeld in het aanhoudingsmandaat, zonder te verwijzen naar mogelijk zwaardere feiten die in de Spaanse aanvraag tot uitlevering misschien wel worden vermeld.

VERMEULEN : Zelfs indien dit zo zou zijn, dan is het nog irrelevant. Vonnissen en arresten worden gemaakt op grondslag van de bewijzen die worden aangevoerd.

VANDER BEKEN : En zowel de Spaanse als de Belgische regering hebben een zwak dossier. Als zij denken zwaarwichtigere feiten te kunnen aanbrengen, dan moeten zij dat maar doen en bewijzen dat het Europees verdrag ter bestrijding van terrorisme in dit geval wel degelijk van toepassing is. Of een duidelijke medeplichtigheid aantonen. Politiek is het hoe dan ook een mislukking als een uitlevering niet doorgaat tussen landen die anders goed met elkaar kunnen opschieten en als verdachten de facto bijna vrijgesproken worden ; indien zij finaal toch niet zouden uitgeleverd worden.

Frank De Moor

Het Baskisch echtpaar Moreno-Garcia werd uiteindelijk vrijgelaten en niet uitgeleverd aan Spanje, maar blijft voor een juridisch kluwen zorgen.

Wie sympathisant of zelfs lid is van de Baskische afscheidingsbeweging ETA is daarom nog geen misdadiger.

De strafrechtspecialisten Tom Vander Beken (links) en Gert Vermeulen : alle betrokken instanties lieten steken vallen bij de behandeling van de Spaanse aanvraag tot uitlevering.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content