Belgen staan doorgaans zeer terughoudend tegenover genetische ingrepen. Jongeren tonen bovendien weinig belangstelling voor wetenschap. Dat blijkt uit het derde deel van een onderzoek naar het standpunt van Belgen omtrent genetische toepassingen.

Twee keer volgt er een duidelijk antwoord. Als het erop aankomt de genen van de mens te wijzigen om een dodelijke ziekte zoals kanker te genezen, vindt een overgrote meerderheid van de Belgen die ingreep aanvaardbaar. Wordt gevraagd of ouders door een genetische ingreep de intelligentie van hun ongeboren kind mogen wijzigen, oordeelt een nog grotere meerderheid dat zoiets niet kan.

Dergelijke vragen behoren vandaag niet meer tot de sciencefiction. De mens kan in zijn genetisch erfgoed ingrijpen, en hij staat daarmee voor een van de grootste uitdagingen van de voorbije decennia. Het debat over genetische manipulatie moet nog volop worden gevoerd, maar komt zeer snel op ons af.

In mei van dit jaar publiceerde Knack de eerste twee rapporten over een peiling naar de aanvaardbaarheid van genetische toepassingen. Die enquête vond plaats in het kader van het samenwerkingsverband tussen de onderzoeksgroep TOR van de Vakgroep Sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel, de verzekeringsmaatschappij P&V en Knack. Het idee om te peilen naar de houding van de Belgen tegenover het gebruik van de genetica rees, toen dezelfde partners twee jaar geleden het draagvlak van solidariteit in de samenleving onderzochten. Daaruit bleek dat de ontwikkeling van de genetica op termijn de solidariteit in de samenleving zou kunnen bedreigen. De evolutie van de gentechnologie maakt namelijk dat de risico’s van het leven meer en meer kunnen worden voorspeld.

De eerste rapporten leerden dat de visie van de Belgen op de genetica vooral door twee vragen wordt bepaald. Of de ingrepen te maken hebben met mensen, dieren of planten; en of hun bedoeling al dan niet medisch is. De conclusies waren eenvoudig. Dient de toepassing een medisch doel en heeft ze betrekking op mensen, dan bezit ze een groot draagvlak. Ingrepen met een medische bedoeling, die niet op mensen worden toegepast, oogsten al veel minder bijval. Bij ingrepen zonder medisch opzet, verdwijnt de steun zo goed als helemaal.

Mensen accepteren bijvoorbeeld een ingreep waardoor ze eventueel van een ziekte kunnen genezen. Impliceert die operatie echter dat dieren genetisch worden gemanipuleerd om geneesmiddelen te maken, slaat de twijfel al toe. Dan wordt men als het ware gegrepen door de vrees voor de onbekende gevolgen van een genetisch gewijzigde omgeving. Toepassingen met een louter esthetische bedoeling of toepassingen gericht op de verbetering van de smaak van een product, maken bij de Belgen helemaal geen kans.

De houding tegenover de genetica wordt overigens nauwelijks beïnvloed door de levensbeschouwing van de ondervraagden. Wel blijkt dat mensen die het groene gedachtegoed genegen zijn, zich doorgaans meer weigerachtig opstellen tegenover genetische manipulatie. Hetzelfde geldt voor personen die een ethisch conservatief standpunt innemen, en zich bijvoorbeeld tegen abortus en euthanasie kanten.

Nut en risico

De houding van de Belgen tegenover genetische ingrepen wordt ook sterk bepaald door een soort nutscalculus. Men heeft een idee van de risico’s en van het nut van bepaalde toepassingen en maakt een soort afweging tussen beide. Wie het nut groter acht dan de risico’s, is sneller geneigd de ingreep te accepteren. Wie het omgekeerde concludeert, zal de toepassing verwerpen. Het maakt op zichzelf weinig verschil: ook zo bekeken, luidt het besluit dat medische ingrepen meer worden aanvaard dan niet-medische.

Volgens professor Mark Elchardus die het onderzoek leidde, betekent dat echter niet dat de houding tegenover de genetica helemaal in termen van nut en risico kan worden verklaard. De indruk dat een toepassing nuttig is of een risico inhoudt, steunt meer op gevoel dan op kennis. Veel kennis van de genetica hebben de mensen namelijk niet. ‘We vroegen ons af of er niet nog een factor in het spel was. Dat kon wel eens de houding zijn, die de mensen tegenover wetenschap en technologie aannemen. Wetenschap en technologie spelen al 400 jaar een centrale rol in de maatschappelijke ontwikkeling. Er waren momenten waarop het vooruitgangsdenken overheerste, dat in de weldaden van de wetenschap gelooft. Er waren ook jaren van cultuurpessimisme, dat de negatieve kanten van wetenschap en technologie benadrukt. De genetica is vandaag de speerpunt van de wetenschappelijke ontwikkeling. Misschien bepaalt de algemene houding van de mensen tegenover wetenschap en technologie of ze bang zijn van de genetica of er integendeel in geloven.’

De enquête mat de positionering van de Belgen tegenover wetenschap en technologie op twee manieren. Eerst door naar de mate van interesse te peilen en daarna door de houding tegenover de wetenschap zelf na te gaan. De belangstelling voor de wetenschap is in België matig. Ze ligt in elk geval merkelijk lager dan in de Verenigde Staten of Japan. Bovendien zijn jonge mensen duidelijk minder geïnteresseerd dan oudere.

Daartegenover staat een uitermate positieve waardering van de wetenschap en technologie. Bijna 72 procent van de Belgen gelooft dat wetenschap en technologie voor de volgende generatie meer kansen zullen creëren en precies 60 procent vindt dat ze het leven makkelijker en comfortabeler maken. Merkwaardig genoeg wordt opnieuw getwijfeld wanneer men moet oordelen of de wetenschap meer voor- of nadelen biedt. Ook de eenvoudige vraag of de wetenschap bijdraagt tot de gezondheid, krijgt geen duidelijk antwoord.

‘Het spreekt vanzelf dat wie belangstelling heeft voor de wetenschap, er ook positiever tegenover staat’, zegt Mark Elchardus. ‘Daarnaast is er ook een sterk verband met de leeftijd. Jonge mensen blijken sceptischer en dat is geen goede ontwikkeling. De kans bestaat dat elke generatie zich een beetje minder positief opstelt. De scepsis tegenover de wetenschap, die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw de kop opstak, zet zich dus voort. Neem nu die vraag of de wetenschap meer voordelen biedt of meer schadelijke gevolgen heeft. Van de mensen tussen 18 en 25 jaar zegt 20 procent dat de voordelen groter zijn. In de leeftijdsgroep tussen 66 en 75 jaar deelt 44 procent die mening – dat is meer dan het dubbele. De overheid zou zich zorgen moeten maken over die tendens, want ze kan het aantal wetenschappelijke roepingen beïnvloeden en op termijn een effect hebben op de hoeveelheid natuurwetenschappers en ingenieurs waarover ons land kan beschikken.’

Weerstand in Wallonië

Maar wat betekenen die vaststellingen over de houding van de Belgen tegenover wetenschap en technologie voor de aanvaardbaarheid van genetische toepassingen? Het onderzoek maakt daarvoor opnieuw een onderscheid tussen toepassingen met een medische en toepassingen met een niet-medische bedoeling. Die laatste categorie wordt over het algemeen heel zwak aanvaard. Er is maar één toepassing uit het lijstje, waarvoor een meerderheid van de Belgen te vinden is: dat onvruchtbare koppels met behulp van de genetica toch kinderen kunnen krijgen. Een ingreep die de intelligentie van een nog niet geboren kind wil wijzigen, wordt door vrijwel niemand aanvaard.

‘Het is interessanter om naar de aanvaardbaarheid van toepassingen met een medische bedoeling te kijken’, zegt Elchardus, ‘want daarvoor bestaat wel een groot draagvlak.’ Toch stelt het onderzoek ook in die categorie grote verschillen vast. Die hebben met de nutscalculus en met de houding tegenover wetenschap en technologie te maken. Mensen die in een ingreep meer nut dan risico zien, staan er in grotere mate achter. Mensen die minder nut en meer risico vermoeden, zijn geneigd om de toepassing te verwerpen. Zo vond bijvoorbeeld maar 15 procent van de ondervraagden uit die laatste groep het goed dat het genetisch materiaal van dieren wordt gewijzigd om er geneesmiddelen voor mensen van te maken. Diezelfde ingreep wordt door bijna 60 procent van de mensen goedgekeurd, die in de genetica meer nut dan risico zien.

Mensen met een positieve instelling tegenover de wetenschap vinden bijna alle voorgelegde voorbeelden van genetische manipulatie acceptabel. Uit de cijfers blijkt het verschil van mening met mensen die een negatieve houding tegen-over de wetenschap aan de dag leggen, soms behoorlijk groot. Een toepassing die genetisch materiaal van muizen wil wijzigen om inzicht te krijgen in ziektebeelden bij mensen, vindt genade in de ogen van 63 procent van de mensen die positief tegenover de wetenschap staan. Maar slechts 27 procent van de mensen met een negatieve houding vindt dat zo’n ingreep door de beugel kan.

Wat kon worden verwacht: ethisch-conservatieve mensen en mensen die het groene gedachtegoed aanhangen, zijn in mindere mate voorstander van medische toepassingen. De grootste voorstanders wonen in Vlaanderen, terwijl de sterkste weerstand in Wallonië wordt genoteerd. Elchardus verklaart dat verschil door een grotere verspreiding van het groene gedachtegoed bezuiden de taalgrens.

De onderzoekers gaan ervan uit dat het nakende debat over het gebruik van de genetica zal worden gevoerd in termen van nut en risico, maar dat de kampen zich toch vooral zullen afbakenen op basis van de houding die de mensen tegenover de wetenschap aannemen. Als het over toepassingen met een medische bedoeling gaat, lijkt het debat al enige structuur te krijgen. Voor de toepassingen met een niet-medische bedoeling is dat nog niet het geval. Duidelijk is wel dat mensen met een hogere opleiding dergelijke praktijken helemaal niet zien zitten. Misschien kunnen zij zich gemakkelijker voorstellen wat de gevolgen van ingrepen in de natuur kunnen zijn.

INFO : Volgende week: Het gebruik van genetische informatie in de werksfeer, bij verzekeringsmaatschappijen en bij politiediensten.

Door Gerry Meeuwssen en Hubert van Humbeeck

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content