?Het olympisch jaar 1996 is al lang bezig,” zegt sekretaris-generaal van het olympisch komitee Guido De Bondt. Op weg naar de Spelen van Atlanta : een stand van zaken.

OP SPORTGEBIED zal dit jaar de negentiende juli veel aandacht naar zich toezuigen. Dan beginnen in Atlanta de twintigste Olympische Spelen. Voor de negende keer al Zomer- en Winterspelen samen bereidt Guido De Bondt, sekretaris-generaal van het Belgisch olympisch en interfederaal komitee, zich op dit mega-evenement voor. Zijn ervaring : de voorbereiding vangt almaar vroeger aan.

GUIDO DE BONDT : Het wordt elke keer complexer. Het organizatiekomitee maakt het telkens nog moeilijker voor zaken die ik begrijp en die noodzakelijk zijn. Bij mijn eerste werkbezoek aan Atlanta, enkele maanden na de Spelen van 1992 in Barcelona, stootte ik op problemen om hotelkamers te vinden voor onze Vips en voor de modale Belg die wil komen kijken. In Sydney zijn nu al, met het oog op de Spelen van 2000 daar, alle hotelkamers geblokkeerd.

Ander voorbeeld : de plaatsen voor de terugreis van de ploeg op 5 augustus zouden we twee of drie jaar van tevoren moeten blokkeren, maar dat kan niet omdat die stoelen slechts één jaar van tevoren beschikbaar zijn. Wie op dat moment belt, krijgt echter te horen dat er al stoelen weg zijn wat teoretisch dus niet kan.

Ook de voorbereiding van de atleten beantwoordt wellicht meer en meer aan lange-termijnwerk.

DE BONDT : Een atleet voorbereiden op Olympische Spelen duurt vijf à tien jaar. Waardevolle jonge elementen worden gemiddeld genomen en ruwweg geschat rond hun veertiende ontdekt. Na een stelselmatige opbouw wordt met deze atleten gescoord als ze tussen 20 en 24 jaar zijn. Jean-Michel Saive, bijvoorbeeld, was al op veertienjarige leeftijd in een beperkte kring gekend. Straks vertrekt hij als kandidaat-medaillewinnaar naar Atlanta, hij is ondertussen 25 jaar. In het geval van Saive heeft zijn direkte omgeving zijn ouders, vooral veel gekonkretizeerd.

En dus is hij misschien een slecht voorbeeld.

DE BONDT : Niet noodzakelijk. Ik geloof niet dat iemand de top kan bereiken zonder steun in zijn direkte omgeving. De enige uitzondering die ik meemaakte, vormde Robert Van de Walle. Maar dat kan niet gelden als referentie, een instelling als de onze mag zoiets niet aanmoedigen. De aanpak van Van de Walle, die met alles en iedereen brak, beantwoordt niet aan de ideale omstandigheden om een topsporter te worden. Saive daarentegen kan wel een voorbeeldfunktie hebben.

U noemt hem een kandidaat-medaillewinaar. Hoe schat u, in het kader van Atlanta, het potentieel van de Belgische topsport in ?

DE BONDT : We hebben nu een mooi potentieel, dat hadden we ook wat verwacht. In Barcelona was deze lichting nog te jong : ik denk dan aan Ulla Werbrouck, Gella Vandecaveye, Saive, en nog anderen. In deze lichting zitten ook sporters van wie we dachten : dat gaat niet meer lukken, maar die toch de draad weer opnamen. Brigitte Becue en Frederik Deburghgraeve, bijvoorbeeld. En dan zijn er de atleten die in Atlanta hun carrière afronden, met Annelies Bredael als boegbeeld. Anderzijds is het voor België mooi meegenomen dat Atlanta professionele wielrenners duldt, en dat de olympische wegwedstrijd op een lichtlopend parkoers ligt uitgetekend, zodat de Belgen daar kunnen meespelen. Het doet denken aan Waals-Brabant, Johan Museeuw en Johan Bruyneel en ook sprinters als Tom Steels en Wilfried Nelissen hebben daar een kans.

Wij zijn optimistisch, en we kunnen dat staven met resultaten. In 1995 behaalden de Belgen negentien medailles op wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen. In 1994 waren dat er maar twaalf, en in 1993 zelfs maar zes. Deze manifeste progressie is een vertaling van wat we zagen groeien.

Dat optimisme kontrasteert schril met de alarmsignalen die, bijvoorbeeld, de voetbalwereld verstuurt.

DE BONDT : Dat onze basis te smal blijft, is een duidelijk gegeven. Toch geloven we dat er, bij wijze van spreken, onder elke kerktoren talent zit. Het olympisch komitee benadert dat pragmatisch. We hebben een groep van mensen met talent, enkelen daarvan een paar honderd, hooguit willen van dat talent een doel maken, koesteren de ambitie om topatleet te worden. De jongste jaren werken we gezamenlijk, samen met de sportadministraties en waar het kan met de federaties, om een klimaat te creëren waarin die atleet het gemakkelijker krijgt. Dat klimaat was er vroeger, pakweg tien jaar terug, zeker niet. Toen bestonden er obstakels. Vanuit de politieke wereld, bijvoorbeeld, die geen faciliteiten wou geven. Vandaag is er wel een ontwerp van wet, nog gemaakt door meneer Monfils, en nog twee ontwerpen van dekreet voor de Franstalige gemeenschap, die duidelijk ingaan op wat wij al tien jaar vragen. Onze wensen zijn bespreekbaar geworden. Als wij praten met sommige ministers van de Sport, horen we niet meer : dat gaat niet. Volgens mij heeft dat te maken met de spraakmakende resultaten die we in meerdere sportdisciplines boekten. Ik geloof dat wij het effekt van, bijvoorbeeld, de uitslagen van onze zwemmers op de Europese kampioenschappen niet mogen onderschatten.

Nee, maar de noodkreten over de belabberde fysieke konditie van de Belgische jeugd mogen ook niet onderschat worden.

DE BONDT : Het fysieke peil van onze jeugd blijft slecht, dat zal op korte termijn ook niet verbeteren. Het olympisch komitee hoopt daarin toch een positieve bijdrage te leveren via de voorbeelden die onze topatleten geven. Jongeren spiegelen zich aan een topatleet. In Groot-Brittannië werd dat bewezen : ten tijde van het fenomeen- Comaneci steeg het aantal leden van de turnbonden spectaculair. Bij ons kende het judo een enorme toename van aantal leden met eerst Robert Van de Walle, gevolgd door Ingrid Berghmans, en nu de huidige generatie.

Weet u, we zijn een volk van zwartkijkers. We sparen, we durven ons geld niet uitgeven. Die mentaliteit valt ook terug te vinden in de sport. We moeten ook eens durven zeggen dat het goed is, vind ik. Ik merk vooruitgang in ons tennis, met zowel bij de mannen als de vrouwen een handvol atleten in de top-honderd van de wereldranglijst. Akkoord, atletiek de kapstok van de olympische sporten blijft steken en verhindert straks dat we met een ongemeen homogene ploeg afreizen. Maar daarentegen mogen we nog altijd hopen op het uitsturen van een ploeg, namelijk in het hockey. De beslissing valt in de loop van januari. Dat België nog een ploeg naar de Spelen stuurde, dateert van twintig jaar geleden. Natuurlijk is het jammer dat het voetbal ontbreekt. Maar met een olympische-voetbalploeg-visie op de voetbalbond zouden we wél gaan. Want dan mag beloftencoach Ariel Jacobs verder doen met de ploeg waarmee hij begon, terwijl hij nu zijn beste elementen zag doorstoten naar het A-team. Nu, ik heb er alle begrip voor dat de voetbalbond vooral zijn A-ploeg wil uitbouwen. In de toekomst moeten we daar een kombinatie zoeken.

Laten we ons echter niet fixeren op het negatieve. In een aantal sporten tellen we internationaal mee. Er is een gunstige kern aanwezig, daarvan wil het olympisch komitee profiteren om een positief imago van topsport naar buiten te dragen, ook en vooral omdat zoiets de basis ten goede komt.

Op de multidisciplinaire stage trof me alvast de ingesteldheid van de huidige generatie topsporters. De atleten maakten daar onder elkaar een prognose van het aantal medailles dat ze samen zouden veroveren in Atlanta. Dat maakte ik eerder nooit mee. Welnu, de atleten kwamen in onderling overleg aan negen of tien medailles. Ik hoorde atleten zeggen : natuurlijk ga ik een medaille pakken. Dat zelfvertrouwen van de atleten was opzienbarend, en dat gaf aan : daar zat niet om het even wie, daar zat werkelijk potentieel. Mensen die van medailles mogen dromen, durven dromen en het nog durven zeggen ook.

U sprak van een gunstig politiek klimaat, maar grote financiële inspanningen levert de politieke overheid niet.

DE BONDT : In elk geval zijn onze kontakten met de politieke overheid goed. We weten ook dat de politieke overheid bepaalde wensen heeft naar ons toe.

Welke ?

DE BONDT : Och, de een al wat meer uitgesproken dan de andere. Naar het statuut van het olympisch komitee, bijvoorbeeld : onze unitaire struktuur steekt bepaalde politici. Maar ik vind dat het BOIK de staatsstrukturen tenvolle respekteert, dat valt binnen onze interne struktuur terug te vinden in de interfederale raad voor de sport, zowel langs de Vlaamse als Franstalige kant. Op provinciaal vlak bouwden we sterke strukturen uit, toen er nog lang geen sprake was van een splitsing van de federatie. Wél denkt het komitee dat het nog altijd een koördinerende rol te vervullen heeft, in de eerste plaats op basis van de internationale verplichtingen.

We weten ook dat de politieke overheid financiële problemen kent. Laten we eerst de middelen, die we wél krijgen, maximaal gebruiken.

Hoeveel steekt er in die enveloppe ?

DE BONDT : Dat zal grosso modo rond de tweehonderd miljoen frank liggen. Peanuts. Maar je kan met tweehonderd miljoen zo veel mogelijk proberen doen en je kan met tweehonderd miljoen helemaal niets doen. Als iedereen in zijn hoek aan het werken is, doe je er niks mee. We zullen geregeld, op opportune momenten, bij de overheid blijven pleiten voor meer financiële middelen ; dat is de rol en de opdracht van het komitee. Maar een gebrek aan middelen mogen we nooit hanteren als argument om een eventuele achteruitgang van de sport te duiden. Van die mentaliteit moeten we weg. Tegenover de middelen die het wel krijgt, moet het BOIK resultaten stellen. Resultaten vormen het beste argument naar de overheid toe.

Speelt die resultaatgerichtheid ook mee in de kontakten en kontrakten met de commerciële partners ?

DE BONDT : Met onze huidige commerciële partners praten wij niet strikt in termen van resultaten. Er is een sterke band van onze commerciële partners. De meesten zijn al een tiental jaar bij ons. Natuurlijk vormen de Olympische Spelen een zeer belangrijk element in die relatie. Maar het BOIK ontplooit nog wel meer aktiviteiten, waarin de partner zich kan terugvinden. En er is, overkoepelend, de hele symboliek van de olympische beweging, die de commerciële partner kan benutten. De magie van het olympisme de filozofie die daarachter steekt, de waarden die het vertegenwoordigt creëerden we niet zelf, maar we kunnen het in onze commerciële kontakten wel aanbieden.

Resultaatongevoelig is vanzelfsprekend niemand. Bepaalde bedrijfsleiders zeiden na de Spelen van Barcelona : het had beter gekund. Vroegen zich, bijvoorbeeld, af : heeft het een strukturele oorzaak dat we in de judo vijf keer op een vijfde plaats strandden ? Maar dat een bedrijf zou afhaken omdat de Belgische ploeg slecht gepresteerd zou hebben op de Olympische Spelen, dat geloof ik niet.

Worden de cijfers van de kontrakten na Atlanta opnieuw bekeken, aangepast en ingevuld ?

DE BONDT : De kontrakten moeten opnieuw getekend worden voor het einde van dit jaar. Dat is om de vier jaar zo. Voor ons is dit dus een belangrijk jaar.

De voetbalbond regelt dat anders, daar overschrijden de kontrakten de grote toernooien.

DE BONDT : Het is een kwestie van strategie. Hoe onze strategie er zal uitzien voor de periode 1997-2000, wordt nu volop voorbereid.

Momenteel is er de strategie van de teambuilding met de commerciële partners. De commerciële partners klagen daar wel eens over : binnen die groep kunnen we ons niet meer profileren. Het is bijna mecenaat, hoor je wel eens.

DE BONDT : We kennen die klacht. Ik vind niet dat een bedrijf er zich over moet schamen dat het zich met een stuk mecenaat bezig houdt. Maar ze mogen ook de return niet onderschatten. Het Gemeentekrediet zou anders niet meer dan twintig jaar bij ons blijven.

De federaties dan weer beweren dat het olympisch komitee ze het gras van voor de voeten maait. Ernest De Vuyst van de wielerbond zei onlangs nog dat het BOIK alle sponsors wegkaapt.

DE BONDT : Neem het voorbeeld van het Gemeentekrediet, waarmee wij in exclusiviteit samenwerken. Welnu, bij mijn weten is er meer dan één bank in België. De Vlaamse tennisfederatie heeft een mooi kontrakt met de Kredietbank. De Vlaamse tennisfederatie heeft ook een mooi kontrakt met Opel, waar wij met Citroën werken. Er is meer dan één automerk, verzekeringsmaatschappij, grootwarenhuisketen : de commerciële wereld houdt toch niet op bij de veertig firma’s die een samenwerking met ons hebben.

Ik denk dat andere elementen maken dat de meeste van onze federaties niet zo ver staan. De meeste federaties en dat weten zij ook wel zijn wat laat aan een professionele uitbouw beginnen werken en teerden te lang op de inspanningen in de vrijwilligersbeweging. Maar het kan vandaag niet meer dat iemand bij de buurtspoorwegen een voltijdse job heeft en buiten zijn uren nog van links naar rechts moet lopen om sponsoring los te krijgen voor de federatie, waarvan hij voorzitter of sekretaris-generaal is. Meneer De Vuyst nam trouwens recent beslissingen personeelsaanwervingen, onder meer om dat in te vullen. Bij de basketbalbond denken ze nu ook aan een voltijds medewerker. Ik zei tien jaar geleden al tegen de toenmalige voorzitter : dat kan toch niet dat uw sekretaris-generaal of uw algemene direkteur iemand is die moeten verkozen worden en die twee jaar nadien kan worden buitengesmeten.

De federaties die niet professionalizeren, blijven hangen. Voor sommige federaties wordt dat moeilijk, omdat hun sport te klein is, zowel in het aantal leden als in de verspreiding. Die proberen we te helpen.

Het komitee moet in de wisselwerking met de federaties tegelijk globalizeren en diversifiëren. Hoe moeilijk is dat ?

DE BONDT : Dat is soms dansen op een slappe koord, ja. Wij moeten keuzes maken en een zo konsekwent mogelijk beleid voeren. Het olympisch komitee telt nu meer dan negentig leden-federaties, en is de emanatie van die federaties. Wij hebben teoretisch een samenwerking met al die leden. Met sommige van die federaties is die samenwerking veel nauwer dan met andere.

De meest voor de hand liggende keuze is de keuze voor de federaties die resultaten afleveren. Maar met die keuze verbreedt het komitee de al bestaande verschillen nog.

DE BONDT : U hebt in belangrijke mate gelijk. Toch doen we serieuze inspanningen voor de federaties die het op dit ogenblik minder goed doen. Dan zeggen wij : u hebt vandaag geen topatleet, maar voor ons is uw sport belangrijk. Het gebeurt dat we tegen federaties zeggen : u hebt geen technisch direkteur want, met alle respekt, de man die daar nu zit is niet goed genoeg. We berekenen hoeveel dat kost, we geven hen het geld, proberen hen uit het slop te krijgen.

Neem het geval van atletiek. Daar moet iets gebeuren. Zoals het nu is, kan het niet meer verder. Dat gaat sinds 1976 bergaf. Bij herhaling zeiden we tegen de mensen van de atletiekbond : er moet struktureel iets veranderen, wij bieden u de kans om dat te doen, wij zijn bereid om daarin te investeren. Op dat moment investeert het komitee niet in een atleet, maar werkt het aan de basis. Zonder de federaties te verplichten, ze behouden hun autonomie. Natuurlijk, als de federatie ons aanbod niet aanneemt, gaat onze portefeuille dicht. We zijn baas over onze eigen centen. We geven ons geld niet aan federaties die er dan hun zin mee doen.

Ander voorbeeld. Tot 1976 hadden wij een prachtige kern in het kano. Naar Moskou 1980 stuurde de kanofederatie nog elf atleten, maar dat was al de uitloper. Nadien raakte men er niet meer uit. Daarover hadden we veel gesprekken met sekretaris-generaal Vandeputte, die vol goede wil is en heel zijn leven besteedde aan de kanofederatie. Ik heb veel respekt voor die man, maar het ontbreekt zijn federatie aan professionele mensen. Hij zegt : ik kan die investering niet doen, gezien het beperkt aantal leden van mijn federatie. Goed, we trekken een Oostduitse trainer aan. Ik ben ervan overtuigd, met die man hadden we kunnen scoren. Maar hij stelde bepaalde eisen en voorwaarden, die op tegenkantingen van de klubs botsten. De klubs stonden niet open voor zijn kennis. Tegen vernieuwing bestaan vaak weerstanden, dat is begrijpelijk. Maar zo gaat die sport niet vooruit. Straks zendt de kanofederatie misschien drie atleten naar Atlanta. En mogelijk maar één.

Met sommige federaties is het op sommige ogenblikken : nul komma nul centiemen. Als wij elkaar echt niet vinden, dan geven wij er geen geld aan. Atletiek en kano zijn de exponenten van de terugval. Bij de meeste andere federaties boekten we wel resultaten, en gaan we er op vooruit. Voor ons is de balans positief.

Ben Herremans

De zwemmers Maene, Becue en Deburghgraeve duiken het water in. De Belgische atleten rekenen op negen, tien medailles.

Guido De Bondt : Een gebrek aan middelen mag nooit gehanteerd worden als argument voor de eventuele slechte gang van zaken.

Het team van de sponsors van het BOIK. Return via de magie van het olympisme.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content