‘Een goeie pianist is een dichter’

© Hiroyuki Ito/Getty Images

Zijn winst in het grote Chopinconcours maakte van Rafal Blechacz een Bekende Pool. Op zijn 30e komt de wereldster naar Brussel. ‘Ik zal het maar toegeven, niet álle jonge Polen zijn geïnteresseerd in mazurka’s.’

In oktober 2005 sprong heel Polen, 27 jaar nadat Karol Mojtyla paus was geworden, nog eens een gat in de lucht. Dit keer was de reden profaner, maar niet minder van staatsbelang: Rafal Blechacz had de vijftiende editie van het Internationale Chopinconcours in Warschau gewonnen. Het was van Krystian Zimerman in 1975 geleden dat die eer nog eens een Pool te beurt was gevallen.

Blechacz won afgetekend: het verschil met de andere kandidaten was zó groot dat de jury de tweede prijs simpelweg niet toekende – en dan moet u weten dat zelfs de eerste prijs in deze trotse wedstrijd niet wordt toegekend als er niet goed genoeg gespeeld wordt tijdens de finale. Ook het commentaar van de jury was ongewoon. Doorgaans wordt ‘een veelbelovende artiest’ gelauwerd. In dit geval zei een jurylid: ‘Blechacz is een van de grootste kunstenaars die ik in mijn leven heb ontmoet.’

Díé Rafal Blechacz, vandaag 30 jaar en nog altijd een van de wonderlijkste pianisten van zijn generatie, komt op 24 november naar Flagey in Brussel.

U was de eerste Poolse prijswinnaar in de Chopinwedstrijd sinds Krystian Zimerman. Wat betekende die winst voor u?

RAFAL BLECHACZ: Kijk, Chopin was een Pool, en hij maakte in zijn composities ook gebruik van Poolse muzikale figuren en dansen, en daardoor denken nogal wat mensen dat het als Pool makkelijker is om zijn mazurka’s en polonaises te spelen. Ik ben daar nog niet zo zeker van. (lacht) Voor mij tellen sensitiviteit en intuïtie. Alleen daarmee kun je een individuele interpretatie van een stuk brengen. Die kwaliteiten zijn het gereedschap om door te dringen in de logica van een muziekstuk. Eerlijk: er zijn pianisten van over de hele wereld die de Poolse dansen in Chopins muziek fantastisch kunnen spelen. Misschien is het als Pool iets makkelijker om in een mazurka of een polonaise een specifiek ritme te begrijpen, meer niet.

Zijn die tradities dan nog zo levendig in Polen, dat je in je jeugd nog iets van die gestileerde dansen meepikt? Het zal toch geen genetische aanleg zijn?

BLECHACZ: Tegenwoordig ligt het inderdaad moeilijker – jonge mensen zijn ook in mijn land meer in andere onderwerpen dan de mazurka geïnteresseerd. (grijnst) Maar in een niet zo ver verleden hadden veel mensen de mazurka en andere specifieke Poolse volksdansen echt onder de knie. Ben je een muzikant, wil je Chopin spelen – of Karol Szymanowski, die ook prachtige mazurka’s schreef – en wil je er het fijne van weten? Dan is het nog altijd mogelijk om die dansen te leren kennen. Je vindt er zeker een gepaste dansschool voor, en makkelijker in Warschau dan in Parijs. Je kunt recht naar de wortels van de muziek.

Na de Chopinwedstrijd kwam uw carrière in een stroomversnelling terecht. Maar het kost een muzikant veel tijd om grote muziek te doorgronden, terwijl hij daar minder en minder tijd voor krijgt in onze snelle samenleving. Hoe gaat u daarmee om?

BLECHACZ: Dat is inderdaad een probleem. Vroeger waren sommige aspecten van het pianistenvak makkelijker, of toch dankbaarder. Ik herinner me dat de winnaars van grote wedstrijden vroeger een sabbatical van twee jaar namen om zich op nieuw repertoire te concentreren. Ze hadden die tijd nodig om te studeren, om te herbronnen, om inspiratie te zoeken. (schudt het hoofd) Vandaag is het totaal anders. Twee jaar rust nemen, dat is ondenkbaar geworden. Er is zo veel te doen dat je niet doodleuk je deur kunt dichttrekken om rustig te doen wat je eigenlijk het liefste doet: pianospelen.

Na mijn overwinning was het belangrijk om het juiste evenwicht te vinden tussen concerten geven en het normale leven – wat voor een pianist betekent: hard studeren. Ik koos zorgvuldig de belangrijkste concertlocaties en festivals uit waar ik werd gevraagd. Zodat ik goed kon leven, maar ook genoeg tijd zou hebben voor studie en herbronning. Vandaag is het allemaal een beetje duidelijker: na tien jaar in het vak kun je jezelf toestaan om wat meer te spelen en meer opnamesessies te doen. Nu moet ik uitkijken dat ik genoeg tijd uittrek voor mijn familie.

Dat evenwicht en die onverstoorbaarheid apprecieer ik ook in uw muziek. Ze zijn een zeldzaamheid onder jonge pianisten.

BLECHACZ: Je hebt die balans nodig om een dichter te kunnen zijn. En dát is dan weer nodig om bijvoorbeeld Robert Schumann te spelen. Het afgelopen seizoen heb ik met veel plezier zijn Pianoconcerto gespeeld. En ik heb plannen om zijn carnavaleske cyclus Faschingsschwank aus Wien op te nemen.

Klassiek heeft op z’n zachtst gezegd niet meer het marktaandeel van de gouden jaren. Jongeren passen ervoor. Stemt dat u pessimistisch voor de toekomst van de klassieke muziek?

BLECHACZ: Ik ben nogal een optimist. Ik denk dat de wens om muziek live te ervaren zal blijven bestaan. Ik zie het in Japan, in Italië, in Spanje: er zijn zo veel mensen – ook jongeren – die naar de zaal willen komen om grote muziek te horen. Het concert zal blijven bestaan, daar heb ik vertrouwen in. Wellicht zal de cd verdwijnen, tegenwoordig kun je alles downloaden, ook recente opnames. Ik zie nog een moment komen waarop het simpelweg niet meer de moeite zal lonen om je muziek op te nemen.

Een cd is weinig meer dan een visitekaartje geworden.

BLECHACZ: Zo kun je het zien, ja. Maar nog eens: het belangrijke werk gebeurt in de zaal. Daar kun je mensen van allerlei pluimage van hart tot hart laten kennismaken met de pure, rauwe schoonheid van grote muziek. Dat kun je niet vervangen.

DOOR RUDY TAMBUYSER

‘Voor je het weet, kun je niet meer doen wat je het liefste doet: pianospelen.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content