Jacques Sys
Jacques Sys Jacques Sys is hoofdredacteur Sport/Voetbalmagazine

In de gloednieuwe Chocolade Jacques-ploeg moest sportdirecteur Johan Capiot dit seizoen al tal van zware stormen trotseren. Toch vaart hij resoluut zijn eigen koers. Ook zondag in de Ronde van Vlaanderen.

Johan Capiot heeft een gruwelijke hekel aan schijnheiligheid: ‘Ik kan geen komedie spelen, ik zeg altijd waar het op staat.’ Het zit ingebakken in zijn karakter. Als renner pakte de Limburger uit met ongezouten uitspraken en was hij niet bang om tegen schenen te stampen. Dat leverde hem een controversieel imago op, ook al omdat Capiot door zijn mentor Lomme Driessens zozeer werd opgehemeld dat er onrealistische verwachtingen ontstonden. ‘Ik was natuurlijk niet echt een topper’, weet Capiot van zichzelf, een zege in de Omloop Het Volk, Parijs-Tours en drie triomfen in de Brabantse Pijl ten spijt.

In februari 1999 zette Johan Capiot (37) een punt achter zijn carrière. Hij proefde even van het sportdirecteurschap bij zijn laatste ploeg TVM-Farm Frites, trok dan voor drie seizoenen naar de Nederlandse tweedeklasser Bankgiroloterij en draagt sinds dit seizoen de sportieve verantwoordelijkheid over de nagelnieuwe Chocolade Jacques-ploeg.

De start was er één met hindernissen en groeipijnen. Het kwam tot een aanvaring tussen Capiot en manager Jef Braekevelt, slechts moeizaam werden de plooien weer gladgestreken. Johan Capiot verloochent zijn principes niet. Openheid en eerlijkheid, zo beklemtoont hij, zijn de sleutelwoorden waarmee hij door het leven stapt.

Johan Capiot: Ik ben ervan overtuigd dat ik aan die openheid en eerlijkheid mijn huidige job te danken heb. Uiteindelijk is het niet zo evident om meteen na je carrière sportdirecteur te worden. De mensen weten wat ze aan me hebben: ik hoef niet rond de pot te draaien, ik zeg wat ik denk. Ik kan niet liegen. En ik durf van mezelf beweren dat ik iemand ben die het altijd voor de renners opneemt. Dat was ook in mijn actieve periode zo. Als ik vond dat we niet eerlijk werden behandeld, dan schuwde ik de confrontatie niet. Ik herinner me een rit in de Driedaagse van De Panne, in de periode dat ik voor Collstrop reed. Op een gegeven moment brak het peloton in tweeën, vooraan zat er slechts één man van onze ploeg. Willy Teirlinck was sportdirecteur en die gaf de verzorger opdracht om alleen de renner die vooraan zat een bevoorradingszakje te geven en de anderen niet. Dat betekende dat je een koers van 230 kilometer moet uitrijden zonder eten. Dat kan natuurlijk nooit. Na de koers ben ik meteen ergens een pannenkoek gaan eten en vervolgens ben ik op Teirlinck toegestapt om hem even mijn mening te zeggen. Ik weet: als renners kúnnen, dan zijn ze mee, ze gaan niet voor hun plezier in een geloste groep zitten.

‘In mijn periode bij TVM heb ik ooit eens Cees Priem bij zijn keel gepakt en tegen de muur gezet. Hij schrok geen klein beetje. Dat was na een wedstrijd in Nederland waarin we de hele dag in de aanval hadden gereden. Op het einde ging er twintig man weg, onder wie vier van TVM. Die hadden zoveel energie gebruikt dat ze uiteindelijk in de laatste kilometers uit de kopgroep moesten lossen. Na afloop van die wedstrijd kwam Priem niettemin de hele ploeg uitkafferen. Na een poos vond ik het welletjes en vroeg hem te zwijgen Maar Priem bleef maar schelden. Toen heb ik dus even ingegrepen. Ik vind: als sportdirecteur moet je in de eerste plaats psychologisch tewerk gaan.’

En dat probeer je te doen?

johan capiot: Absoluut. Je moet niet zo handelen dat de renners tegen je zijn, je moet proberen te zorgen dat ze aan jouw kant staan. Zonder over je heen te laten lopen, natuurlijk. Als Dave Bruylandts, onze kopman, me laat weten dat hij liever niet de Ronde van Italië rijdt en in plaats daarvan een paar kleine rittenkoersen, dan moet je daar rekening mee houden. Een sportdirecteur moet zich in de eerste plaats laten gelden in de koers. Dat is het essentiële van je taak. Zien wat er gebeurt, kijken hoe andere ploegen de wedstrijd aanpakken, strategieën uitdokteren, anticiperen, nagaan wie er met mekaar belt, wie er al dan niet begint te rijden, corrigeren, stimuleren.

Ik ben altijd iemand geweest met koersdoorzicht, dat durf ik van mezelf zeggen. Ik kon ook niet anders. In de finale van de klassiekers zat ik altijd alleen en zonder ploegmaat in je buurt ben je verplicht om je wedstrijd op anderen af te stemmen. En om af en toe te gokken. Dat is belangrijk. Zeker in klassiekers. Daar moet je gokken en wachten, het zal zondag in de Ronde van Vlaanderen weer niet anders zijn. Kijk, als ik bij ons zo’n renner als Dave Bruylandts zie, dat is iemand met heel veel mogelijkheden. Hij moet wel nog veel vorderingen maken. Neem nu die etappe in Parijs-Nice waarin hij mee vooraan zat in een kopgroep van vier. Dan moet je afwachten in plaats van zelf te demarreren, dan moet je er al eens van uitgaan dat iemand anders het gat dichtrijdt als er wordt aangevallen. Bruylandts ging er altijd zelf achteraan. En uiteindelijk eindigt hij vierde. Slechter kon niet.

Bruylandts kan zich niet inhouden.

capiot: Ik moet daar echt met hem eens over praten. Als Bruylandts mee vooraan zit in een groep van vijftien renners, dan doet hij meer dan zijn deel van het werk. Je moet daar eens op letten: als Bruylandts wordt afgelost op kop, dan laat hij zich niet tot de vijftiende positie terugzakken, dan schuift hij als derde of vierde weer in. Het gevolg is dat hij veel te snel weer op kop komt. Daardoor ontbreekt het hem op het cruciale moment natuurlijk aan kracht. Je moet rijden om te winnen. Hij rijdt bijna om iemand anders te laten winnen. Er zijn weinig renners die zo snel een berg oprijden als Bruylandts, dat is echt klasse. Alleen: je moet wel het juiste moment kiezen om te versnellen, één demarrage moet volstaan. Er zijn nog van die dingen: rij eens een tand kleiner bergop of draai in de laatste vijf kilometer een minder groot verzet, zodat je de laatste vijfhonderd meter nog een keer die grote versnelling kan duwen. Bruylandts duwt zo’n grote versnelling dat hij in de laatste rechte lijn niet meer kan exploderen. Bruylandts is ook een slechte daler. Als je kijkt hoe hij een berg afrijdt, dan weet je ook waarom: hij zit op twintig meter van de renner die voor hem rijdt.

Werk genoeg, zo te horen. Problemen waren er in het begin van het seizoen ook toen het tot een dispuut kwam met manager Jef Braekevelt.

capiot: Er zijn afspraken waaraan je je moet houden. Wat was er met Braekevelt gebeurd? Hij schreef de ploeg in voor én Parijs-Nice én de Driedaagse van West-Vlaanderen én Tirreno-Adriatico, drie koersen die op hetzelfde moment worden gereden. Het ging om drie ploegen van acht renners, terwijl wij in totaal over vierentwintig renners beschikken en er toch altijd een paar ziek zijn. Dat was dus onmogelijk. Braekevelt had daarover vooraf geen overleg gepleegd. Dat is ook moeilijk met hem. Hij doet zijn eigen willetje.

Vervolgens begon Braekevelt wat om zich heen te schoppen. Hij vond dat je alleen baas wilde zijn.

capiot: Ik wil niet alleen baas zijn, Braekevelt wil alleen baas zijn. Hij wil alles: manager zijn, in de auto zitten… Terwijl de afspraak heel duidelijk was dat hij als manager zou fungeren en voor de administratie zou instaan.

Nu is er met Walter Planckaert een tweede ploegleider binnengehaald omdat je het alleen niet meer kon. Alleen: wist je dat niet in het begin van het seizoen?

capiot: Natuurlijk wel. Maar we beschikten voor die functie over Andreï Tchmil. Ik had aan Eric Vanderaerden gedacht, Braekevelt wilde echter Tchmil, ik kon me daarin vinden. Alleen: Tchmil heeft nog geen enkele koers gedaan. Hij moest bijvoorbeeld de ploeg leiden in de Ronde van Turkije, op het laatste moment belde hij af. Dan sta je daar. Je moet op de mensen kunnen rekenen. Daarom hebben we nu Walter Planckaert genomen.

Waar liggen de ambities van de ploeg van Chocolade Jacques dit seizoen?

capiot: We zullen wellicht geen topklassiekers winnen, we gaan eerder mikken op semi-klassiekers. De bazen zijn tot dusver tevreden en in het peloton worden we gerespecteerd. Ik bedoel: als er gepraat moet worden, dan doen ze dat ook met ons, begrijp je? Je weet hoe dat gaat: wielrennen is geven en nemen, iemand een vriendschapsdienst bewijzen en dan iets terugkrijgen. Als het erom gaat, dan worden wij ook aangesproken. Dat betekent dat je mee in de frontlijn zit, dat je ook in deze periode van opbouw goed bezig bent.

Jacques Sys

‘Als er gepraat moet worden, dan doen ze dat ook met ons.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content