De studiedag van de Vlaamse Vereniging voor Gedragstherapieën.

De lichtgelovigheid waarmee sommige speurders, magistraten, advocaten, criminologen, psychologen, politici en journalisten de gruwelverhalen van de X‘en blijven benaderen, is moeilijk te begrijpen. Temeer omdat iedereen stilaan beter kan weten. Want er zijn niet alleen de waarschuwingen van de Nederlandse professoren Hans Crombag en Harald Merckelbach in “Hervonden herinneringen en andere misverstanden” (Contact, Amsterdam 1996). Sindsdien bewees academisch en gerechtelijk onderzoek dat dit soort “vertraagde gevallen”, waarbij een volwassene vooral familieleden beschuldigt van gruwelijke seksuele misbruiken tijdens zijn of haar kinderjaren, misschien wel een psychotherapeutische maar zeker geen gerechtelijke waarheid oplevert. En toch heeft zelfs de parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Marc Verwilghen (VLD) er zich – met experten en al – laten in tuinen. En blijven ook Verwilghen, nu voorzitter van de commissie-justitie van de Kamer, adjudant Patriek De Baets, de Leuvense hoogleraar Karel Pyck en anderen blind voor elke kritische analyse van hun optreden.

De Morgen en professor Pyck trekken geen lering uit het debacle rond notaris X, want in het geval van getuige X1 maken ze precies dezelfde blunders. Ook dan weer verspreiden ze op basis van slechte verhoren en in totale afwezigheid van bewijsmateriaal complottheorieën over satanische netwerken. De schade die daarmee wordt aangericht, treft natuurlijk direct de beschuldigden (…) De sociaal-psychologische literatuur leert dat voor hen een volledige rehabilitatie er nooit meer in zit, simpelweg omdat het publiek weinig ontvankelijk is voor rectificaties. De schade die wordt aangericht, heeft ook een maatschappelijke dimensie. Wie lezers aanmoedigt om vooral te denken in termen van complottheorieën leert hen dat falsificaties niet bestaan en dat opponenten deel uitmaken van het netwerk. De paranoia wordt tot argument verheven. In die stijl van redeneren is het ontbrekend bewijsmateriaal het gevolg van een doofpotoperatie, krijgen knulligheden in het opsporingswerk een diepere betekenis, en zijn hooggeplaatste magistraten die corrigerend ingrijpen medeplichtig. Het resultaat is een nooit meer weg te nemen wantrouwen ten opzichte van het justitieapparaat. Dat ziet zich op haar beurt gedwongen om allerlei dwaalsporen te volgen en zo stagneert het voor de rechter brengen van echte criminelen als Dutroux.” Aldus professor Merckelbach in zijn analyse van de “Opkomst en ondergang van Getuige X1” (Skepter, juni 1998). Daarin wordt het verslag van de Leuvense psychiaters, die X1 in 1997 in opdracht van het gerecht onderzochten, “bij nadere beschouwing het werk van forensische amateurs” genoemd.

Op de studiedag van de Vlaamse Vereniging voor Gedragstherapie op 4 december in Antwerpen, wees professor Merckelbach er vooral op dat er tussen waarheid en leugen een derde weg moet onderzocht worden. Het is die van de reality monitoring. Dat is het menselijk vermogen om het onderscheid te maken tussen herinneringen aan ware gebeurtenissen en herinneringen aan fictieve verhalen of fantasieën. Precies deze laatste worden bij gebrekkige reality monitoring op authentieke herinneringen geënt. Met alle gevolgen van dien.

De Nederlandse psycholoog-psychotherapeut Ellert Nijenhuis, onderzoeker bij het Cats-Polm Instituut op het gebied van chronische traumatisering, wees er tijdens de studiedag vooral op dat de therapeut zeker niet suggestief mag te werk gaan en zelf niet moet uitzoeken of zijn patiënt de waarheid vertelt. Nijenhuis zegt wel dat dergelijke “onbevangen neutraliteit” niet eindeloos te handhaven is: zeker niet wanneer elk onafhankelijk bewijs ter ondersteuning van het verhaal van de patiënt ontbreekt.

Frank De Moor

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content