Vorige week overleed Henri Simonet. Een cynisch en erg beweeglijk politiek denker.

ZOALS DE VORIG JAAR overleden liberale voorman Jean Gol, heette Henri Simonet, die vorige week in Brussel stierf, un grand format te zijn. Maar het land ontdekte zelden hun grootheid. De politieke carrière van Simonet was er één van gemiste kansen. Ook omdat hij er vaak niet in slaagde zijn optredens in zakenmiddens gescheiden te houden van het politieke werk.

Simonet, in 1931 geboren als zoon van een vrachtvervoerder en een uitbaatster van een wasserij, was ongetwijfeld een briljant en erudiet man. Hij voelde zich meer thuis in kringen rond de Université Libre de Bruxelles (ULB), waar hij een tijdlang doceerde en van 1968 tot 1971 de raad van bestuur voorzat, dan in het politieke milieu waarin hij weinig echte vrienden telde en waarvoor hij weinig of geen waardering opbracht. Zijn bijtend, soms ontstellend cynisme had tot gevolg dat zijn schare vijanden in de Wetstraat veel groter was dan zijn vriendenkring.

Na zijn economische studies aan de ULB en aan de Newyorkse Columbia University werd hij in 1959 lid van de Belgische Socialistische Partij (BSP). Begin van de jaren ’60 vorderde minister Antoon Spinoy van Economische Zaken en Energie hem als kabinetschef op. In ’66 volgde hij Joseph Bracops op als burgemeester van Anderlecht en dat tot 1984. Die Brusselse gemeente werd zijn uitvalsbasis voor een parlementaire carrière.

Eerst als ekonomieminister in de regering Eyskens-Cools II (1972) en daarna als buitenlandminister in de regeringen van Leo Tindemans (1977-’78), Paul Van den Boeynants (1978) en Wilfried Martens (1979-’80) gold Simonet als één van de socialistische zwaargewichten. Van 1972 tot ’77 zetelde hij als Belgisch vertegenwoordiger in de Europese Commissie. Toch zat hij zelden op één lijn met de PS, zoals die later door de Luikenaar André Cools was uitgebouwd, en nog minder met de Vlaamse SP van Karel Van Miert. Zijn hele politieke carrière door bleef de Brusselaar Simonet een belgicist, maar één die, hoewel tweetalig, vooral ijverde voor de uitbouw van de francité. Hij geloofde rotsvast in de verfransing van Brussel. Zo tekende hij samen met Franstalige liberalen en FDF’ers het manifest van de 29 waarin de uitbreiding van Brussel werd geëist evenals de vrije keuze van de onderwijstaal.

Binnen de socialistische beweging was hij één van de zeldzame atlantisten. Vandaar ook zijn erg begripvolle houding tegenover het regime van de Zaïrese dictator Mobutu Sese Seko, die zogezegd garant stond voor de westerse belangen in Afrika.

Net als Henri Spaak voor hem, kwam Simonet door zijn atlantisme herhaaldelijk in aanvaring met de eigen partij-instanties. En zoals voor Spaak zou dit ook voor hem uitdraaien op de definitieve breuk. Die kwam er voor Simonet in 1983 na het hoogtepunt van zijn geschil met de PS en SP, met de rakettenkwestie die eind van de jaren ’70 het Belgische politieke leven beheerste. Simonet koos van bij het begin voor de plaatsing van de kernkoppen waarop de Navo en de Amerikanen aandrongen, tegen de overgrote meerderheid van SP en PS in. In die periode schreef hij zelfs het voorwoord bij ?L’Europe sans défence”, een ophefmakend boek van de Belgische liberaal gestemde generaal Robert Close. Voor dit alles kreeg hij de rekening gepresenteerd door PS-voorzitter André Cools, met wie hij al geruime tijd op gespannen voet leefde. In ’80 immers kondigde Cools aan dat de PS het departement van Buitenlandse Zaken niet langer opeiste. Wat zoveel betekende als een openlijk desavoueren van Simonet, die ontslag nam uit het PS-bureau.

IN ZAKEN.

In ’84 zette Simonet een punt achter zijn verblijf bij de PS. Een jaar later keerde hij terug in de arena, maar dan onder de vleugels van de PRL. Hij zou nog tot ’92 voor de de Franstalige liberalen in de Kamer zetelen. Toen nam hij ontslag om de plaats te ruimen voor zijn minder begaafde zoon, Jacques Simonet. Ook een gooi naar het burgemeesterschap van de stad Brussel was intussen mislukt, want gestuit door een coalitie van socialisten en christen-demokraten.

Niet alleen zijn atlantistische standpunten en zijn geflikflooi met Mobutu veroorzaakten spanningen tussen Simonet en de socialistische beweging. Ook het openlijk koketteren met zijn zakelijke bindingen joeg zijn socialistische medestanders in de gordijnen. Want Simonet toonde zich niet afkerig van een adviseurschap bij Tractebel-voorloper Tractionel en zelfs bij de Generale Maatschappij. Tot grote ergernis van de socialisten nam hij een bestuursmandaat op bij MBLE. Onder druk van de partijtop nam hij ontslag, maar hij bleef wel bij MBLE als adviseur.

Bijzonder pijnlijk voor de socialisten was het aandeel van Simonet in de levering van pantservoertuigen aan het dictatoriale Uruguay en Argentinië. Als buitenlandminister had hij in 1980 voor deze wapentuigen een exportvergunning verleend, tegen het advies in van minister van Economische Zaken Willy Claes (SP) en minister van Ontwikkelingssamenwerking Mark Eyskens (CVP). Tot overmaat van ramp bracht het weekblad Pour omstandig verslag over de rol van zijn vrouw in deze transactie. Zij werkte voor Beherman-Demoen, dat de pantservoertuigen had uitgevoerd. Simonet spande een proces in tegen Pour en won. Maar zijn blazoen geraakte nooit meer opgepoetst. Volgens sommige socialisten bracht deze episode de fatale knik in zijn politieke carrière met zich mee.

Zijn overstap naar de PRL was geen succes. Na een monstercampagne behaalde hij in 1985 als onafhankelijke op de Kamerlijst van de PRL een recordaantal meer dan 27.000 voorkeurstemmen, een duizendtal meer dan zijn lijstgenoot, de extreem-rechts gezinde Roger Nols. Het werd zijn laatste wapenfeit in de politiek. Drie jaar later zou hij voor de gemeenteverkiezingen in Brussel op gênante wijze uit hetzelfde racistische vaatje tappen als Nols en waarschuwde hij de Brusselse kiezer voor de retour à la jungle.

R.V.C.

Henri Simonet : een carrière van gemiste kansen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content