Hubert van Humbeeck

HUBERT VAN HUMBEECK

DE OPRICHTING van een 23ste brigade van de gerechtelijke politie leek goed tien jaar geleden een noodzaak. Een deel van het land leefde toen maandenlang onder de terreur van de geheimzinnige Bende van Nijvel, die in totaal bijna dertig mensen in koelen bloede vermoordde. Even later werden verschillende instanties opgeschrikt door de bommencampagne, waarvoor de Cellulles Communistes Combattantes, de CCC, tekende. Omdat het onderzoek in al die zaken niet bepaald vlot liep de moordenaars van de Bende van Nijvel zijn nog altijd op vrije voeten , was het goed dat een speciale brigade zich in het biezonder om de zware kriminaliteit zou bekommeren. Een eenheid die ook overkoepelend kon en kan werken, over de grenzen van de verschillende gerechtelijke arrondissementen heen.

Dat uitgerekend die 23ste brigade vorige week werd ingezet om huiszoekingen te verrichten ten kantore van enkele kranten en bij journalisten thuis, maakt een nare indruk. Dat was, natuurlijk, omdat die eenheid volk in haar rangen telt dat computers kan kraken, maar toch. Want die kollega’s van ons hebben zich, voor zover bekend, niet schuldig gemaakt aan feiten die onder de noemer “zware kriminaliteit” kunnen worden gevat. Ze hebben niemand ontvoerd of vermoord. Ze hebben zich niet schuldig gemaakt aan drughandel en ze hebben geen net georganizeerd om op grote schaal zwart geld wit te wassen. Meer : in de zaken waarover het ging, hebben niet zij fouten gemaakt tegen de kode van hun beroep, maar diegenen die hen informatie hebben bezorgd met de bedoeling dat die in de openbaarheid zou komen. Toch voelden enkele mensen zich blijkbaar voldoende door de pers achtervolgd om ook even met de spierballen te rollen.

Als journalisten fouten maken, moeten die vanzelfsprekend worden gesanctioneerd. Daarvoor bestaan er in ons wettenarsenaal aan aantal regels. Wie door een persartikel schade lijdt, beschikt over rechtsmiddelen om zich daar tegen te verweren. Als de indruk bestaat dat die middelen niet meer helemaal bij de tijd zijn, dan moeten ze worden aangepast maar dan na zorgvuldig overleg, want dit is een delikate materie. Zo, bijvoorbeeld, blies de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten van België enkele maanden geleden de raad nieuw leven in, die klachten in verband met de journalistieke deontologie moet behandelen. Het zou niet slecht zijn als die instelling eindelijk de kans kreeg om haar gezag te vestigen.

De Leuvense rechtssocioloog Luc Huyse schreef vorig jaar een opmerkelijk boekje, waarin hij onder meer de stelling ontwikkelt dat de macht in de samenleving van regering en parlement verschuift naar kringen rond het gerecht, de pers en de industrie. Die centra beïnvloeden het denken en doen meer dan tevoren, terwijl de greep van de klassieke politieke macht verslapt. Misschien kunnen de gebeurtenissen van vorige week worden geïnterpreteerd als een botsing tussen de machten in de samenleving, die met elkaar om invloed strijden. Want het gaat niet alleen om de pers en haar verhouding tot het gerecht, het gaat ook en vooral om de rol die de politiek daarin speelt. Het gaat misschien wel in de eerste plaats om een botsing tussen de wereld van de politiek en die van het gerecht, waarbij de pers haar rol speelt van boodschapper en als dusdanig een gemakkelijke schietschijf is.

De opmerking van Huyse met betrekking tot de pers is juist. Zeker in die zin dat kranten, tijdschriften, radio- en tv-stations nu veel meer dan, pakweg, twintig jaar geleden, moeten knokken voor hun plaats op de markt. Dat heeft gevolgen voor de manier van verslaggeving, die een stuk agressiever is geworden. In verband met de magistratuur liggen de zaken ingewikkelder. Huyse stelde vast dat de rechters meer maatschappelijke verantwoordelijkheid toegeschoven krijgen, onder meer omdat de politiek in vele gevallen niet duidelijk bepaalt wat ze wil. Zodat de magistraat, die een vonnis moet vellen, vaak de knopen moet doorhakken waar het parlement in een wijde boog rond gelopen is.

Die evolutie deed zich uitgerekend voor in een periode dat het departement van Justitie op zijn minst zwak werd geleid. Door ministers die eigenlijk in de eerste plaats vice-premier waren, en zich nog wel om wat andere bevoegdheden bekommerden ook. De magistratuur liep zo vanzelf meer in beeld, terwijl ze met een schrijnend gebrek aan middelen kampte en onder een overdreven politizering van het ambt leed. De magistratuur stond daardoor in feite verzwakt in de samenleving, terwijl die van haar misschien meer dan tevoren een voorbeeldfunktie verwachtte.

IS HET DAN NU overdreven om te stellen dat een deel van het politieke establishment vecht tegen een, met alle respekt voor de magistratuur, draak die het zelf mee tot leven heeft gewekt ? Want het is toch nogal wat, als een regeringspartij bij herhaling zonder meer het vertrouwen in het gerechtelijke apparaat opzegt. Wat moet het gerecht dan doen om dat vertrouwen weer te herstellen ? Wat moet het denken als de sleutelfiguur in de Agusta-zaak, terwijl hij in de cel zit, door bemiddeling van hooggeplaatste politici de belofte krijgt van een vorstelijke vergoeding ? En als een hele regeringspartij het vertrouwen in het gerecht opblaast, wat betekent dat dan voor de gewone rechtszoekende, die dat hele spektakel vanop enige afstand bekijkt ? Mag hij ook zeggen dat hij deze of gene rechter niet lust ?

De nieuwe, vrij onervaren, minister van Justitie Stefaan De Clerck werd zo ongeveer op zijn eerste werkdag als minister al gekonfronteerd met een huiszoeking in het kantoor van zijn prokureur-generaal voor Luik. Hij maakt als minister deel uit van de uitvoerende macht, op zijn departement heeft hij te maken met de rechterlijke macht. Het is nu zijn taak om van de magistratuur weer een korps te maken dat onkreukbaar en onbesproken in de maatschappij staat. Zoals dat moet zijn. Het welslagen van Dehaene II ligt, zo gezien, misschien wel meer in zijn handen dan in die van sommige van zijn meer illustere kollega’s. En de diskussie over het konflikt tussen pers en gerecht valt dan wellicht vanzelf wel stil.

Frans Verleyen is met vakantie.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content