De auteur is hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven; zopas verscheen zijn boek ‘Modernité et tradition’ bij uitgeverij Peeters in Leuven.

Niet meer bij te houden zijn de tv-programma’s, krantenberichten, populaire publicaties waarin menselijk gedrag begrepen wordt vanuit genetisch en/of evolutionair perspectief. Agressie (vooral bij mannen) of moederliefde (voorlopig uiteraard alleen bij vrouwen) lijken afdoende begrepen door te verwijzen naar defecten bij chromosomen, naar hormonen, of naar de ontwikkeling van gedragingen bij primaten. De reductie van zeer complex en zeer gevarieerd menselijk gedrag tot iets meer primitiefs lijkt bij het brede publiek een ongelooflijke aantrekkingskracht te hebben.

Het is ooit anders geweest. Dergelijk reductionistisch denken verwekte ooit grote afschuw en verontwaardiging. Het leek de mens te herleiden tot een ‘omhooggevallen’ aap. Het determinisme verbonden met dat denken vond men onverenigbaar met de menselijke vrijheid. Het is toch paradoxaal dat, in een tijd waarin niets heiliger lijkt dan de totale keuzevrijheid, een dergelijk mensbeeld zo populair is. Wellicht voelt men aan dat het idee van absolute vrijheid eigenlijk op hetzelfde neerkomt als dat van gedetermineerd zijn? Hoe dan ook, vanwaar die radicale omslag?

Dat populaire, reductionistische denken wordt voortdurend tegengesproken in en door het reële gedrag van mensen. Men ontkent in zijn gedrag wat men ‘officieel’ voor waar acht. Wie gaat nu in het reële leven blijken van liefde en vriendschap interpreteren, niet als iets van grote waarde waar men de ander dankbaar moet voor zijn, maar als gedrag waar hij of zij eigenlijk niets kan aan doen? Het is absurd en ondoenbaar daders en slachtoffers te zien als allemaal ‘slachtoffer’ van genen, sociobiologische invloeden of milieu.

Wanneer publiek gesproken wordt over menselijk gedrag lijkt men het gewone, betrokken standpunt te verlaten, waarin men spontaan verantwoordelijkheid toekent tenzij er aanwijsbare tegenindicaties zijn, en waarin men zich concentreert op de zaak zelf, de liefde van een moeder voor haar kind, of de gruwel van de moord op een onschuldig slachtoffer. In het publieke, politiek-correcte spreken van vandaag neemt men een afstandelijk, ‘wetenschappelijk’ standpunt in: het gaat niet om misdadigers, maar om ‘gevallen’. Men concentreert zich niet op de dood van de persoon, maar op de psychologische gevoelens van de verwanten, waar men een batterij therapeuten op afstuurt.

Het ‘voordeel’ van die afstandelijke, ‘objectieve’ benadering is dat de menselijke zaken, gelukkige of tragische, verschijnen als perfect verklaarbare en dus technisch manipuleerbare zaken. Schuld of wroeging, dankbaarheid of liefde veronderstellen inzicht en reacties die alleen in de betrokkenheid op betekenissen en waarden mogelijk zijn, en die niet zomaar te manipuleren zijn. Als men alles reduceert tot hormonen, genen of andere determinaties, is de illusie mogelijk van een min of meer verregaande beheersing van het menselijk leven via genetische manipulatie, pillen of wat dan ook.

Vroeger was het de religie die de geruststelling bood dat alles uiteindelijk in orde komt. Dat stoot vandaag op grote scepsis, een dergelijk geloof hoort blijkbaar niet meer vandaag. Moet men echter niet even sceptisch zijn ten aanzien van de geruststellingen en verwachtingen aanwezig in de huidige reductionistische ideologie?

Herman De Dijn

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content