Conners tv

© National
Hier staat ingevoegde content uit een social media netwerk dat cookies wil schrijven of uitlezen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

F C De Kampioenen, De Familie Backeljau en De Verhulstjes: daarmee maakt Vooruit-voorzitter Conner Rousseau zijn hoofd leeg na een lange dag vol politiek of mediastunts. Wanneer ik hem hoor praten, is dat ook waar hij zijn wereldbeeld of in elk geval zijn beeld van België op baseert. Het dorp, waar een overzichtelijk aantal personages zich elke avond rond de cafétoog scharen en waar enkele niet-witte karakters als figuranten dienen.

Een Belg is evenzeer Balthasar Boma als de vrouw met een hoofddoek die al eens Arabisch praat.

Volgens mijn DNA en mijn identiteitskaart ben ik wat men een ‘echte Belg’ zou noemen. En toch voelt FC De Kampioenen voor mij meer als een dystopische koortsdroom dan als een grappige of herkenbare show. Wat van mij een Belg maakt is mij, behalve de geografische toevalligheid van mijn geboorteplaats, niet echt duidelijk. Wat precies de Belgische identiteit en idealen zijn, welk België wij zo hardnekkig proberen te beschermen, ook niet. Dat het een liberale democratie is, werd mij aangeleerd, een welvaartsstaat gebaseerd op tolerantie, vrijheid en gelijkheid. Een plek waar wie werkt en belastingen betaalt, beschermd wordt door de samenleving. Toch zie ik die waarden hier niet altijd weerspiegeld, en moet ik net als Rousseau vaststellen dat ik soms het gevoel heb niet thuis te zijn in dit land. Wanneer ik door de Europese wijk loop en ondanks de vele glazen muren geen idee heb wat zich erachter afspeelt, is het niet altijd vanzelfsprekend om in die monumenten van macht een democratie te herkennen. Of aan de buitenmuren van het Klein Kasteeltje, waar duidelijk wordt hoe ‘de Belg’ heeft aanvaard dat sommige mensen het recht op een identiteit, op veiligheid of op een thuis niet verdienen. Moeilijk om daarin de idealen van de verlichting, die we zo graag claimen, te zien. Bovendien is het nogal onhandig om je thuis te voelen in een land waar amper nog iemand zich een huis kan veroorloven, ook al werkt die hard en betaald die braaf mee.

Conner Rousseau deed, net zoals ik hierboven, alleen maar wat observaties: Molenbeek is niet het België dat hij herkent. Maar wat iemand herkent als een thuis heeft niets met de realiteit van een natiestaat of diens idealen te maken. Het verraadt alleen de wijk of de tv-programma’s waarmee je bent opgegroeid. De realiteit van België is evenzeer Sint-Martens-Latem als Molenbeek. Een Belg is evenzeer Balthasar Boma als de vrouw met een hoofddoek die al eens Arabisch praat. Als Rousseau zegt: ‘Als ik in Molenbeek ben, heb ik niet het gevoel dat ik in België ben’, zegt hij eigenlijk: ‘Molenbeek is niet het België waar ik naar streef.’ En in dat streven verraadt hij zijn veren. Want hij mag zijn vraag naar integratie dan nog zo barmhartig vinden, in zijn socio-economische strijd zit een culturele eis vervat: ‘Pas wanneer ik je herken als Belg, een vaag begrip waarvan de voorwaarden door mij bepaald worden, heb je ook recht op sociale welvaart.’ Integratie op z’n FC De Kampioenens is geen uitgestoken hand. Het is een streng moreel-imperialistisch vingertje.

Martha Balthazar is theatermaker. Haar column verschijnt tweewekelijks.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content