Weverbergh publiceert nog maar eens gedichten van wijlen Jotie T’Hooft.

FLAPTEKSTEN zijn vaak niet meer dan verkooppraatjes. Julien Weverbergh kan je echter bezwaarlijk van een hidden agenda beschuldigen als je “In bossen op eenzame plekken”, een verzameling van 69 gedichten die hij selekteerde uit de nalatenschap van Jotie T’Hooft, ter hand neemt. In zijn flaptekst verdoezelt hij zijn merkantiele motieven niet : “In tegenstelling tot het werk van vrijwel alle Vlaamse overleden schrijvers en dichters, wordt dat van Jotie T’Hooft nog altijd uitgegeven én gekocht. “

Ondanks de controverse die groeide rond de publikatie van Jotie T’Hoofts “Laatste gedichten”, blijft Weverbergh dus postuum werk van wijlen zijn schoonzoon publiceren. In de verantwoording doet hij nog eens het detective-achtige verhaal van de vondst van “De laatste gedichten” (“Op de dag van zijn overlijden werden in zijn woonkamer in Brussel 12 gedichten in typoskript gevonden, waaiervormig op de schoorsteen gespreid. (…) De manier waarop ze nagelaten werden, beschouwde ik als een afscheidsgroet en een uitnodiging tot publikatie”) en vertelt in dezelfde stijl dat hij Joties manuskripten in zijn bezit heeft : “Als schoonvader had ik via mijn dochter toegang tot het sterfhuis : de in Joties werkkamer gevonden manuskripten werden in mijn archieven opgeborgen. Ik vernam dat een Hollandse vriendin enkele ongepubliceerde verhalen en gedichten in haar bezit had ; na enig aandringen belandden ook die dokumenten bij mij. ” Je schoonvader zal maar een uitgever wezen.

SLUIPMOORD.

In “Jotie T’Hooft : een Witboek”, dat in 1984 verscheen, publiceerde Weverbergh onder de titel “De doos van Pandora” een stuk met aantekenigen bij het nagelaten werk van Jotie T’Hooft. Daarin somt hij de door Jotie zelf gebundelde en samengeniete bundels op. Een bundel uit de periode 1970-1971 had Jotie de titel “Sluipmoord na sluitingstijd” gegeven. Wie de paden nagaat die Weverbergh als beheerder van Jotie T’Hoofts nalatenschap bewandelt, krijgt rillingen bij zo’n titel. Want de vraag bij dit alles luidt : in welke mate polijst Weverbergh het beeld van Jotie T’Hooft door nu nog met ongepubliceerd werk voor de dag te komen ? In zijn verantwoording schrijft Weverbergh : “Hoewel tekst-kritisch gezien de teksten zorgvuldig gereproduceerd werden, heeft deze editie geen strikt wetenschappelijke pretentie. ” Dat is een hele geruststelling. Toch overstelpt Weverbergh de lezer met annotaties en toelichtingen over de herkomst van de bundel : het zou gaan om een selektie uit een map met 118 gedichten, “waarop Jotie in de zomer van 1977 mondeling zinspeelde en die getiteld zou worden : In bossen op eenzame plekken, gedichten van de 35-jarige debutant Charles-Louis Dhaene” Hiermee laat Weverbergh inderdaad een minder bekend facet van T’Hoofts dichterschap zien : zowel zijn poëzie als zijn persoonlijkheid waren ingeklemd tussen authenticiteit en maskerade. Nadat hij in 1976 de Reina Prinsen Geerlig-prijs had ontvangen en van de ene lezing naar de andere moest hollen, probeerde hij de sleur van de publieke optredens te doorbreken door de gedaante aan te nemen van Charles-Louis Dhaene, een al lang gestorven, ver familielid.

SNEEUW SNEEUWT.

Maar wanneer we de kwaliteit en de aard van de gedichten van naderbij bekijken, merken we dat “In bossen op eenzame plekken” geen nieuw licht werpt op T’Hoofts dichterschap. Het cliché-beeld van de vroegrijpe, laatromantische junkie-dichter wordt alleen maar bevestigd. De gedichten zadelen je op met vragen over de taalkracht van T’Hooft. Afgesleten en originele beelden wisselen elkaar soms af in éénzelfde gedicht (“Zonlicht streelt even een naakte vrouwenrug/ van wolken, het grote schaap/ van de hemel blaat terug”), het rijm is onhandig en triviaal en krijgt precies daardoor weer een muzikaliteit die aan songteksten doet denken. Je zou het een bewust spel met effekten kunnen noemen, maar het lijken toch eerder onhandigheden van een beloftevol auteur die zijn dichterschap nog niet volledig heeft ontplooid. Invloeden van andere auteurs zijn onvoldoende gekondenseerd tot een eigen idioom. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het Clausiaanse openingsgedicht “Dit beklemde”, waar Jotie T’Hooft zich op het einde van de tweede strofe verslikt in de ritmiek : “Geruisloos kom ik klaar in u word ik/ waar dan ook verklaard en opgevangen/ in een net van zachtheid./ Dat is nodig, hoognodig// nu het is voorspeld dat het weer gaat/ regenen over onze gekwetste gewesten,/ dat regen ranselend huis zal houden/ op onze daken en ruiten en een nieuw seizoen/ van weemoed breekt ruisend aan.”. Op andere plaatsen verliest hij zich in ronduit lelijke beeldspraak : “Hij speelt pingpong met andere psychopaten/ terwijl rond de gebouwen al sneeuw sneeuwt”.

Ook in deze bundel zijn er de verwijzingen naar de wetenschap (DNA-banen en elektroden in “Modern love”), de archaïzerende stijl die aan Karel van de Woestijne doet denken, de sprookjesmotieven, de alluzies op popsongs en myten. Het lyrische ik verdwijnt hier, net zoals in bijvoorbeeld “Schreeuwlandschap” en “Junkieverdriet”, in een spiegelpaleis dat de dichter bewust gekonstrueerd heeft om zich in te kapselen tegen een te éénduidig beeld, zoals hij in “Au revoir ! ” duidelijk maakt : “Ben ik de spiegel van uw aangezichten/ dan ben ik een weerkaatsend vlak. “

“De beste gedichten van Jotie T’Hooft”, een bloemlezing samengesteld en van een voorwoord voorzien door Hugo Brems, die in 1991 bij Manteau verscheen, gaf een vrij akkuraat beeld van de poëtische kwaliteiten van Jotie T’Hoofts werk. Weverbergh plaatst voor dat beeld nog maar eens een beslagen spiegel. Daar moeten scherven van komen, en die doen een broos dichterschap geen goed.

Paul Demets

Jotie T’Hooft, “In bossen op eenzame plekken, Houtekiet, Anterpen-Baarn, 99 blz., 595 fr.

Jotie T’Hooft : cliché-beeld bevestigd

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content