Na de dood van zijn vrouw Rietje leek Toon Hermans (1916) zich teruggetrokken te hebben in zijn verdriet. Maar hij keert terug, in een kunstboek en met een nieuwe show.

ZIJN HUIS, een speels bouwsel met veel kleine pannedaken, staat nu al enige jaren in de groene gemeente Bosch en Duin, niet ver van Utrecht. Daar stierf in november 1990 zijn blonde vrouw Rietje en overviel hem de grote droefheid die hem na een poging tot wederoptreden in 1992 lang zou doen zwijgen. Er kwamen diepe groeven in zijn kop, hij zag er niet goed uit. Zijn prachtige geluidsinstallatie bleef stom, hij dwaalde veel door de tuin, onder een portret van de dode geliefde brandde een waakvlammetje. Verborgen op zolder sliepen een paar honderd zelf gemaakte schilderijen, hij keek er niet meer naar om.

Een jaar of twee geleden begon er iets in hem terug te vechten, stil maar hardnekkig. Het dikteerapparaatje waarmee hij vrijwel konstant zijn rusteloze gedachtenstroom opneemt, begon opnieuw te draaien. De Amsterdamse sekretaresse Ida mocht dagelijks tientallen vellen papier voltikken met kersverse ideeën en dartele invallen. Er kwam een dramaturge in huis en diskreet werden een nieuw repertoire liedjes of conférences ingeoefend. Muziekcassettes slingeren nu overal rond. Daarop staan ietwat herfstige, rijpe songs te horen : “Geef me je hand, ga met me mee samen naar het strand, zee zijn met de zee. ” Of : “Kijk, dit is mijn leven, het zit soms op mijn schoot en ik zing ervan en ik drink ervan en ik smeer het op mijn brood. ” Binnen enkele maanden trekt hij weer op toernee, om te beginnen in Antwerpen.

“Toon”, de bijna-tachtiger besefte : “Ik voel me hier verdorren omdat ik de mensen niet rond me heb. ” Hij fleurde zichtbaar op bij de gedachte aan een nieuw teaterprojekt. Een van zijn vrienden, de Vlaamse uitgever Herman van Hove, kwam geregeld op bezoek en stelde voor een boek te maken. Het zou geen biografie worden of een zoveelste bundel licht-wijsgerige teksten (waarvan Toon al meer dan een miljoen eksemplaren de wereld instuurde), wel een blik op zijn derde bezigheid : schilderen. Het grote publiek kent hem al ruim veertig jaar als nationaal teater-idool met alleen maar een voornaam en als schrijver, niet als de impressionist met het penseel (of kleurkrijtjes) die heel aandoenlijke landschappen, stillevens en ook wel eens een mensenkop op doek zet.

Dat deed hij al als kind, van in de jaren twintig toen zijn bankierende vader failliet ging en vroeg stierf. Toen kwam de armoede in huis, alhoewel de moeder-weduwe altijd haar trotse bontjas bleef dragen. Ooit was ze immers in het Frans op pensionaat geweest. Haar zoontje Toon, die van haar dus een vleugje Latijnse esprit meehad, ging wat tekenlessen volgen en karweitjes doen bij leraar Georges Tielens in zijn Limburgse geboortestadje Sittard. Al spoedig begon hij spontaan uit zichzelf te werken. Zijn eerste betaalde opdracht was het opsmukken van een ijsroomkarretje, de tweede betrof het aanbrengen van een dames- en herensymbool op twee toiletdeuren in het plaatselijke hotel. Mettertijd groeide uit dit kleine begin een uitgebreide privékollektie waar bijna niemand weet van had. Een doek exposeren of verkopen, deed hij zelden of nooit. De verzameling bleef thuis, in het atelier of op zolder.

Zoals zijn vele rollen op het toneel, zijn gepubliceerde prozastukken en versjes, heeft dat plastische werk iets van aan zorgeloosheid grenzende onschuld met enige weemoed erachter. Wat hij in het teater vertelt of zingt, is geheel gelijk aan wat hij schrijft of schildert. Hij gebruikt eigenlijk drie talen om hetzelfde te zeggen. Toen uw verslaggever hem tijdens een aantal behoedzame huisbezoeken op die artistieke eenheid attent maakte, was hij zeer verbaasd. Hij weigert immers te analyzeren of teorieën op te stellen. Dat zou het kind in hem uitschakelen, vreest deze gelauwerde Officier in de Kroonorde van België.

Zijn medewerkster Ida portretteerde hem in een paar zinnen : “Wie aandachtig naar hem luistert, zijn teksten leest en kijkt naar de schilderijtjes die zomaar op kleine linnen doekjes verschijnen, en wie hem hoort vertellen hoe zijn leven is gelopen, komt er vanzelf achter dat alles wat Toon doet, gekenmerkt wordt door één enkel gegeven en dat is het zoeken naar de waarheid. Dat wil zeggen : hij kent die waarheid al, hij weet dat hij haar met zich meedraagt in zijn ziel en dat hij haar voelt als een allesomvattende liefde. Maar hij heeft er geen vrede mee de enige te zijn die haar kent, hij wil ervan getuigen. Daarop is zijn hele bestaan gericht. “

– Maar u hebt het moeilijk met interviews, meneer Hermans. U vindt uzelf absoluut ongeschikt om wat dan ook te beweren.

– TOON HERMANS : Ik schrik al van zodra een vraag wordt gesteld, zoals een kleuter uit zijn spel wordt gebracht wanneer hij, ontdaan, gewaar wordt dat een volwassene naar hem kijkt. Want ook mijn brein is weliswaar voortdurend bezig, maar niet georganizeerd. Gedachten wellen onafgebroken bij me op als bronnetjes, maar ik kan geen helder ingedeelde uiteenzetting geven. Ik let alleen op kleine dingen, een boom die op de verkeerde plaats staat, en verbind die dan gevoelsmatig met het grote geheel waarover ik niet kan spreken. Dat moet premier Kok maar doen, die gaat daarover.

Ik slaag erin mijn eigen verjaardag te vergeten, weet nooit hoe laat het is, heb geen kalenders in huis en geen benul van hoe mijn auto of platenspeler werkt. Ik maak muziek, al een leven lang, maar kan geen notenbalk lezen. Ik geef niet om kleren, gebruik nooit after shave en bezit slechts twee paar schoenen. Over dat alles kan ik u wel veel vertellen, voor de vuist weg zoals mijn leven zelf verloopt. Ik ben een man van improvizatie in de omgang met mijn boeken, schilderijen en denken. Zo ben ik, ondanks veel verdriet, een gelukkig mens kunnen worden. Maar wanneer u me nu een precieze vraag stelt, moet ik heel hard mijn best doen om een fatsoenlijk antwoord te verzinnen.

– Hebt u niet een te lage dunk van uzelf ? U gebruikt opvallend graag verkleinwoordjes in de beschrijving van wat u bent en doet.

– HERMANS : Ik doe niets, het leven doet mij. De dingen gebeuren zonder dat ik ze naar mijn hand zet. Op die manier ga ik altijd het teater op : zien wat er komt. Idem voor mijn schilderijen, het penseel loopt me sappig de hand uit, het kijkt als het ware in mijn plaats naar wat het licht in die bloemenvaas doet, het laat zich vrij en vrolijk drijven op golfjes die van me uitgaan. Het gaat om een soort klimaat, iets dat met religie te maken kan hebben, maar waarover ik verder geen uitleg kan geven. Alles is, ik maak het niet. Wanneer ik achter de ezel ga staan, is het schilderij al klaar.

Ik denk meestal na over moeilijke dingen, over leven en dood, maar dat is een ideeëngebied waarin ik buiten mijn eigen wil terechtkom. Ik heb niet beslist : dat terrein zal ik nu eens even gaan verkennen of bezetten. Ik kijk er gewoon naar, en mijn ogen beginnen vanzelf te schilderen. Straks ga ik een boek schrijven over God, en het zal gewoon zo heten : God. Dat doe ik samen met een mevrouw, veel knapper dan ik, die wijsbegeerte gestudeerd heeft. Maar vraag me niet wie of hoe God is, ik kan zelfs niet uitleggen wat teater is. Waarschijnlijk heb ik altijd op twee polen geleefd : die van de kunstenaar en van de gek.

– Dus kan ik geen antwoord krijgen op mijn vraag of uw schilderijen getuigen van een groene en vervlogen wereld ? Dat ze ekologisch verdriet bevatten ?

– HERMANS : Nu ik ze zo in dat boek zie staan, heb ik het moeilijk om te geloven dat ik het ben die ze gemaakt heeft. Tussen haakjes, ekologisch, komt dat van het woord école, school ? Zitten we nog op school en moet alles nog beginnen ? Kijk, dat fratst nu door mijn hoofd. Maar het is inderdaad geen antwoord. Daar ben ik overigens tevreden mee, want ik vind het vermogen tot kennen en verklaren niet de beste eigenschappen van de mens. Het goede zit vaak in wat je niet weet, denk maar aan de liefde. Er kwam hier een man die vond dat ik, bij een boerderij-tafereeltje, zulke mooie kippen had geschilderd. Pas nadien besefte ik dat het stipjes verf waren die ik met de punt van de houten steel van mijn borstel aanbracht. Kippen uit mijn onderbewustzijn, héhé.

– Veel van uw olieverf-landschappen getuigen van een biezondere liefde voor bomen. U lijkt op iemand als Felix Timmermans’ Pallieter die bomen letterlijk omhelsde en ze bruur noemde, broer.

– HERMANS : Maar dat ik heb ik vaak gedààn, bomen omarmd. Als een boom zou kunnen denken, zou die waarschijnlijk veel wijzer zijn dan wij. Want ongedacht is hij al zo fantastisch, hoe hij zich niet verzet tegen gebeurtenissen. Terwijl mensen overal hun snavel in steken, staat hij daar heel gelaten. Nadien krijgt hij rustig zijn gelijk. De voorbije zomer die zo warm was, ging ik vaak kijken naar een klein boompje in de tuin. Bruin verschroeide blaadjes. Hij redt het niet meer, dacht ik. Maar op een avond : verdomme, hij begint weer te leven. Overal jonge, groene sprietjes. Dàt is voor mij het evenwicht in de natuur. Iets geleerders kan ik daarover niet zeggen, daar heb ik de gave niet voor. Of misschien wel, maar dat is niet mijn plaats in het leven. Ik ben gewoon een grappenmaker die schildert.

– En blijkbaar terugverlangt naar zijn kinderjaren, de natuur en het voedsel van toen. De appels die nog echt smaak hadden ?

– HERMANS : Die appels en peren waren inderdaad anders, omdat àlles toen anders was : de regen, de zon, de maan en de lucht. Ook de mensen, hun manier van spreken en gebaren maken. Appels waren daar een onderdeel van, alles is van invloed op alles.

– Dus u is, heel modern en geleerd gezegd, een “holist”.

– HERMANS : Komt dat uit het Engelse golfspel, uit hole ?

– “Holos” is een Grieks woord dat wil zeggen : het geheel, het Al.

– HERMANS : Ik vind dat een mens nooit kan weten wat alles of de heelheid is. We zien alleen onderdelen, details, minuskule krachten. In onze verbeelding kunnen we die samenvoegen tot iets van oneindige waarde en dat God noemen : het verband tussen alles. Niets is afzonderlijk. Erg is dat de mensen van God een afzonderlijk wezen hebben gemaakt, terwijl hij een overal totaal doorstralend gegeven moet zijn. Nee, hij is het alles zelf : elk blad, iedere ademhaling. Als je dat eenmaal voelt, kun je die gedachte niet meer loslaten.

– Het is een vrome maar gevaarlijke gedachte. Van de paus mag je dat niet zeggen. Voor katolieken is God een buitenaardse bron, een externe macht.

– HERMANS : Met de paus heb ik niets te maken. Zeg maar tegen de paus dat ik vind dat zoiets niet waar is. En ik mag dat beweren, (lacht), ik heb nog een medaille gekregen van hem. Ik heb dus iets te vertellen.

– U schildert vaak armoedigheid, scheefgezakte dorpen en huizen zonder centrale verwarming. Een psychische vlucht uit uw persoonlijke rijkdom, sukses, gerieflijke auto’s ?

– HERMANS : Daar heb ik nooit aan gedacht. Die dorpen staan meestal in de warmte van de zomer. Daarom zijn ze mooi. Maar wat is vluchten uit rijkdom of armoede ? Toen ik geen cent bezat, zoals in mijn Amsterdamse oorlogsjaren en daarvoor, voelde ik me innerlijk toch ook een beetje rijk. Het was misschien een dramatische passage in mijn leven. Maar, en ik wil nu eerlijk zijn, dat merkte ik toen niet. Honger was uiteraard onaangenaam. Als niemand iets te eten had, maakte die gedwongen solidariteit het ongemak echter draaglijk. Armoede doet pas pijn, en stoort me, wanneer ze discriminatie bevat : dat kinderen die wèl geld hebben hun kameraadjes in de hoek mogen drummen en bepalen wie mag meespelen.

In de heelheid van het Al heb ik dat echter als twee evenwichtige waarden gezien : armoede en rijkdom. Dat is gewoon zo, dat ligt samen op de weegschaal. Weliswaar staat die momenteel verschrikkelijk uit balans. Driekwart van de wereld verrekt van de honger en dat andere kwart doet daar niets aan. Ouwehoeren, ja. En er gebeurt in wezen niks. Af en toe steekt weer zo’n aktie de kop op en dan krijgen we ineens 87 miljoen bij elkaar en daarna is het weer voor een jaar gedaan. Maar wordt er echt iets gedaan aan de armoede in de wereld ? Ik geloof het niet.

De geschiedenis van de mensheid toont niet aan dat wij elkaar op grote schaal en grondig willen helpen, ook al worden 75 liefdadige akties per week gevoerd. Wat zit daar achter ? Ik denk dat de mens het gewoon niet kan helpen. Er zijn dorre bomen en weelderige bomen : altijd dat geheimzinnige, onbegrijpelijke evenwicht dat misschien de bron van alle bestaan is. Ik zie dat niet in de eerste plaats als een ekonomisch of politiek probleem, maar als een menselijke zwakte : het is ons niet mogelijk om op deze aarde allemaal samen rijk, sterk en gezond te zijn, het is niet mogelijk. Het gaat om hiaten in ons vermogen om te bestaan. Schuif me dat niet in de schoenen, ik ben er niet aansprakelijk voor. Hogergeplaatste mensen moeten dat soort problemen oplossen.

– In Nederland en West-Europa hebben we, zeker sedert uw jeugdjaren, toch een verzorgingsstaat opgebouwd. Dat is al iets. Of vindt u, vergeleken bij vroeger, dat we nu te verwend en te oppervlakkig geworden zijn ?

– HERMANS : Definitief ja, heel zeker. Het wordt steeds erger. Bijna alles wat de konsumptiemaatschappij de mensen opdringt, is onwaarachtig. Toen ik een kind was, heette een flesje limonade gewoon limonade of ranja. Daar kon je aan sippen, en dat was het. Nu staan er 49 flesjes in het rek, elk met een eigen naam en eigen propaganda. Ik vind dat bijna fascistisch, bevolkingen zo willen verneuken. Want als je gewone materiële dingen vervalst, ga je dat natuurlijk ook met mensen doen. Ze voor de beeldbuis halen, ze een schijnrol laten spelen. Die mannen of vrouwen zijn dan uit hun gewone doen en worden anders verkocht dan ze zijn, buiten hun echte identiteit om. Ze worden clichés, hun echte talenten blijven onaangesproken. Jammer, die massale verminking.

Er is bijna geen beroep waarin mensen zo vertekend worden als in het teater. In geen veertig jaar ben ik nog naar een voorstelling gaan kijken. Ik wil niets met het teater te maken hebben. Wat ik zelf precies doe, valt daar buiten ik kan niet zeggen hoe. Ik stap wel op het podium, hou zielsveel van dat gordijn met een gaatje erin, dat zoemen in de zaal en al die stoelen op een rij. Maar toen ik onlangs werd uitgenodigd op een receptie waar me een boek werd aangeboden over de geschiedenis van het Nederlandse kabaret, dierf ik haast niet te kijken. Het is mijn wereld niet.

Want ook de mensen van de showbusiness zelf, de beroemde performers, worden bijna altijd herleid tot hun sentimentele of harde of sexy imago’s, hun onwaarheid. Frank Sinatra is helemaal anders dan de identiteit die het teater hem aanmeet. En het zou me bijvoorbeeld niet verwonderen als Marilyn Monroe in werkelijkheid een frigide dame geweest blijkt te zijn. De psychologische druk op de kunstmatig opgepompte vedette is groot, heb ik zelf ondervonden. Enkele jaren geleden ging ik benzine tanken voor mijn toen snelle sportwagen. De man aan de pomp herkende me, bediende me alsof ik Marlon Brando was en opperde dat ik met zo’n mooie auto en in mijn beroep vast wel tegen honderdvijftig per uur over de weg zou scheuren. Dat verwachtte hij, ik moest voor hem een soort filmheld zijn. En verrekt, ik ben nog nooit zo knetterend snel een weg op gevlogen, om die man in zijn illuzie te laten.

– Terug naar uw boek. U hebt tijdens uw leven zo te zien veel naar Franse impressionisten gekeken. Koestert u in die school ergens een favoriete schilder ?

– HERMANS : Nee, ik ben niet iemand die, behalve misschien in voetbal, op zoek gaat naar de beste of de knapste. Wat met kunst zowel als met de schoonheid van vrouwen te maken heeft, is voor iedereen anders. Ik vind Monet even aantrekkelijk als Manet, Matisse, Renoir of Gauguin. Ik ken al die namen wel, ik weet wat Picasso in me oproept. Allemaal samen vormen ze een veelkleurige tuil voor me, waarvan ik de bloemen niet apart ga beoordelen. Wat me wèl begeestert, is die mannen hun toenmalige verbondenheid. Die zaten als bezeten maar gelijkgestemde geesten allemaal bij elkaar, ergens in een café op Montparnasse. Maakten ruzie, deden de dingen verschillend, maar waren één in hun grote inspiratie. Ze kenden dezelfde bron. Als ik zo zes van die oude knarren samenzie op een vergeelde foto, wéét ik dat. Zij pasten als akkoorden bij akkoorden, swingden aaneen tot een driftige eenheid, wisten wat er gevoeld werd. Zoiets bestaat nu niet meer, dat is het grote verlies waaronder de moderne kunst lijdt.

– Cobra was toch ook nog zo’n groep ?

– HERMANS : Ja, die hadden een gemeenschappelijke idee, net zoals de impressionisten of fauvisten toen die met elkaar afspraken dat ze de huidskleur van een mens best in blauw mochten weergeven. Dat was hun rire joyeux, hun blijheid. Van Cobra houd ik minder omdat de leden van dat groepje kindertekeningen wilden nabootsen. Elke kindertekening is echter een meesterwerk en dat konden de Cobra-mensen uiteraard niet bereiken. Ik zie iets gespannens in ze, in hun ogenschijnlijke vormenvrijheid mis ik het ongekunstelde plezier van het maken. Schilderen is, ook voor de zogenaamd talentloze amateur, er niet kunnen mee ophouden. Als je moet pissen moet je pissen, dat gevoel.

– Bestaat die verbondenheid, het liefdevol aan een projekt werken, ook in deteaterwereld ?

– HERMANS : Wat een vraag alweer. Ik heb geen termometer om te peilen hoeveel jij van mensen houdt en zij van elkaar of van mij. Ik weet zelfs niet goed wat houden van betekent. Wel is me duidelijk dat ik van jongsaf een geweldige affektie voor mensen heb gevoeld, voor oud en jong, dik of dun, rijk en arm. Ik denk dat ik eerder zielen zie dan lichamen. Elke mens imponeert me. Daarom durf ik hem vanop mijn verlichte toneelvloer in vertrouwen nemen. Ik zie hem zitten, in de rij en vol verwachting. Zijn gezicht is me bekend, sedert bijna vijftig jaar. Hij is niet dat toevallige individu van die avond, hij is de bezoeker van mijn levensloop. Nee, hij is mijn leven, uit zijn hoek komt mijn handelen ook het hele verdriet dat ik tijdens mijn laatste show tentoonstelde, waarna ik instortte. Ze zijn echter niet van mij, zij kopen een kaartje voor mij. Maar misschien houd ik meer van hen dan omgekeerd. Heb ik soms gedacht.

– De artiestengroep zelf, achter de coulissen. Is daar nog vriendschap te vinden, of alleen maar zakelijk vakmanschap en centen tellen ?

– HERMANS : Teater doen is geen kleinburgerlijke bezigheid, dat is het zeker niet. Er lopen daar fantastische mensen rond, echte broeders in de kunst, maar ook uilskuikens bij wie de grote onnozelheid van het sukses ravages aanricht. Wat kan ik daar verder op zeggen ? Het gaat er eenvoudig om dat je daar op de planken staat, in dienst van het publiek. Maar het blijft uiteraard een soort volksbedrog. Ik sta daar onaanraakbaar in dat grote gat in de muur, op de scène. Wat is dat eigenlijk voor een huis ? Wie ben ik ? Ben ik nu echt zo bruin, of heb ik het erop geschminkt ? Is het mijn stem, of die van de mikrofoon ? Anderzijds : in de loop van de jaren heb ik inderdaad een kleine klub gevormd van zes, zeven mensen die voor elkaar door het vuur gaan. Dat zijn de echte vrienden, maar verder reikt mijn kennis van de teaterwereld niet.

– Wanneer u in de jaren zeventig, tachtig een avond op de televisie kwam, was in Nederland en Vlaanderen bijna niemand op straat. Het volk bleef kollektief thuis om de gebeurtenis mee te maken. Over dat fenomeen moet u wel eens hebben nagedacht.

– HERMANS : Het moet iets zijn dat uit mezelf kwam. De idee one man show lag helemaal niet voor de hand. Ik herinner me een gesprek van lang geleden met Wim Kan en Wim Sonneveld, we zaten samen aan tafel. Ik wou bewijzen dat ze dat óók konden : helemaal alleen (dat wil zeggen met een half dozijn muzikanten erbij) een volle avond toveren. Eerst geloofden ze er niet in, nadien zijn ze er met veel twijfels aan begonnen. Het lukte, omdat zij èchte artiesten waren : buitenbeentjes in wie een natuurgebeuren plaatsgrijpt. Zo was ook Abe Lenstra in het voetbal van zijn tijd, net zoals Shakespeare en Vondel in hun omgeving. Vandaag heb je nogal wat jonge jongens die vlak na de toneelschool vrijwel in hun eentje op het podium klimmen en twee uur moppen gaan vertellen. Van mij mag het. Maar…

Frans Verleyen

Toon Hermans, de bijna-tachtiger : “Ik schrik van zodra me een vraag wordt gesteld. “

“Ik kijk naar de dingen en mijn ogen beginnen vanzelf te schilderen. “

Een biezonder liefde voor bomen. “Bomen staan daar heel gelaten, en krijgen nadien rustig hun gelijk. “

One man show. “Een hele avond toveren, het moet iets zijn dat uit mezelf kwam. “

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content