Dirk Draulans

Een jaar na het begin van de volkenmoord heerst onder het Ruandese volk nog altijd grote vrees.

EEN BERICHT UIT RUANDA

JEAN BUGELI leeft al een half jaar op de hellingen van een vulkaan, meer dan tweeduizend meter hoog. Nieuw is die omgeving voor hem niet. Hij werkte tot het eind van de oorlog in het Ruandese Parc des volcans, waar hij mee de gorilla’s bewaakte, waarvoor het land bekend staat. Nu is Ruanda ook bekend om zijn massamoordernaars. Vorige week, op 7 april, herdacht het land de volkenmoord van een jaar geleden. Duizenden lijken werden opgedolven uit een massagraf achter het ziekenhuis van Kigali en kilometers ver naar een echte begraafplaats getransporteerd. Veel emoties wekte dat niet los. De meeste Tutsi die nu in Kigali rondhangen, bevonden zich nog in het buitenland toen Hutu hun volksgenoten vermoordden.

Bugeli was niet aanwezig op de herdenking. Hij is een Hutu en vluchtte vorig jaar in juli, op het eind van de oorlog, met al zijn kollega’s naar de Zaïrese kant van de vulkaan uit vrees voor de vergelding van de Tutsi-soldaten. Zijn vrouw werd vermoord. Een andere wachter verloor zijn vijf kinderen. Nog een andere zijn jongere broers. Zelf bleven ze ongedeerd omdat ze zich bij de val van Ruanda op de vulkaan bevonden.

Terug naar huis durven ze niet, hoewel ze met de hand op het hart zweren niets op hun geweten te hebben. Op de opmerking dat het Tutsi-leger dat nu meester is in het land , zich gedisciplineerd lijkt te gedragen, reageren ze met de stelling : “Langs de weg is het misschien zo, maar zeker niet in de dorpen op de heuvels. ” De Tutsi nemen op een vreselijke manier wraak op alle mannen die terugkeren. Mensen worden tot aan hun nek ingegraven en op hun hoofd getrapt tot ze dood zijn. Of ze worden de ledematen afgesneden, zodat ze doodbloeden. Vandaar de keuze voor de vulkaan, met een weekrantsoen van 350 gram bonen, 700 gram maïs en 700 gram meel, uitgereikt door hulporganizaties. “We keren alleen terug als we honderd procent zeker zijn dat het veilig is, ” zegt Bugeli. “Liever de hongerdood dan de marteldood. “

Een jaar na de feiten wijst hij twee verantwoordelijken aan voor de volkenmoord : de Tutsi-rebellen van het Ruandees Patriottisch Front (RPF) die de oorlog begonnen en de Belgen die hen daarbij hielpen. De Franse fotograaf is zijn vriend, de Belgische journalist moet niet op zijn sympatie rekenen. “De evidentie voor de Belgische betrokkenheid is verpletterend. “

KAMPLEVEN.

De vulkaan blijft een transit-oord voor vluchtelingen. Op 31 maart staken elf Ruandese Hutu de vulkaan over, zichting Zaïre ; op 1 april nog eens vijftien. Op de vlucht voor de verjaardag van het bloedbad, die met wraakoefeningen gepaard zou gaan. Te vrezen valt dat die mensen niet goed wisten wat ze deden. Want alle vluchtelingen die nu nog in de Zaïrese kampen terechtkomen, worden door de honderdduizenden ter plekke als infiltranten beschouwd, spionnen voor de Tutsi. Anders zouden ze al veel eerder zijn gevlucht.

“Elke dag hebben in de kampen afrekeningen plaats, ” zegt de Nederlander Lex van Voorst. Hij moet samen met vijftien landgenoten en zevenhonderd soldaten van de Zaïrese presidentiële wacht, de veiligheid garanderen van naar schatting zevenhonderdduizend Ruandese vluchtelingen in de streek. Wat neerkomt op patrouilleren in de kampen en rapporten opmaken over klachten over moord- en schietpartijen.

In principe moet ook worden gewerkt aan de repatriëring van de vluchtelingen, maar dat wil niet vlotten. Op 4 april stond een karavaan vracht- en terreinwagens van de vluchtelingenorganizatie van de Verenigde Naties (UNHCR) klaar om volk uit het kamp naar Ruanda terug te voeren. Amper negen vluchtelingen daagden op. “Er moet een transit-kamp komen, waarin degenen die naar huis willen, beschermd worden, ” zegt Van Voorst. “Want tegen hen wordt in de kampen nog altijd hardhandig opgetreden. Er is ook nood aan goede informatie. De vluchtelingen luisteren naar de lokale radio’s, en de kampleiders zijn dezelfden die verantwoordelijk waren voor de massamoord. Ze intimideren de mensen en misleiden ze omtrent de toestand. “

De kampen in Zaïre lijken steden. Katale, met zijn 204.000 vluchtelingen, zou een kopie zijn van het Kigali van voor de oorlog : dezelfde mensen, dezelfde wijken, dezelfde leiders, dezelfde bars, hotels, restaurants en bordelen. Er zijn videoteken, garages, kap- en schoonheidssalons. Het eerste hotel met twee verdiepingen is net open. De straten hebben namen : boulevard des refugiés, boulevard du parc, boulevard du lac Kivu. Er is openbaar vervoer en er wordt les gegeven, in open lucht. Klasjes uitgespreid over lavabrokken langs een steile helling ; de basisschool onderaan, de middelbare hogerop. Als het regent is er geen les.

Pierre Bazimaziki is boos want onze komst jaagt alle kinderen van de basisschool joelend de flank op, zodat hij het onderricht van de dag moet staken. “We leren de kinderen wat we ons nog herinneren, ” zegt hij als hij wat is gekalmeerd. “Want we hebben geen materieel om onze lessen te ondersteunen. De kinderen behalen dan ook veel slechtere resultaten dan vroeger. Maar het is belangrijk dat ze les krijgen. Het gaat om onze nieuwe generatie en daarmee moeten we nog lang leven. ” Wat de kinderen wordt bijgebracht over de gebeurtenissen van het voorbije jaar wil hij niet zeggen.

GEVANGENISSEN.

Er is ook werk in het kamp. Wie voor de Zaïrezen op de koffieplantages in de buurt arbeidt, wordt vergoed in bananen. De duizenden die voor de hulporganizaties werken, worden ook in natura betaald. Men wil de geldstroom in het kamp kontroleren, maar de handel kan niet aan banden worden gelegd. Er worden verwoede pogingen ondernomen om de houthandel te doen ophouden, en de levendige commercie in geneesmiddelen, die rijkelijk worden uitgedeeld, maar niet altijd oordeelkundig toegediend. “Er ontstaan getto’s, ” zegt de Nederlandse veiligheidsofficier Willem van Eekeren. “Zones met alleen armen en zones met uitsluitend rijken, zoals vroeger. De armen verkopen onder meer de stukken zeil die ze van de UNHCR krijgen, aan de rijken. “

De Zaïrezen zijn niet te spreken over de kampen. Niet alleen omdat alles erop wijst dat die daar jaren, zoniet decennia zullen liggen ; ook omdat ze veel beter zijn uitgerust dan de dorpen en steden in de regio. Er zijn, bijvoorbeeld, meer artsen aanwezig per hoofd van de bevolking dan elders in het land. “Nooit had de wereld aandacht voor de problemen in de Kivu-streek, ” zegt de Zaïrees Alexandre Wathaut. “Nu hier honderdduizenden Ruandese vluchtelingen zijn neergestreken, is die aandacht er plotseling wel. Maar niet voor onze mensen. Hun hout wordt weggekapt, hun leven onveilig gemaakt, en toch krijgen ze geen voorzieningen. Wij moeten in het droge seizoen soms veertig kilometer lopen om water te vinden, terwijl er in de kampen om de kilometer sanitair en watervoorziening is. De vluchtelingen zullen nooit naar Ruanda terugkeren. Dank zij de internationale organizaties hebben ze het nergens beter dan in hun kampen. “

Nergens een spoor van militaire aktiviteit, hoewel de sfeer gespannen is in het kamp van Mugunga, waar veel Ruandese soldaten terecht kwamen. Toch blijven de geruchten hardnekkig over trainingskampen en over wapenleveringen via de luchthaven van het Zaïrese Goma. “Op hoeveel meter van de grens staan de eerste troepen van het vroegere Ruandese leger ? ” vraagt de militair die de Ruandese slagboom moet openen, nadat we de Zaïrese grens zijn gepasseerd. Hij voelt de adem van de vijand in zijn nek. De Hutu zouden toch op de verjaardag het land binnenvallen en hij zou het eerste slachtoffer zijn. Hij gelooft ons niet als we hem vertellen geen enkele gewapende Ruandese soldaat te hebben gezien.

AEROBIC.

In Ruanda blijft de jacht op gewapende Hutu open. Op 5 april werd het stadje Ruhengeri in het noorden afgegrendeld door het nieuwe Tutsi-leger. Alle huizen zijn op de aanwezigheid van wapens doorzocht, nadat geruchten circuleerden over een arsenaal aan geweren en granaten dat zou worden opgediept op de verjaardag. Iedereen moest binnen blijven. Wie bij het begin van de aktie al op straat was, werd afgevoerd naar het voetbalstadion. Alle burgers die werden betrapt op het bezit van militair gerief, moesten voor ondervraging naar de gevangenis : vrouwen met een groene rugzak, mannen met een gamel, een meisje van acht met een groene drinkbus. Als ze het bezit van die staatsgevaarlijke uitrusting niet konden verklaren, bleven ze in de gevangenis. Naar verluidt zijn ook een twintigtal granaten en geweren gevonden, maar die kregen we niet te zien.

De gevangenissen puilen uit. In Kigali zitten achtduizend gedetineerden opeengepakt op verdenking van moord. De dag voor de herdenking van de massamoord begon het eerste proces tegen een handvol moordenaars dat bekende. Eén legde de verantwoordelijkheid voor zijn domheid bij de Franse president François Mitterrand, die hij zal vermoorden als hij hem in handen krijgt. Mitterrand maakte van hem een moordenaar… Het zijn mensen die makkelijk te manipuleren vallen. De ware verantwoordelijken bevinden zich elders, in Goma of nog verder. Ze beweren dat de genocide een spontane volksaktie was en dat er geen georganizeerde struktuur achter zat. De evidentie voor het tegendeel is overweldigend.

Ruanda zit in de greep van de hulporganizaties. Bij de luchthaven staan geen taxi’s, wel massa’s witte terreinwagens met het logo van een hulporganizatie op de flanken. De gorilla’s worden dagelijks bezocht door mensen van de Verenigde Naties of van niet-goevernementele organizaties (NGO’s). De missionarissen en de officiële kerk zijn op de achtergrond geraakt. Diskreet schuiven grote religieuze NGO’s met veel middelen het land binnen. De opvolging is verzekerd.

In Hotel des Mille Collines van Kigali heerst drukte. De overheid vorderde zeventig kamers op voor de gasten die ze uitnodigde om de herdenking bij te wonen. De Nederlandse zaakgelastigde maakte er zich druk omdat er geen kamer was voor zijn minister van Ontwikkelingssamenwerking de enige Europese minister die was uitgenodigd en omdat hij er niet in slaagde in de stad een restaurant te ontdekken waar hij zijn chef met stijl aan tafel kon krijgen.

Twee Amerikaanse zakenlui onderhouden een koppel hoertjes over de kwaliteit van de airconditioning die ze verkopen. In het zwembad houden vier vrouwen van teruggekeerde koöperantenaerobic-oefeningen. Van op het terras van de bovenste verdieping worden ze gadegeslagen door het twintigtal deelnemers aan een door Unicef georganizeerd seminarie over de behandeling van oorlogstrauma’s. Een jonge soldaat, bewaker van de hoteltuin, zit met zijn kalasjnikov in de hand op de rand van een ligzetel en volgt verbaasd het tafereeltje. Mogelijk vraagt hij zich af of het hiervoor is dat hij heeft gevochten.

Dirk Draulans

Goma, Zaïre, zomer ’94 : dode en vluchtende Ruandezen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content