Rik Van Cauwelaert
Rik Van Cauwelaert Rik Van Cauwelaert is directeur van Knack.

Met de vraag van het hof van kassatie om de voormalige ministers Willy Claes (SP) en Guy Coëme (PS) in beschuldiging te stellen, zit het Agusta-spel opnieuw op de wagen. Dit is het dossier in kwestie.

VORIGE vrijdag mocht de biezondere kamerkommissie eindelijk weten waar het hof van kassatie naartoe wil met de Agusta- en Dassault-dossiers tegen de gewezen ministers Willy Claes (SP) van Ekonomische Zaken en Guy Coëme (PS) van Defensie. Uit het verslag van prokureur-generaal Jacques Velu vernamen de kommissieleden dat kassatie de twee ex-ministers verdenkt van korruptie, valsheid in geschrifte en het gebruik ervan. Op grond daarvan verzoekt Velu de kamer om de twee politici in beschuldiging te stellen. Dat was de enige vraag die kassatie nog kon formuleren, wil het hof het Agusta- en Dassault-onderzoek voortzetten. Maar de kamer kan soeverein beslissen over de afhandeling van de zaak.

Afgelopen maandag kregen de kommissieleden voor het eerst inzage in het lijvige onderzoeksdossier, daarna zouden ze voort de procedure bepalen. Meer dan waarschijnlijk krijgen de twee ministers ruim de tijd om zich voor de kommissie te verdedigen. Al zette dat in het verleden voor Coëme weinig zoden aan de dijk. De PS’er werd intussen al twee keer, en telkens op grond van een krakkemikkig dossier, naar kassatie doorverwezen : eerst in de Agusta-zaak, daarna in het Uniop-onderzoek. De kommissie lijkt in elk geval vast besloten deze keer uiterst diskreet te werk te gaan en rustig de tijd te nemen. Want wat nu voorligt, is lang niet simpel en politiek uiterst delikaat.

Zowel Navo-sekretaris-generaal Claes, die vorig week in het Amerikaanse Williamsburg, Virginia, een vergadering van defensieministers voorzat, als Coëme houden hun onschuld vol. Volgens Claes, die afgelopen weekeinde kontakt had met premier Jean-Luc Dehaene, werden de aanbestedingen van de aankoop van de 46 Agusta-helikopters door het Belgisch leger, en de kontrakten voor de elektronische beveiliging van de F-16’s (ECM) door Dassault en voor de updating van de Mirages (MirSip) door Dassault-dochter Sabca, korrekt afgewerkt.

Kassatie bracht in zijn verzoek omzeggens geen nieuwe elementen naar voren. Het greep terug naar verklaringen van verdachten en getuigen die het maanden geleden ondervroeg. Want veel is de enquête intussen niet opgeschoten. Justitie legt alleen de nadruk op een aantal feiten en bijeenkomsten die laten vermoeden dat de Agusta- en Dassault-dossiers werden gemanipuleerd.

Om te beginnen en uiteraard als het meest bezwarende feit is er de 51 miljoen frank die Agusta via de bemiddeling van de Brusselse advokaat Alfons Puelinckx en gewezen adjunkt-nationaal sekretaris Luc Wallyn overmaakte aan SP-penningmeester Etienne Mangé. Ook Dassault volgde die weg om de kas van de Vlaamse socialisten met 60 miljoen frank te stijven al houdt Mangé vol dat hij van die fondsen geen cent kreeg.

Daar bovenop zijn er de verklaringen van onder meer de Luikse lobbyist Georges Cywie en Ricardo Baldini, gewezen baas van Agusta-België, die beweren dat “Claes werd gekocht”.

Volgens Baldini had Claes in de voormiddag van zondag 8 januari ’89 op zijn kabinet van Ekonomische Zaken een diskrete ontmoeting met de direkteur-generaal van Agusta Raffaelo Teti, daags voor diens vervanging door Roberto d’Alessandro. Baldini beweerde zelfs de minister en Teti een tijdje alleen te hebben gelaten. In een fax, teruggevonden bij Agusta, staat ook dat Claes zeer gevoelig was voor de komposietfabriek die Agusta-dochter Italcompositi en Sabca, bij wijze van kompensatie voor de helikopteraankoop, in het Limburgse Lummen zouden optrekken. In de onderhandelingen met Agusta is er sprake van twee belangrijke vergaderingen op 18 november en 2 december ’88 op het kabinet van Ekonomische Zaken, telkens met de Agusta-top.

Voor Coëme zijn er dan weer de getuigenissen van legerofficieren over de druk die zijn kabinet, en meer bepaald zijn toenmalige adjunkt-kabinetschef Jean-Louis Mazy, uitoefende om de prijzige MirSip- en ECM-programma’s door te drukken.

EEN TWEEDE LIJN.

Dat Agusta en Dassault kommissielonen betaalden die uiteindelijk geheel of gedeeltelijk terechtkwamen bij de SP, of tenminste SP-vertegenwoordigers, staat zonder meer vast. Bewijzen daarvan werden in Italië en Zwitserland opgeduikeld. Maar zowel Mangé, Wallyn als Johan Delanghe houden vol dat ze met het aanvaarden van het Agusta-geld op eigen houtje handelden, zonder medeweten van de partij. Zowel Wallyn als Delanghe wisten dat de partijtop het Agusta-aanbod had afgewezen, toen die op 19 januari ’89 door Mangé werd gepolst.

“Ook nadien, toen de moeilijkheden begonnen, heb ik met minister Claes nooit over het Agusta-geld gepraat, ” benadrukte Delanghe in Luik.

“Delanghe besefte allicht dat, als hij daarmee bij mij was aangekomen, hij meteen aan de deur vloog, ” verklaarde Claes bij raadsheer Francis Fischer.

De kabinetschef zou pas begin ’89, enkele weken na de helikopteraankoop, door Wallyn zijn ingelicht over het Agusta-aanbod om enkele tientallen miljoenen in de SP-kas te storten. “Ik zei dat deze konfidentie me in een vervelend parket bracht, omdat ik over het aankoopdossier mee onderhandeld had, ” getuigde Delanghe in Luik. “Ik dacht trouwens begrepen te hebben dat Wallyn het geld al had ontvangen en niet wist hoe hij het in de SP-kas kon doen belanden. Nooit eerder had ik met dergelijke cadeaus te maken gehad. Daarom zei ik hem dat ik met heel de affaire zo weinig mogelijk te maken wilde hebben. Bovendien waren de partijfinancies niet mijn domein. Ik heb Wallyn gezegd dat hij daarover met SP-penningmeester Etienne Mangé moest spreken. “

Delanghe beweerde destijds ook niet op de hoogte te zijn geweest van de tweede lijn die Agusta, zonder medeweten van haar Luikse lobbyist Georges Cywie, had uitgegooid naar Alfons Puelinckx, een partner in de Brusselse advokatenassociatie Puelinckx, Linden, Grolig & Uyttersprot.

Puelinckx, één van de prima donna’s van het bureau, was geen onbekende in de internationale wereld van wapenmarchands. Hij werd door Agusta te hulp geroepen nadat de Italianen in de gaten kregen dat niet alleen het ministerie van Defensie, maar ook dat van Ekonomische Zaken een woordje meepraatte over het helikopterkontrakt. Tot hun onthutsing had Cywie niet de minste voeling met de Vlaamse decision makers, en meer bepaald niet met minister van Ekonomische Zaken Willy Claes.

In de zomer van ’88 ontmoette Puelinckx in Brussel een Agusta-delegatie, geleid door Enrico Guerra. Maar de manier waarop de advokaat zijn deel van het lobby-werk aanpakte, is onduidelijk. Want op dat moment kende Puelinckx, op gewezen adjunkt-nationaal sekretaris en Europees ambtenaar Luc Wallyn na, niemand bij de SP. Evenmin duidelijk is de positie van Wallyn. Uit sommige verklaringen kan worden opgemaakt dat Wallyn voeling had met Agusta, nog voor de Italianen bij Puelinckx arriveerden. Wel is zeker dat Wallyn kontinu op de hoogte was van het overleg van zijn vriend Puelinckx met Agusta.

Tijdens een huiszoeking bij Agusta, midden ’94, stootte het Luikse gerecht op de door Puelinckx geparafeerde consultancy-overeenkomst tussen Agusta en Kasma Overseas, ten belope van één procent van het helikopter-kontrakt. Kasma Overseas was een vennootschap van Puelinckx’ vertrouwensman en regelneef in het Midden-Oosten, de Syriër Mohammad Mamoun Kassab Bashi. Die zou nadien ook één van zijn Zwitserse rekeningen bij ABN-AMRO in Zürich ter beschikking stellen om de Agusta-kommissie te laten transiteren.

Het kontrakt met de paraaf van Puelinckx en de handtekening van Teti was gedateerd op 18 november ’88. Tijdens een bijeenkomst in het Brusselse Sheraton-hotel parafeerde Puelinckx, naar eigen zeggen, het consultancy-kontrakt op aandringen van Raffaelo Teti. Eigenlijk had zijn vriend Luc Wallyn moeten tekenen, maar die had om één of andere reden verstek laten gaan. Omdat de Italianen bleven aandringen, had Puelinckx dan maar zelf zijn paraaf gezet. Maar, zo bleek later, Wallyn was van dit alles perfekt op de hoogte.

De datum, 18 november ’88, op het consultancy-kontrakt was voor het Luikse gerecht uitermate belangrijk. Want precies die vrijdag kwamen zowel de Franse delegatie van Aérospatiale als een vertegenwoordiging van Agusta op Ekonomische Zaken hun ultieme kompensatie- en investeringsvoorstellen overhandigen. In weerwil van wat het gerecht gelooft, namelijk dat minister Coëme de limietdatum vervroegde, was het Jacques Jacobs, hoofd van de dienst Industrie en Defensie bij Ekonomische Zaken, die de limietdatum voor de aanbesteding vastlegde.

“MAL FICELÉ”.

Op vrijdag 18 november ’88 kwam Aérospatiale als eerste aan de beurt. De ontmoeting was om 16 uur gepland in de grote vergaderzaal op de zevende verdieping van het ministeriegebouw langs de Brusselse de Meeus-square. Ze nam niet meer dan een uur in beslag. “Want, ” zo oordeelde Jacobs, “de Fransen boden niks nieuws aan. “

Om 18 uur marcheerde de Italiaanse delegatie binnen, geleid door Guerra en Baldini. Zij werden geassisteerd door ondermeer Cywie en Lucio d’Andrea. Tegenover hen zaten kabinetschef Delanghe en Jacobs, geflankeerd door enkele van zijn medewerkers. Die ontmoeting liep niet van een leien dakje. Ook al had Jacobs voor de ontmoeting Delanghe, aan wie hij had gevraagd de bijeenkomst bij te wonen, nog gewaarschuwd : “De Italianen halen vanavond hun joker boven. “

Cywie, die in oktober Delanghe al eens vluchtig had ontmoet, verwonderde zich over aanwezigheid van de kabinetschef. “Ik vond het inderdaad nogal vreemd, temeer omdat de vergadering op een vrijdagavond plaatsvond. Maar nadien heb ik daaruit opgemaakt dat Delanghe via een ander kanaal wist wat er die avond te gebeuren stond. Want bij mijn weten was niemand op de hoogte van de voorstellen die we op tafel wilden leggen. “

Jacobs oordeelde dat zowel de Franse als de Italiaanse voorstellen hun mérites hadden. De Fransen boden kompensaties ten belope van 70 procent, de Italianen ten belope van 73 procent. “Maar het geheel van direkte en indirekte kompensaties was met 43 procent hoger bij Agusta dan bij Aérospatiale met 35 procent. Terwijl de Franse kompensatievoorstellen technisch interessanter waren, ” legde Jacobs later uit. “Het voorstel van Aérospatiale was gedetailleerder, en zowel technologisch als inhoudelijk superieur. Het steunde bovendien op een betere kennis van de Belgische markt. Agusta had dan weer een bijkomend luik met daarin een drietal erg interessante investeringen. Met die voorstellen verwierf Agusta uiteindelijk een lichte voorkeur. “

Delanghe oordeelde dat het dossier van de Italianen met haken en ogen aaneen hing “mal ficelé”, was uitdrukking die hij tijdens de ondervragingen gebruikte. Toen de vergadering op Ekonomische Zaken bleef aanslepen, nam Delanghe Guerra apart. “Ik wou weten of de voorziene garanties en sancties ook van toepassing waren op de voorgestelde investeringen, ” herinnerde Delanghe zich tijdens zijn verhoor in Luik. “De Italianen kwamen er niet uit. De diskussie bleef aanmodderen. Ik heb dan Guerra even terzijde genomen en hem gevraagd om nu eens duidelijk te zijn. Omdat ik hem voor zijn verantwoordelijkheid plaatste, stemde hij uiteindelijk in met de bankgaranties en sancties ten belope van 10 procent. Terug in de vergaderzaal heeft Guerra zijn beslissing voor alle aanwezigen herhaald. “

Tot grote verbazing van Cywie : “Dat was nieuws voor mij, want die bepalingen waren nooit eerder, in andere kontrakten, aangehaald. “

LUMMEN.

Tijdens die vergadering brachten de Italianen niet alleen hun plannen voor een distributievestiging in Bierset en een onderhoudscentrum in Zaventem, maar ook voor een komposietfabriek in Vlaanderen te berde. “Maar het was duidelijk, ” getuigde Jacobs nadien, “dat toen al aan Lummen werd gedacht. ” Delanghe van zijn kant bleef, net als zijn minister Willy Claes, volhouden dat Lummen als vestigingsplaats voor die fabriek pas later ter sprake kwam, begin december, nadat Sabca zich met de zaak bemoeide. Jacobs herinnerde zich ook : “Na afloop van de vergadering zei Delanghe me : het is nu duidelijk dat het Italiaanse voorstel voordeliger is. “

Op dinsdag 22 november ’88 overhandigde de administratie van Ekonomische Zaken haar syntese van de verschillende voorstellen van Aérospatiale en Agusta aan minister Claes. In die nota, opgesteld door Jacobs, was al sprake van “een lichte voorkeur” voor het dossier van de Italianen. Een dag later vertrok het dokument samen met een brief van Claes brief die ook door de administratie was opgesteld naar het ministerie van Defensie. Maar niet vooraleer Claes er zich eerst had van verzekerd dat de keuze van zijn kollega op Defensie voor Agusta vastlag. Coëmes voor het kernkabinet bestemde brief, waarin hij zich voor Agusta uitsprak, was daags voordien al vertrokken.

Het besluit van Coëme stond blijkbaar al langer vast. Want in de loop van maandag 21 november belde hij met direkteur-generaal Jean Storrer van het luchtvaartbedrijf Sonaca om hem mee te delen dat zijn keuze voor Agusta definitief was. Storrer vertoefde op dat moment in Italië om met Agusta te onderhandelen voor Sonaca, dat in het Waalse bedrijfsleven als een PS-burcht aangeschreven staat. Hij probeerde de minister op andere gedachten te brengen, zeggend dat het onmogelijk was om met de Italianen een ernstig akkoord te sluiten. Niettemin sommeerde Coëme Storrer terug naar België om er een dag later voor Sonaca een Memorandum of Understanding (MOU) een protokol-akkoord met Agusta te ondertekenen.

“Een MOU valt doorgaans onder de bevoegdheid van Ekonomische Zaken, ” verwonderde Claes zich tijdens zijn ondervraging door onderzoeksmagistraat Francis Fischer van kassatie. “Ik zie niet waarom Defensie zich met een akkoord tussen Sonaca en Agusta moest inlaten, tenzij vanuit een zorg voor de werkgelegenheid in het zuiden van het land. “

Na de bijeenkomst op Ekonomische Zaken haalde de interministeriële werkgroep tijdens een tweetal vergaderingen nog eens de roskam door de Agusta-voorstellen. Op de laatste bijeenkomst was ook een Agusta-delegatie aanwezig om de plannen toe te lichten. De Italianen maakten geen al te zelfverzekerde indruk. Zegt één van de aanwezigen : “De meesten onder ons waren van mening dat de Italianen de materie niet echt beheersten en geregeld uit de nek kletsten. “

TIJD WINNEN.

Uit lezing van gerechtsverslagen en gesprekken met betrokkenen kan nauwelijks worden opgemaakt dat kabinetschef Delanghe de beslissing van de administratie, laat staan die van zijn minister, in de richting van Agusta beïnvloedde. Deelnemers aan het overlegkomitee van kabinetschefs en advizeurs, dat zich over het Agusta-dossier boog, kunnen zich geen tussenkomsten van Delanghe in die zin herinneren. Zegt één van hen : “Vrij vroeg al, toen Roger Malevé, de advizeur van vice-premier Jean-Luc Dehaene, voorstelde bankgaranties van de Italianen te eisen, werd hij door Delanghe meteen gesteund. ” Dezelfde garanties, 10 procent van de voorgestelde investeringen in Bierset, Zaventem en Vlaanderen, die tijdens de bijeenkomst van 18 november werden afgedwongen.

Jacobs, een Franstalige ambtenaar van liberale obediëntie, getuigde voor het Luikse gerecht : “Uiteraard heb ik samen met mijn mensen vaak over het Agusta-dossier gepraat met minister Claes en met diens kabinetschef Delanghe. Maar op geen enkele moment hebben de minister noch Delanghe gepoogd mij te beïnvloeden. Integendeel. Minister Claes heeft onze dokumenten zonder noemenswaardige wijzigingen aan de regering overgemaakt. “

Over de bijeenkomst van 18 november lopen de verklaringen van Jacobs en Delanghe op enkele details na volkomen gelijk. De ambtenaar, een gereputeerd muggezifter, voelt zich in deze affaire zeer zelfverzekerd. Destijds schreef hij al een boze brief, met kopie voor het Luikse gerecht, naar kommissaris Jean-Pierre Lachapelle van het Hoog Komitee van Toezicht om hem op onvolkomenheden en flagrante onjuistheiden in zijn voor Coëme en Claes belastende rapport te wijzen.

Opmerkelijk genoeg werd Jacobs, die al begin maart in Luik uitvoerig werd ondervraagd, pas drie maanden later, na diens vrijlating uit Lantin, met Johan Delanghe gekonfronteerd. De éénklank tussen Jacobs en Delanghe geldt ook voor de vergadering van 2 december op Ekonomische Zaken waar de voorstellen van Agusta een laatste keer werden doorgenomen. Tijdens die bijeenkomst, waar behalve de Italianen ook Johan Delanghe, de adjunkt-kabinetschef van Coëme Jean-Louis Mazy en Jacques Jacobs aanwezig waren, werden de Agusta-voorstellen nog uitgevlooid en deugdelijk bevonden. Ze werden met een tekstverwerker van het ministerie op schrift gezet en op papier met briefhoofding van Agusta gekopieerd. Waarna ze, ondertekend door Guerra, aan minister Claes werden overgemaakt. Een procedure die niet alleen bij de Luikse onderzoekers maar later ook bij Claes vragen opriep. “Maar, ” verklaarde Claes tegenover raadsheer Fischer, “misschien wilde men gewoon tijd winnen. Hoe dan ook, dit was ontoelaatbaar. Het kwam de Italianen toe hun voorstellen zelf op papier te zetten. “

Dat Claes biezonder gevoelig was voor het voorstel van Sabca om samen met de Agusta-dochter Italcompositi een komposietfabriek in Lummen uit te bouwen, was volgens zijn kabinetschef normaal. “Sabca en Italcompositi waren zich wel bewust van de Europese en fiskale voordelen die ze in Limburg konden genieten, ” verklaarde Delanghe in Luik. “Dat Claes gevoelig was voor bijkomende tewerkstelling in Limburg is niet verwonderlijk. “

Ook andere politici waren attent. Zo zou André Cools, samen met vakbondsman Carol Gluza, daags voor de definitieve beslissing van het kernkabinet bij Claes op bezoek komen. Delanghe woonde de bijeenkomst bij. “Cools meende aan te voelen dat de Agusta-kompensaties die Luik waren beloofd naar Charleroi opschoven, ” getuigde hij tijdens één van de verhoren in Luik. “In dat geval zou hij zich niet laten doen. Claes stelde hem gerust en zei dat alle overeenkomsten zouden worden nagekomen. Ook de toenmalige vice-premier Jean-Luc Dehaene kwam bij Claes tussenbeide. Hij had in de pers gelezen dat het onderhoudscentrum, dat Agusta in Zaventem wilde uitbouwen, naar Gosselies zou verhuizen. Ook Dehaene werd door Claes gerustgesteld. “

EEN SCHERTSFIGUUR.

De ontmoeting die Claes, volgens Baldini, met Teti zou hebben gehad, werd door de minister in alle talen ontkend. In zijn eerste verklaring bij Fischer zei hij al : “Ik zou in het bureau van advokaat Puelinckx zijn geweest. Ik zou Teti hebben ontmoet. Misschien ging het hier telkens om iemand anders en werd mijn naam misbruikt. ” Ook Delanghe getuigde nooit van een dergelijke ontmoeting te hebben gehoord.

In zijn tweede ondervraging kwam onderzoeksmagistraat Fischer op die vermeende ontmoeting terug. Claes zei : “Een ontmoeting op een zondag op het kabinet is allerminst diskreet. Want om in het gebouw binnen te geraken moet men langs de huisbewaarder. ” Claes kon bovendien een alibi voorleggen. Hij was die zondagvoormidag te gast in het BRTN-programma De Zevende Dag. En hij besloot : “Ik mag aannemen dat mijn woord opweegt tegen dat van die Italiaan. “

Die laatste opmerking gooide Claes wellicht niet zomaar in het midden. Zij die in deze affaire met Baldini te maken hadden, zijn het erover eens dat de man niet veel voorstelde. Sommigen vroegen zich zelfs af wat Baldini, die amper het verschil kende tussen een helikopter en een vliegtuig, bij Agusta uitrichtte. “Een schertsfiguur, ” noemde gewezen Flag-voorzitter Paul Leën hem ooit.

Cywie en Baldini hebben in de Agusta-zaak voortdurend hun rol opgeblazen. Eerst met ronkende faxen naar het Agusta-hoofdkwartier in Milaan. Naderhand ook tijdens het onderzoek. Bij Cywie viel dat te begrijpen. Hij moest zijn vorstelijke kommissie bij Agusta verantwoorden. Voor Baldini is dat minder evident. Maar de Italiaan kampte met kronisch geldgebrek. Daarvoor had hij Cywie nodig. De Luikse lobbyist leende Baldini drie miljoen frank, zogezegd om zich in Brussel een huis aan te schaffen, passend bij zijn status van Agusta-direkteur. Nadien zou Cywie hem nog eens 460.000 frank toestoppen. Baldini, intussen aan de grond in Italië, heeft van dat geld nooit één centiem terugbetaald.

De enige die over de ontmoeting met Claes uitsluitsel kan brengen, is Raffaelo Teti. Maar die hokt momenteel, wellicht voorzien van een pak Agusta-fondsen, ergens onbereikbaar in Zuid-Amerika.

HET PSEUDO-KONTRAKT.

Hoe dan ook, op 22 november ’88 waagde Aérospatiale nog een wanhoopspoging door zijn kompensatievoorstel tot 113 procent van het kontrakt op te drijven. Begin december deden de Fransen er nog een schepje bovenop. Zij verlaagden immers de prijs van hun Ecureuil-helikopters met zo’n 360 miljoen frank, doordat de Franse overheid instemde met de kwijtschelding van de haar verschuldigde belastingen. Ekonomische Zaken maakte die voorstellen, ook al was de limietdatum voor de aanbesteding overschreden, over aan de regering die ze op haar beurt verwierp. Hierop steunt Claes zijn stelling dat niet alleen Coëme en hijzelf, maar heel de regering met kennis van zaken mee de helikopteraankoop heeft goedgekeurd. Op 8 december ’88 gaf het kernkabinet zijn fiat voor de aankoop van de 46 gevechtshelikopters. Op 19 december werd op het ministerie van Defensie het aankoopkontrakt door minister Coëme en Raffaelo Teti officieel ondertekend.

In de loop van hun enquête geraakten de Luikse onderzoekers, en nadien ook raadsheer Fischer, ervan overtuigd dat Agusta was bevoordeeld. Maar het harde bewijs voor betalingen van smeergeld bleef achterwege. Midden ’94 echter, tijdens onderzoek en ondervragingen van het Luikse gerecht in Italië, geraakte de affaire in een nieuwe beslissende stroomversnelling.

Tijdens huiszoekingen bij Agusta stootten de speurders op het consultancy-kontrakt tussen het Italiaanse bedrijf en de Panamese vennootschap Kasma Overseas, en een ander voor 0,50 procent met Downhole Technology Consultants gevestigd op het Britse Kanaaleiland Jersey. Dergelijke kontrakten zijn volgens de Italiaanse wetgeving vereist, wil het bedrijf de uitbetaling van kommissielonen fiskaal in rekening brengen.

Van gewezen Agusta-bazen kregen de onderzoekers te horen dat de tussenkomsten van Kasma Overseas en Downhole doorslaggevend waren geweest in de beslissing van de Belgische regering. Zo vertelde Robert d’Alessandro die Raffaelo Teti aan het hoofd van Agusta opvolgde : “Aanvankelijk vorderden de onderhandelingen zeer traag, ook al omwille van de sterke konkurrentie. Vooral de Duitse konkurrent leek het op een bepaald ogenblik te zullen halen. Tot plots schot in de zaak kwam en drie maanden later een kontrakt werd gesloten. Ik weet niet wie er achter deze vennootschappen schuilging, maar zeker is dat het ging om mensen die bij machte waren om op ministerieel niveau een dergelijke beslissing door te drukken. Zonder deze deus ex machina zou Agusta nooit het Belgische kontrakt hebben binnengehaald. Ik kan bevestigen dat de twee bedrijven tussenbeide kwamen vóór het sluiten van het kontrakt. “

Angelo Gadia, verantwoordelijk voor het technische en operationele onderdeel van de onderhandelingen, beweerde : “In onze sektor was het evident dat, om het Belgische kontrakt vast te krijgen, smeergeld moest worden betaald. We wisten ook dat het geld terecht moest komen in politieke middens. Het ministerie van Defensie en dat van Ekonomische Zaken speelden daarin een evenwaardige rol. Het was omzeggens onvermijdelijk dat, om de konkurrentie te vloeren, smeergeld moest worden betaald. “

De datum, 18 november ’88, op het consultancy-kontrakt van Agusta met Kasma, was voor het gerecht de bevestiging dat er gesjoemel in het spel was. Maar zowel de datum als het percentage op het dokument werden achteraf toegevoegd. Zo verklaarde advokaat Puelinckx in Luik dat volgens hem “het pseudo-kontrakt” werd getekend vlak voor of vlak na 19 december ’88, dus na de definitieve beslissing van het kernkabinet. Want Agusta betaalde de beloofde kommissie alleen in het geval het bedrijf de aankoop binnenrijfde. Volgens Puelinckx was het consultancy-kontrakt niet meer dan een middel om de kommissielonen Italië uit te krijgen.

DASSAULT.

In het voorjaar ’89 belastte de Belgische regering het Franse Electronique Serge Dassault (ESD) met de installatie van hun elektronisch afweersysteem, in vaktermen Electronic Counter Measures (ECM), op de F-16’s van de luchtmacht. Een operatie die de regering zo’n 6 miljard frank zou kosten. De bestelling van het onbeproefde Carapace-systeem bij Dassault werd in luchtmachtkringen op ongeloof getrakteerd. Want niet later dan op 19 april ’89 had luitenant-generaal Alex Moriau, in een konfidentiële nota voor de aankoopdienst van het leger, onomwonden gekozen voor het ECM-systeem van het Amerikaanse bedrijf Litton. Anderhalve week later zwakte Moriau in een nieuwe nota zijn eerste keuze af. In ’95 zou de generaal tijdens ondervragingen in Luik toegeven dat hij onder zware druk was gezet door het ministerie van Defensie, meer bepaald door adjunkt-kabinetschef Jean-Louis Mazy, om zijn mening aan de ekonomische en andere noodwendigheden aan te passen.

Voor minister Willy Claes echter bestond er weinig twijfel. In een brief van 24 april ’89 naar Defensie had hij het, op aangeven van zijn administratie, over “een duidelijke voorkeur” voor Dassault. Een standpunt waarop defensieminister Coëme zich daags nadien bij het ministerieel komitee voor sociale en ekonomische koördinatie beriep om de aankoop van het Carapace-systeem van Dassault te wettigen. Ook hier bevestigden de ambtenaren van Ekonomische Zaken naderhand dat Claes hun aanbevelingen haast letterlijk volgde.

Later in het jaar zou minister Coëme van Defensie er nog een tweede programma doordrukken, het Mirage Safety Improvement Program, kortweg MirSip. Eigenlijk ging het hierbij om niets anders dan het opkalfateren van een twintigtal verouderde Mirage-toestellen. Die opdracht ten bedrage van 3,5 miljard frank, werd toegespeeld aan het Belgische bedrijf Sabca, dat evenwel door Dassault Belgique Aviation werd gekontroleerd. Uiteindelijk zou de totale kost voor de opsmukoperatie oplopen tot om en bij 11 miljard frank. Enkele jaren later verkocht de Belgische regering, door bemiddeling van Sabca, die vliegtuigen voor amper 1,6 miljard frank aan Chili.

Tijdens zijn ondervraging begin mei ’95 door raadsheer Fischer, wist Louis Tobback te vertellen : “Wat de ECM- en MirSip-bestellingen betreft kan ik me niet echt een beslissingsproces herinneren. Ik meen dat zowel in het ministerieel komitee voor sociale en ekonomische koördinatie, als in de regering die twee dossiers passeerden… comme une lettre à la poste” Daarmee toonde SP-voorzitter zich spaarzaam met de waarheid. Die was iets genuanceerder.

Binnen de regering bestond wel oppositie tegen het ECM-kontrakt en zeker tegen het MirSip-programma. Sommige ministers bestempelden de updating van de haast vermolmde Mirages als volslagen nonsens. Er was ook het rapport van inspekteur-generaal van Financiën Jef De Caesemaeker, die het hele MirSip-projekt aan spaanders hakte. In het kernkabinet was dit rapport bekend. “Maar, ” zegt een gewezen advizeur, “met die verslagen van De Caesemaeker werd wat af gelachen. De man had zo’n betogende stijl dat die veelal het omgekeerde effekt produceerde. “

De regering volgde de inspekteur-generaal niet, toch hielden enkele ministers aan de ECM- en MirSip-programma’s een vieze smaak in de mond over. Zegt een gewezen kabinetsadvizeur : “Na die beslissing voelden we ons onwel. Want dat programma was inderdaad onzin. Coëme ijverde zeer sterk voor MirSip. Maar onderschat de tussenkomsten van Sabca niet. Dat bedrijf rolt op overheidsbestellingen en dreigde met ontslagen mocht MirSip niet doorgaan. “

Vervelend voor het Belgische gerecht is dat ze bij Dassault blijven volhouden nooit één frank aan de SP te hebben betaald. Alleen de volledige opheffing in Zwitserland van het bankgeheim van de rekeningen van Kasma Overseas en van Luc Wallyn kunnen daarin klaarheid brengen. En dan nog moet worden uitgemaakt of de 60 miljoen frank van Dassault wel degelijk in de SP-kas belandde. Want penningmeester Mangé blijft mordicus het tegendeel beweren.

Rik van Cauwelaert

Willy Claes : “Ik mag aannemen dat mijn woord opweegt tegen dat van een Italiaan. “

Sommige ministers beschouden de upgrading van de Mirages, die defensieminister Guy Coëme doordrukte, als volslagen nonsens.

Claes’ kabinetschef Johan Delanghe : “Ook nadien, toen de moeilijkheden begonnen, heb ik nooit met minister Claes over het Agusta-geld gesproken. “

Tot onthutsing van de Italianen had de Luikse lobbyist Georges Cywie geen enkele voeling met de Vlaamse decision makers.

Prokureur-generaal Jacques Velu van kassatie : de enige vraag die overbleef, was de vraag tot inbeschuldigingstelling.

Roberto d’Alessandro, direkteur-generaal van Agusta : “Zonder een deus ex machina had Agusta nooit het Belgische kontrakt binnengehaald. “

De Agusta-helikopter bij recente maneuvers. “In onze sektor was het evident dat er op politiek niveau smeergeld moest betaald worden om het Belgisch kontrakt vast te krijgen. “

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content