26/11/12 om 09:40 - Bijgewerkt om 09:40

De Schreeuw van De Leeuw

De argumentatie van ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw inzake de loonkostenhandicap van de Belgische ondernemingen krijgt buitenaardse dimensies.

De Schreeuw van De Leeuw

De loonhandicap bedraagt niet 5,2% en zelfs niet 1,8%, zo verkondigde ABVV-topman Rudy De Leeuw tijdens het weekend. Want, zo stelde De Leeuw, verreken ook nog eens de effecten van de dienstencheques en die loonkostenhandicap verdwijnt helemaal. Een bijzonder opvallende stelling die echter kant noch wal raakt.

De dienstencheques worden gebezigd door particulieren om, bijvoorbeeld, de poetsvrouw en/of de tuinman onder een fiscaal gunstig regime te vergoeden voor de verleende diensten. Het systeem wordt nauwelijks gebruikt door ondernemingen en heeft dus geen invloed op de loonkosten van die ondernemingen. Op één of andere manier het systeem van de dienstencheques gaan verrekenen in de loonkostenhandicap van de Belgische economie is dan ook compleet fout.

Het systeem van de dienstencheques en vooral het grote succes ervan is echter wel zeer relevant voor de huidige discussie in dit land rond de sociale en economische betekenis van hoge loonkosten. Dit succes is immers het best denkbare bewijs van het grote belang van de loonkost, zeker voor de minst geschoolde mensen op onze arbeidsmarkt.

De dienstencheques brengen de kosten voor de poetsvrouw en de tuinman drastisch naar beneden met als gevolg een explosie van de vraag naar de diensten van die mensen. Het tewerkstellingseffect van deze arbeidskost verlagende ingreep is zonder meer spectaculair. Méér dan door welke economische studie ook wordt alzo het grote belang van de loonkost voor de evolutie van de tewerkstelling aangetoond.

Wat de echte omvang van de loonkostenhandicap van de Belgische ondernemingen blijft het zo dat de cijfers van de OESO aangeven dat we ten opzichte van het gewogen gemiddelde van de drie buurlanden sedert 1996 8% uit koers gingen. 1996 wordt als vertrekpunt genomen omdat dat jaar de wet op het behoud van het concurrentievermogen van start ging. De handicap opgebouwd voor 1996 is dus niet vervat in die 8% die slaat op zowel de loonkost per werknemer als die per eenheid product (zijnde gecorrigeerd voor verschillen in productiviteit). Ten opzichte van Duitsland ligt het loonkostenverschil zelfs boven de 10%. Dat de CRB (Centrale Raad voor het Bedrijfsleven) op een loonkostenhandicap van 5,2% uitkomt, heeft veel te maken met de omrekening naar loonkosten per uur waarvan de methodiek enige black box-kenmerken vertoont.

Johan Van Overtveldt

Onze partners