Benno Barnard
Benno Barnard
Lees hier de columns van de Nederlandse dichter en essayist Benno Barnard.
Opinie

20/12/10 om 10:36 - Bijgewerkt om 10:36

Nostalgische reis: Rotterdam, oktober 1955

Benno Barnard: 'Sinds de dood van mijn vader heb ik meer in plaats van minder familie.'

Nostalgische reis: Rotterdam, oktober 1955

Sinds de dood van mijn vader heb ik meer in plaats van minder familie. Ik bedoel de oersubstantie waarin ik drijf, als een spruit in de soep. Op de begrafenis moest ik meermaals de sentimentele aandrang onderdrukken om een neef of nicht in de armen te vallen. En dat terwijl ik al die toevallige bloedverwanten altijd als nutteloos had beschouwd!

Mijn vader was enig kind: wij mannelijke Barnards zijn erotische mensen, maar we zijn zuinig met ons zaad (een betovergrootvader was een tijdgenoot van Napoleon). Mijn moeder daarentegen had twee broers en vijf zussen en nichten, die zich op hun beurt met enige geestdrift hebben voortgeplant: ik heb een stuk of twintig neven en nichten, die ook weer onbekommerd hun eigen konijnenhol hebben gevuld.

Voor me ligt een bruinige foto waarop de stamboom aan moederszijde zijn kruin heeft uitgespreid. In de woonkamer van Hermanus Benjamin Gijsbertus van Malde, de vader van mijn moeder, hebben zich achtentwintig mensen verzameld. De oudste is negentig jaar, de jongste elf maanden. De oudste is de moeder van mijn grootvader. De jongste is het wezen dat ik met 'ik' aanduid, een hulpeloos pronomen, twee letters, meer niet.

Mijn opa is drieënzestig. Rechtschapen kop van het langschedelige type. Een aanzet tot glimlach op verzoek van de onbekende fotograaf. Rechte neus. Witte snor, alsmede witte schedelhaarrestanten, strak achterovergekamd. Een donker pak met stropdas. Deze patriarch is alweer vier jaar weduwnaar. Mijn overgrootmoeder, gezeten in een hoogst ouderwetse leunstoel, vormt het middelpunt - alle anderen staan. Hoewel gehuld in een zwarte hobbezak, oogt ze opmerkelijk fris: haar gezicht heeft niets van het anatomische preparaat waarin zoveel oude koppen veranderen. Ze zal nog zes jaar doorleven; mijn grootvader nog tien jaar. Zouden er in 1955 behalve zijn moeder nog veel mensen over zijn geweest die 'Herman' tegen mijn opa zeiden? Voornamen sterven gewoonlijk eerder dan hun dragers. Maar minstens honderd mensen van allerlei leeftijden noemden mijn vader een halve eeuw later bij zijn voornaam: Willem.

In de witte elekrische nevel van de vroege jaren zestig doemt het spook van mijn opa op, voor wiens negentiende-eeuwse gestrengheid ik een vage religieuze vrees koesterde - als ik ooit iets heb ervaren van Freuds idee dat de godheid een projectie van de vaderfiguur is, dan bij deze stamvader. Zou de verzwakking van het christendom te maken hebben met de verminderde afstand tussen de generaties? In elk geval heb ik mijn voornaam (Benjamin) van hem geërfd. Opa was artistiek angehaucht, wandelstok, alpinopet, twee trouwringen aan de hand rond de meerschuimen kop van zijn pijp. Hij stond aan het hoofd van een deurenfabriek, maar was daarnaast een nobele dilettant in de kunsten: hij schilderde stillevens met olieverf, schreef academische sonnetten in de stijl der Tachtigers, en speelde naar het schijnt uitmuntend piano. Hij is het soort man dat niet meer bestaat, overweeg ik boven het familieportret van een halve eeuw geleden. Hij hoort bij woorden als volksverheffing, Hoogere Burgerschool en werklieden. Hij hoort bij een rottijd die mijn nostalgie wekt. Hij drijft nog wat na in dezelfde oersoep.

Het adres van de woonkamer luidt Rochussenstraat 261 b. Dat is net buiten het centrum van Rotterdam, dat in mei 1940 door de nazi's is platgebombardeerd (de rest van de stad is na de oorlog door de Rotterdammers verwoest - ook opa's huis is met de grond gelijkgemaakt). Ik zie een als met schoensmeer opgeblonken vleugelpunt van de Steynway, waarop mijn aangetrouwde oom Cor losjes zijn hand laat rusten. Ik zie een lampenkap van geplooide stof, vermoedelijk uit de crisistijd, die het hoofd van mijn oom Jaap een stralenkrans verleent. Ik zie serviesgoed in een glazenkast, waar mijn tante Dientje vlak naast staat, in een koket wit jurkje met zwarte noppen. Wat zou er met dat servies zijn gebeurd? Waar blijven al dat soort spullen toch? In het huis van mijn vader stonden nog een paar bibelots en snuisterijen uit dit huis, uit deze kamer; vroeger bevonden ze zich in het huis van mijn beide ouders en toen waren het er heel wat meer - vandaag is in mijn eigen huis een potloodtekening van Hendrik Chabot, voorstellende een groot schip in de haven van Rotterdam, het enige materiële overblijfsel uit de wereld die gevangen zit in deze foto. Eén enkele relikwie. Van het kruis, de stamboom van het christendom, bestaan meer splinters.

Daar heb je mijn vader, naast mijn opa. Scheve grijns. Licht flanellen pak. Volle kuif haar; iets vooroorlogs nog in de coiffure (maar zijn dode vader was dan ook kapper geweest). Hij is vijfendertig. Even bespottelijk jong is mijn moeder, op wier hoofd al haar donkerblonde krullen een bevroren dans dansen. De laatste jaren van haar leven droeg ze een grijze pruik op haar dun geworden haar, en die kan ik maar niet uit mijn geheugen wissen - ik denk aan haar en zie onvermijdelijk de alzheimerpatiënte met het ingevallen gezichtje, waarin de grote blauwe poppenogen steeds minder staan te begrijpen, steeds ongelukkiger kijken. Door de bleke huid schemert het doodshoofdje al. Daarbovenop die pruik, die akelige pruik. Maar in het huis van haar vader is ze mooi en elegant en zesendertig en draagt ze een lichte japon (zachtgrijs of bleekblauw, ik herinner me die japon nog wel). En op haar schoot zit het wezen dat ik met dat fluttige voornaamwoord aanduid, in volstrekte tevredenheid, de dikke lipjes met smaak rond de duim gewelfd.

Op de grond voor me: mijn oudste zus in een geruit jurkje, onder een ontroerend meisjeskapseltje. Wat is het jaren vijftig in die woonkamer! Er vertoeven ook nog acht neven en nichten, in leeftijd variërend van tien maanden tot acht jaar. Buiten de foto, in 2010, is mijn zus met pensioen, net als de oudste neef. Twee ooms en twee tantes zijn nog onder ons. Ik tel veertien overlevenden in totaal. De schimmen van evenveel dode familieleden leven voort op nummer 261 b. Over hun wereld heeft de rest van de twintigste eeuw boenwas van het merk Aandoenlijkheid gewreven.

Onze partners