Jo Smets' afrekening met het katholieke en nationalistische Vlaanderen

17/03/14 om 15:15 - Bijgewerkt om 15:15

'Klikken en Klakken', een pseudo-thriller, gaat ten onder aan overmoed. Maar als mislukking is het ten minste een boeiende mislukking, aldus Lukas De Vos.

Jo Smets' afrekening met het katholieke en nationalistische Vlaanderen

© WPG

Gelukkig staat er "Meesters in Misdaad" op de voorflap, en niet "Literaire Thriller", want dat kun je Klikken en Klakken bezwaarlijk noemen. De roman is eerder een afrekening met het politiek verleden en met de inhibities die de schrijver torst, dan een spannend misdaadverhaal. Te vaak neemt de verontwaardigde ideoloog het over van de kundige raadselbouwer. Dat valt zowel af te lezen aan de nerveuze, saccadische stijl vol elliptische zinnen en überbietungen, als aan de woedende uitvallen tegen al dan niet vermeende jodenhaters, die volgens Smets de collaboratie doordesemden. De wijze waarop hij bijna kokhalzend betrekkelijk twijfelachtige voorstanders van de Nieuwe Orde, zoals de terechtgestelde oorlogsburgemeester van Ronse, Leo Vindevogel, of de Hamse letterkundige Filip De Pillecijn, aan de schandpaal spijkert, doen het ergste vermoeden. Klikken en Klakken is een ongegeneerd pamflet over onuitroeibaar kwaad, dat de vorm heeft gekregen van een satanisch ritueel.

Stevenisten

Dat onderhuidse, broedende en onontkoombaar Kwaad is de echte hoofdpersoon van de roman. Het uit zich in personages die regelrecht uit Murnaus Nosferatu, eine Symphonie des Grauens of Dan Browns Inferno zijn gestapt. Het Kwaad is immers een virus, dat blind toeslaat, en zichzelf voedt met steeds meer slachtoffers. Zijn bedienaars gelden als duivelaanbidders. In zijn boek heeft Jo Smets de geschiedenis van de Stevenisten in Vlaanderen aangegrepen om de vreemde bijeenkomsten in een alleenstaande vierkanthoeve in het Zuid-Brabantse Leerbeek aannemelijk te maken.

Staf De Clercq

De sprong die hij maakt van 1840, toen hun herder in het Pajottenland, pastoor Philip Winnepenninckx in 't Stalleke overleed en de fakkel van de "oud-katholieken" (die het concordaat verwierpen en terugwilden naar de onbetwistbare rol van de kerk in het Ancien Régime) doorgaf aan lekenleiders, onder aanvoering van de "Spiritueele Vader", naar de sombere rol van Staf De Clercq in 1933, vergt heel wat geestelijke rekkelijkheid van de lezer. Enige verwantschap in de "occulte" focus is dat De Clercq ook van Kester afkomstig was, en door Smets verantwoordelijk wordt geacht voor gewelddaden (tegen joden, tegen andersdenkenden, tegen slappelingen, tegen demokraten). Je kunt hooguit meegaan in de stelling dat het Kwaad steeds andere vormen aanneemt, en soms onbeseft doorgegeven wordt. Het probleem van Smets is evenwel dat hij een geforceerd raster op uiteenlopende geschiedkundige gegevens perst, en er een kunstmatige, opgefokte continuïteit in legt. Dat een snijdende ondertoon van geweld als nevels over de velden sluipt is begrijpelijk. Dat die de meest abjecte vormen aanneemt is niet onlogisch.

Geweld is de ziel van het kwaad, en zijn schijngestalten zijn verklikking en manipulatie. Daarom is geweld onafwendbaar in uiteenlopende vormen permanent aanwezig - Smets gebruikt als embleem de FN Browning Hi-Power - "Of de Franse versie. GP. Grande Puissance" - waarmee de rijkswacht nogal losjes omsprong, en in 1966 de moorden bij de mijn van Zwartberg zijn gepleegd. FN Herstal, waar net een staking van de vrouwelijke arbeidsters aan de gang is, en die gefinancierd blijkt te worden door het satanisch gezelschap. "Subversie om de subversie". De zwarte zon. De zwarte zonde. Want zwart is de ultieme drijfveer van de duistere krachten: "De nood aan het verborgene. Aan de onzichtbaarheid".

Kranten

Het zal niet gezegd zijn dat Smets zijn huiswerk niet grondig heeft gedaan. Maar het docerend karakter van hele passages vertraagt onnodig de aktie. Een greep uit de uitweidingen. Uitvoerig wordt geciteerd uit kranten, van het Algemeen Dagblad in 1966 tot 't Volk van Ronse in 1939-1940. De acribische Browinggeschiedenis had evengoed in Jef Geeraerts' bijvoegsel bij De Coltmoorden kunnen staan. De geschiedenis van Zwartberg of het Stevenisme appeleert teveel aan Ben Crabbé en zijn spiekbriefjes. De uitputtende uitleg over het getal 666 en de naam van het beest. Of dacht u dat 1966 een toevallig gekozen jaar was ? De mythes van de vuursalamander en belladonna.

De lezer verwordt tot een willoos canvas, dat enkel dient om ingevuld te worden. Het verhaal staat ten dienste van de belering en de waarschuwing. Smets heeft ervoor gekozen een politiek traktaat aan te kleden als een horrorthriller over zijn endemische afkeer van het (Vlaams)-nationalisme, dat hij gelijkstelt met racisme ("De jood is een rat", reden allicht waarom zijn sekteleden - uiteraard naakt zoals op een heksensabbat - een rattenkop als masker dragen) en onverdraagzaamheid. Hij is juist door eindeloze uitvergroting, door ironieloze hyperbolen deerlijk mislukt in die opzet. Ongetrimd blijft, met diepzinnige flauwiteiten: "Hij wist dat hij nu wel niet wist wat hij moest met wat hij wist, maar dat hij zou blijven willen weten of hij ooit zou weten wat hij moest met wat hij nu eigenlijk niet meer wilde weten". Dit is zelfs geen kolder, maar ongegeneerde aanstellerij. Gestoethaspel. Omdat Klikken en Klakken tussen twee stoelen valt. Schaamteloos bevooroordeeld is, en even schaamteloos irriterend hijgerig gekomponeerd werd.

Scheuren

En dat is jammer, want ik twijfel er niet aan dat Smets kan schrijven. Hij moet alleen leren ontvetten. En zijn taalregisters uit elkaar houden. Vrouwen hebben in alle omstandigheden "scheuren". Zelfs in zijn verontwaardiging over de achteruitstelling van vrouwen op de arbeidsmarkt ("'Laten we eens kijken', zei de vrouw. 'De slechtstbetaalden, de ongeschoolde losse mannen, verdienen 32 frank per uur. De vrouwen 25, welk werk ze ook doen. C'est pas normal, non'") is dit consequent neerbuigend, seksistisch taalgebruik maar op enkele plekken gepast, niet bij voorbeeld als Mark Lazare, de boekenleurder die het uiterst-rechtse misdaad- en komplotcircuit tracht te ontmaskeren, de Reus koudbloedig doodschiet. De naam van Lazare (Lazarus) vat goed zijn lotsbestemming samen. Hij staat uit de doden op, zoals alle niet-doden, om als zombie of vampier zijn hele innerlijk te verliezen, en zelf te eindigen als dienaar van het ultieme geweld. De hoed (een parodie van de mijter) wordt uiteindelijk doorgegeven. De incarnatie van het kwaad, Walker, de man zonder kin, verzinnebeeldt de omgekeerde en vervloekte eeuwige wandelaar, Ahasverus.

Er zijn twee cruciale hoofdstukken die de roman moeten schragen én verantwoorden: hoofdstuk 40 dat ingekleed wordt als het geheim rapport van een infiltrant die zichzelf 'Tuinman' noemt, alias Lazare dus; en het laatste hoofdstuk dat de onvermijdelijke kapitulatie van de hoofdpersoon moet gestalte geven. In anaforische klimaksopbouw: "Tegen zes uur 's avonds wist Lazare dat hij niet meer bestond. Hij had geen hart meer. Geen longen. Geen armen. Geen romp. Geen benen. Geen ogen. Hij maakte nergens nog deel van uit. Niet van de wereld. Niet van toen, nu en straks. Hij was dood. Had misschien zelfs nooit bestaan". Als hier het personage helemaal wordt leeggelepeld en teruggebracht tot de schim die de ondoden zijn, dan dient het rapport als verklaring en motivering voor het sadistische verhaal dat alleen maar nieuwe slachtoffers eist. De hoeve met haar geheime gangen en krukloze deuren, met haar orgiehal (de schuur) en afgelegen vergaderplaats, is maar de spiegel van de werkelijke wereld, die, zoals het Sogo van Barbarella, overleeft en beweegt op de vraatzuchtige Mathmos, die teert op zonde en kwaad en zo vergankelijkheid tijdelijk opheft. Alle ondeugden komen er samen. Misbruik van minderjarigen, bloedoffers, wreedheid, aanbidding van Lucifer, afpersing, mismaaktheid, het leven is één rollenspel ten dienste van een hogere (lagere ?) macht die de wereld korrumpeert en in het gareel houdt: de eredienst van het Kwaad.

Onschuld en wreedheid

De schakelaar van die zwarte mis wordt eindeloos bediend met een klik en een klak. Het geluid van een geladen revolver. Het geluid van een dichtslaand autoportier. Het geluid van de versnellingsbak. Het geluid van klapramen. Het geluid van kabelsluitingen om een staaf. Het geluid van handboeien. Het geluid. "Hij klemde het pistool tussen zijn billen., reikte met dezelfde hand overlangs naar de hendel van het portier en trok. Klik. Trapte de deur verder open. Klak. Greep de Hi-Power. Klik. En stapte uit". De genietende toeschouwer van de onvermijdelijke afdaling naar is uiteraard de Boze, wiens kunstgreep erin bestaat te doen geloven dat hij niet bestaat. Daarom neemt de Boze de vorm aan van een onschuldig kind, een putti van een jongetje, dat zich maar onderscheidt van andere frele wezens doordat hij snel rood aanloopt. De ergste vorm van misleiding en manipulatie komt dan tot uiting. Onschuld dekt alleen wreedheid.

Onschuld is de mimikri van onvoorwaardelijk Kwaad. Smets heeft dat goed begrepen in zijn wanhoop om in elk menselijk gevoel uitsluitend ontbinding en verrotting te zien. Lucifer draagt het licht om de kracht van de diepste duisternis te maksimaliseren. Onschuld dient op dezelfde manier om de tirannie van de zonde te verhevigen. Het roept de beklijvende beelden op van het kind dat speelt met een ballon in Tre Passi nel Delirio (Histoires Exraordinaires), een omnibusfilm uit 1968. In het verhaal van Toby Dammitt (nomen est omen) dat Federico Fellini aanleverde realiseert een Shakespeare-acteur,Terence Stamp, zich dat hij onvermijdelijk de leegte wordt ingezogen door het spelende meisje. Zij is de metafoor van de duivel die hem tot overmoed en zelfmoord aanzet op de snelweg naar de hel. Met zijn sportwagen scheurt hij de afgrond tegemoet en wordt door een kabel onthoofd.

Stukgevallen vaas

Klikken en Klakken gaat ten onder aan overmoed. Maar als mislukking is het ten minste een boeiende mislukking, een uitdagend schotschrift dat inzage geeft in de verkramping waarmee Vlaanderen omgaat met zijn eigen katholiek en nationalistisch verleden, met zijn maatschappelijke tekortkomingen, zijn ikzucht en zijn slaafse onderdanigheid aan de sterke staat. Alleen is de waarschuwing zo dik in de verf gezet dat ze haar doel voorbijschiet. En je uiteindelijk alleen nog fragmenten leest. Als een stukgevallen vaas.

Jo Smets, Klikken en Klakken. Antwerpen, Manteau 2014, 334 blz.

Lukas De Vos

Lees meer over:

Onze partners