Jeroen Brouwers over Lucrèce Van Hecke, zus van ex-politicus Johan

04/05/11 om 10:01 - Bijgewerkt om 10:01

Voor de heruitgave van 'De laatste deur' najaar 2012 schreef Brouwers een portret van dichteres Lucrèce Van Hecke die op haar veertigste zelfmoord pleegde. Een fragment uit deze voorpublicatie.

Jeroen Brouwers over Lucrèce Van Hecke, zus van ex-politicus Johan

© Marnix Coppens

Jeroen Brouwers was al van bij zijn debuut, de verhalenbundel 'Het mes op de keel ' (1964), door zelfmoord gebiologeerd. Met 'De laatste deur' (1983), een verzameling essays over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur, zoomde hij in op het zelfgekozen levenseinde van vaak minder bekende Vlaamse auteurs, zoals Jan Emiel Daele en Dirk de Witte, met wie Brouwers bevriend was geweest. In 'De zwarte zon' (1999) ging hij de internationale toer op en had hij het onder andere over Klaus Mann en Stig Dagerman maar ook over Daniël Robberechts.

Brouwers is momenteel bezig een nieuwe editie van 'De laatste deur' te maken die hij naar eigen zeggen in het najaar 2012 hoopt te laten verschijnen. Hij vertelde er aan de telefoon bij dat het de bedoeling is om deze herziene uitgave te doen eindigen met dit nieuw geschreven portret van het veertigjarige manisch-depressieve bestaan van Lucrèce Van Hecke, een eyeopener voor al wie enigszins vertrouwd is met de haast even grillige, bizarre strapatsen uit de politieke carrière van haar meer bekende broer Johan. Hieronder volgen enkele fragmenten uit het portret van Brouwers dat integraal te lezen staat in Knack Magazine van 4 mei 2011.

(...)

Ze heette Lucrèce Van Hecke. Geboren op 17 oktober 1956 in Gent, waar ze haar leven lang zou blijven wonen. Kind uit welgestelde katholieke burgerij, pa was burgemeester van het belendende Oosterzele, ma had een kledingzaak in Gent. Ze was de tweede van het tot kroostrijk uitdijende gezin, - haar oudere broer Johan werd politicus naar de snit van verschillende stromingen en partijen (CVP, NCD, Open VLD) en bracht het tot Europees parlementslid, voordat hij in 2008 een hotel in Oeganda neerzette en uit de politiek verdween. Lucrèce beriep zich bij het doorzetten van haar stampvoetend kenbaar gemaakte wil nogal eens op haar "relaties in regeringskringen".

Ze volgde wat hoger onderwijs, maar behaalde geen enkel diploma, al noemde ze zich lerares Nederlands-Engels. Ze doorliep hapsnap enige opleidingscursussen aan de kunst-, en vervolgens aan de muziekacademie in haar geboortestad, waarna ze vond dat ze beeldhouwster was, voordrachtkunstenares, schrijfster. Ze zal zich van gistend talent voor kunst bewust zijn geweest, maar ze was te grillig wispelturig, te ongeduldig om het te polijsten tot echte kunst, in welk genre dan ook, zodat het dilettantisme bleef en daarin jammerlijk doodliep.

Toentijds bestond in Gent een "werkgroep poëzie" binnen de Vrije Akademie waarvoor "door pionierster Lucrèce Van Hecke koortsachtig naar een geschikte werkformule werd gezocht". Het woord koortsachtig zal haar en haar manier van doen treffend hebben getypeerd. De club bestond uit "dichters, debuterende dichters en dichters in wording, (...) bezield door één gemeenschappelijk idee: dat poëzie een volwaardige literatuurvorm is, - in die zin gepromoot dient te worden, - en een gelijkwaardige partner van de andere belettristische genres."

Aan de voet van de Olympus hurkt men bijeen en vindt de hagelslag uit. Het poëtenvolk kwam samen in een kunstcafé om "elkanders werk kritisch te benaderen, te commentariëren en te evalueren."

Men zou van minder depressief worden. Lucrèce werd ook nog manisch, bij momenten zelfs "volledig krankzinnig", naar een intimus getuigt. Er ontstond ruzie, onverzoenbaarheid en scheuring, ook door een andere dan belettristische oorzaak: Lucrèce, biseksueel, raakte verliefd op een meisje voor wie een ander, mannelijk, groepslid eveneens tedere gevoelens had opgevat.

mocht het ooit gebeuren dat je snoeren van kwetsbaarheid breken dan wil ik - kruipend op de grond - je parels nog beminnen Lucrèces gedicht ("Bitterkoekjes") waarvan dit de slotregels zijn, staat in een "thematische collectieve dichtbundel" van de zeven leden der werkgroep. Titel: 'Op hoop van liefde' (1987). Thema volgens de ondertitel: "Van eros, roes, lief en leed". Uit het niet ondertekende "Ten geleide" bij het boekje komen boven gegeven citaten, de liefdesverzen van Lucrèce Van Hecke worden er "schroeiplekken" in genoemd, het woord staat in een van haar eigen gedichten, die titels dragen als "Onvermogen" en "Verlos ons van de liefde".

Met deze lyriek, te vroeg uit de oven, debuteerde ze in de heuse literatuur, althans in wat zij en de zes anderen zich bij heuse literatuur voorstelden. Geen van hun namen zijn vooralsnog in de letteren beklijfd, al heeft Lucrèce Van Hecke het tenminste nog tot de publicatie van twee dichtbundeltjes gebracht. Achterop die bundeltjes, zoals ook in de collectieve bloemlezing, stelde ze zichzelf voor als schrijfster van "literaire kritieken", waarvan echter geen spoor is terug te vinden.

Ze zou "in tal van literaire tijdschriften" hebben gepubliceerd, maar bij navorsing blijkt het te gaan over enige obscure blaadjes, soms gestencild, in de nachtkant der goedbedoelde letteren. Ze beweerde "freelance-journaliste" te zijn, terwijl ook dat fake was, al stond het in de hoofding van haar briefpapier. Niet afkerig van bluf, vulde ze haar leven met schijn, ze fabuleerde zichzelf tot grootheid, maar het bleef bij inbeelding en wat uit haar vingers kwam oversteeg ternauwernood de status van gefröbel. In een van haar dichtbundels staat als motto deze overdenking van Virginia Woolf: "Het is moeilijker een droombeeld te doden dan de realiteit."

Wie haar hebben gekend bevestigen dat ze intelligent was, "maar - zoals ze het zelf uitdrukte - dit leven was niet aan haar besteed", zei broer Johan in een interview. "Lucrèce was te gevoelig voor deze wereld." In werkelijkheid ging Lucrèce bulldozerend door het leven en de wereld, niet in staat tot rustige communicatie, ze dramde haar opvattingen en meningen door tot iedereen, murw gedraaid, haar in godsnaam maar gelijk gaf, dan wel zijn schouders ophaalde.

(...)

Lucrèce was mentaal ziek, maar er was geen psychiater die haar aankon, geen kliniek waar ze het wist uit te houden of was te handhaven. Ze tormenteerde zichzelf door iedere professionele hulp af te wijzen, verward in haar wanen, die tegelijkertijd bestonden uit megalomanie en minderwaardigheidsgevoelens. "Mijn getalenteerde zus", aldus broer Johan, "voelde zich in deze hypercompetitieve wereld miskend."

Moeder hield haar in de steigers. Ook nadat Lucrèce toch een eigen onderkomen had betrokken, een huurhuisje in de Gentse Patersholbuurt, Rodekoningstraat 2, bleef moeder dicht in de omgeving, want dochter zorgde slecht voor zichzelf. "Ons ma" beschikte over de voordeursleutel, zorgde en beredderde, verdroeg, duldde en was bezorgd. Het interieur van het pandje had de dichteres volledig zwart geschilderd, er lag zwarte vloerbedekking tussen de zwarte muren, op het zwarte bed lagen zwarte lakens, zoals Lucrèce zelf nooit anders dan in zwarte gewaden was gehuld, los en wijd rondom haar gestalte, smaakvol van uitvoering, afkomstig uit moeders winkel. "Alles bij Lucrèce rook naar de dood," getuigt een vriendin.

(...)

In 1993, het jaar waarin haar vader stierf, verscheen haar bundel 'Van Eros tot Thanatos', voorzien van de overbodige ondertitel "Gedichten over liefde en dood". Een zwart boekje met haar foto achterop, vrolijk lachend tegen de dood in. Broer vertelt: "Bleek dat er drie drukfouten in stonden, dus trok ze de duizend gedrukte exemplaren in en gooide ze weg. Om maar te tonen hoe perfectionistisch ze was. En vervolgens belandde ze in een depressie."

Met haar gedichten ging ze de boer op, solo of in groepsverband, in haar eigen akademie of tijdens poëziemanifestaties in heel Vlaanderen. Ze maakte indruk met haar gevoileerde stem en geschoolde uitspraak, die men enige tijd ook via de "poëzietelefoon" kon beluisteren: men draaide een nummer en hoorde Lucrèce haar gedicht "Narcisme" zeggen. Organiseerde ze met haar eigen schrijfmaatschappij publieksbijeenkomsten rondom poëzie, met muziek of visueel aanschouwelijk gemaakt met wat zij "beeldtaal" noemde, kon haar beschaafde gevooisdheid de klank van metaal aannemen en haar dichterlijke inborst zich uiten als een scheldwijf: het poëtendom was dronken, de muzikanten waren te laat, de geluidsinstallatie vertoonde kuren, waarbij ze zich tot boven en buiten de grenzen van hysterie opwond. Vervolgens sloot ze zich dagen-, soms wekenlang op in haar dodenhuis, waar geen licht mocht zijn anders dan van kaarsen, "tientallen, honderden kaarsen" (broer Johan).

Daar zat ze aan een tafeltje onder de steile trap met zwarte inkt brieven en verzen te schrijven in naarmate ze dronkener werd steeds hobbeliger en ten slotte onleesbaar handschrift. De ene depressie veroorzaakte de volgende, het kwam voor dat ze zo uitzinnig schreeuwde dat het door de muren heen was te horen en gealarmeerde buren de hulpdiensten waarschuwden. Kliniek in, kliniek uit begon ze aan zelfmoord te denken, ondernam ze onberaden pogingen daartoe, geïnspireerd door Virginia Woolf en anderen die het haar hadden voorgedaan.

(...)

Het thema, zelfs het woord zelfmoord komt niet voor in haar gedichten. Wat ze baarde in haar tweede bundel, 'Terra incognita', die verscheen in 1996, waren woorden als lijden, loden zwaarte, vergeefsheid, schZe had zich voorgenomen veertig jaar te worden, lang genoeg voor postume erkenning tot een heel eind in de eeuwigheid. Broer Johan: "Zelfmoord was voor haar een bevrijding uit haar lijden. We zeiden haar dat het nooit een oplossing kon zijn, dat ze vorm moest geven aan haar leven, met al haar talenten zich een plaats moest verwerven in de wereld. Op een bepaald punt aangekomen, oversteeg het echter onze mogelijkheden."aduwen, gehavendheid, pijn, niet kunnen wennen aan de wereld. Veel vogels zwermen door haar poëzie; zijn ze niet "gekortwiekt", dan "vleugellam" of zelfs "genekt" en zijn ze niet "verloren gevlogen", dan zingen ze een "donker lied (in) een taal die zij niet meer hoort".

(...)

Ze had zich voorgenomen veertig jaar te worden, lang genoeg voor postume erkenning tot een heel eind in de eeuwigheid. Broer Johan: "Zelfmoord was voor haar een bevrijding uit haar lijden. We zeiden haar dat het nooit een oplossing kon zijn, dat ze vorm moest geven aan haar leven, met al haar talenten zich een plaats moest verwerven in de wereld. Op een bepaald punt aangekomen, oversteeg het echter onze mogelijkheden."

'Terra incognita', opnieuw staat ze opgewekt stralend op het achterplat van het opnieuw zwarte bundeltje, zou ter gelegenheid van haar "40ste herfst" in Gent ten doop worden gehouden in de Hotsy Totsy-gelegenheid van Guido (broer van Hugo) en Motte Claus. Moeder Van Hecke was voor een snippervakantie naar Tenerife vertrokken, zodat haar aandacht even van Lucrèce was afgeleid. Twee dagen voor het herfstfeest, dat op 19 oktober 1996 zou worden gevierd, verliet de dichteres haar lichtloze woning en betrok een kamer in hotel Den Yzer aan de Vlaanderenstraat in Gent, drank bij zich, pillen bij zich en een boek over "waardig sterven".

Ze hoefde niet te worden gewekt, zei ze tegen de persoon aan de ontvangstbalie. Afscheidsbrieven aan familie en anderen in ten slotte tot woestenijen vervallen handschrift. Dat zij met haar zwarte leven in een witte kist wilde worden begraven en wat er op haar grafsteen moest staan: Dichteres Stichtster Voorzitster Vrije Schrijversakademie Gent. Zo perfectionistisch als ze was, afkerig van drukfouten, op de zerk is "akademie" met een c gespeld. Overigens werd met haar dood het instituut opgeheven. Ze stierf op haar veertigste verjaardag en rust voorgoed op de Westerbegraafplaats in Gent bij de resten van beroemde collega's als Virginie Loveling, Cyriel Buysse en Johan Daisne. Op het herdenkingsprentje staat onder haar naam: "Ik heb geleefd."

(...)

Jeroen Brouwers




Het interview met Johan Van Hecke over zijn zus Lucrèce stond in Dag allemaal, 2 april 2002. Ik ontleende enige gegevens aan 'Wit over zwart. Hommage aan Lucrèce Van Hecke' van het Tijd-schrift 'Vorm, Filosofie & Gaga', eigen beheer, Gent 2009. Alle documentatie voor dit levensbericht werd mij aangereikt door Marnix Coppens. Ik dank hem voor zijn onverzettelijk geduld en accuratesse.

Jeroen Brouwers

Onze partners