Wim Van Lancker
Wim Van Lancker
Postdoctoraal onderzoeker aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (Universiteit Antwerpen)
Opinie

05/01/15 om 16:31 - Bijgewerkt om 19:36

'Waarom een focus op kinderarmoede contraproductief kan zijn'

'In ons denken over armoede schuilt een merkwaardige tegenstrijdigheid', schrijft Wim Van Lancker. 'Door te focussen op kinderarmoede, voedt men het beeld dat ouders er verantwoordelijk voor zijn.'

'Waarom een focus op kinderarmoede contraproductief kan zijn'

Kinderarmoede © Thinkstock

Deze bijdrage verscheen eerder in het decembernummer van Sampol. Het maakt deel uit van het dossier: 'Kinderarmoede: de schandvlek'.

In de strijd tegen armoede komt de focus steeds meer te liggen op de strijd tegen kinderarmoede. Kinderen 'verdienen' die armoede immers niet, wat het draagvlak van armoedebestrijding moet verhogen. Maar die focus op kinderarmoede zou wel eens contraproductief kunnen zijn. Een focus op de onschuld van kinderen legitimeert dan wel overheidsingrijpen, maar niet noodzakelijk het beleid dat nodig is om de kinderarmoede te doen dalen. Net door het probleem van de verantwoordelijkheid te willen ontlopen, wordt het belang ervan bevestigd: door erop te hameren dat je focust op kinderen net omdat ze niet verantwoordelijk zijn, voedt men het beeld dat de anderen, de volwassenen en de ouders, wel verantwoordelijk zijn.

Draagvlak

Armoede is van het type waar geen kruid tegen gewassen lijkt. In 1985 publiceerden academici het boekje Armoede in Vlaanderen waarin we lezen dat 'volgens verschillende onderzoekers in België ongeveer 15 Belgen op 100 arm zijn'. We zijn nu dertig jaar later, en dankzij de moderne statistiek kunnen we nu met een veel grotere mate van precisie bevestigen dat we even ver staan: ongeveer 15% van de Belgische bevolking leeft in armoede. Dertig jaar stijging van de welvaart ten spijt boeken we als samenleving maar geen vooruitgang in de strijd tegen armoede.

Het beleidsantwoord van de Vlaamse en federale overheid op dit hardnekkige probleem wordt in toenemende mate gekenmerkt door een focus op kinderarmoede. In 2011 formuleerde de toenmalige Vlaamse regering de ambitie om tegen 2020 het aantal kinderen dat in armoede werd geboren te halveren. Op het federale niveau lazen we in het Nationaal Kinderarmoedebestrijdingsplan dat opgemaakt werd in 2013 de ambitie om het aantal kinderen in armoede met 17% te willen verminderen op het Belgische niveau, in samenwerking met de regionale overheden. En ook voor de nieuwe Vlaamse regering is een focus op kinderarmoede een speerpunt van het armoedebeleid. In de beleidsbrief van bevoegd minister Liesbeth Homans (N-VA) lezen we dat 'de bestrijding van kinderarmoede de sleutel is om de vicieuze cirkel van generatiearmoede te doorbreken' (p. 7). Deze toegenomen focus op kinderarmoede is geen Belgisch of Vlaams fenomeen, maar past in een internationale trend om armoede te bekijken als een probleem dat preventief moet worden aangepakt, namelijk bij de jongste levensjaren.

Morele plicht

De rationale hiervoor is een draagvlak te creëren binnen de samenleving door het hete hangijzer van de persoonlijke verantwoordelijkheid te vermijden. Het is een wijd verspreid principe van rechtvaardigheid dat mensen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun levenssituatie wanneer zij er niets aan kunnen doen, wanneer het hen is 'overkomen'. In de ogen van de buitenwereld ontstaat vaak twijfel over de oorzaak van armoede bij volwassenen, en wordt het al snel een kwestie van persoonlijk falen en schuld. Maar spreken we over kinderen, dan wordt de situatie opeens glashelder: zij kiezen er niet, nooit, voor om in een arm gezin geboren te worden en op te groeien. De overheid heeft dan, zo luidt de redenering, de morele plicht om die onrechtvaardigheid zo goed mogelijk ongedaan te maken en dat legitimeert een krachtig kinderarmoedebeleid. In de beleidsnota Homans wordt het belang van een maatschappelijk draagvlak voor armoedebestrijding expliciet erkend in de operationele doelstelling 'waken over een correcte beeldvorming omtrent armoede en zorgen voor een breed maatschappelijk draagvlak voor deze problematiek' (p. 26).

'Deserving poor' en 'undeserving poor'

We weten uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen in hun opvattingen over armoede een onderscheid maken tussen de 'deserving poor' en de 'undeserving poor', oftewel de armen die het verdienen om (inkomens)ondersteuning te krijgen en zij die dat niet verdienen. Daar schemert een dichotomie in door die verwijst naar persoonlijke verantwoordelijkheid. Eén groep armen wordt niet verantwoordelijk gesteld voor hun situatie, want ze kunnen er zelf niets aan doen. Zij verdienen ons mededogen. Zij zijn ziek geworden, invalide,... of worden als kind geboren in een arm gezin. En niemand kan verantwoordelijk worden gesteld voor de plaats waarin hij wordt geboren, toch? De andere groep armen heeft het minder goed getroffen: zij worden zelf verantwoordelijk gesteld voor hun situatie. Ze zijn lui, geven geld uit aan de verkeerde zaken, en als het even kan een combinatie van de twee. Net omdat het de perceptie van veel burgers voedt, is het belangrijk om de rol van persoonlijke verantwoordelijkheid te expliciteren.

Arm, maar met een smartphone

In ons denken over armoede schuilt een merkwaardige tegenstrijdigheid. Eigenlijk willen we als samenleving dat mensen die in armoede leven zich zoveel mogelijk gedragen als 'wij'. Er wordt verwacht dat ze er netjes uitzien, dat ze gaan solliciteren, dat ze hun kinderen goed opvoeden, en als ze een uitkering willen dat ze braaf luisteren naar de meneer of de mevrouw van het OCMW. Kortom, we verwachten dat ze zich een levenspatroon aanmeten dat op het onze lijkt. Maar als ze zich dan de uiterlijke symbolen van die normaliteit aanmeten, dan worden ze daar meteen met de nek voor aangekeken: zie, zogezegd arm, maar ze hebben wel een smartphone/plasma-tv/auto (schrappen wat niet past). Bovendien geven we ze in ruil onvoldoende middelen om dat allemaal te kunnen bolwerken; de uitkeringen liggen zo goed als allemaal onder de armoedegrens. We weten dat te lage uitkeringen eigenlijk tot een armoedeval leiden; een menswaardig inkomen daarentegen zorgt ervoor dat mensen beter in staat zijn zelf uit het dal te klimmen.

Beperkte bandbreedte

In armoede leven is leven met een vizier dat op de korte termijn is gericht; het is een dagelijkse strijd om rond te komen. De grote toekomstplannen ('Als ik ga studeren en een diploma haal, heb ik later veel meer kans op de arbeidsmarkt') ruimen vanzelf het veld voor het kortetermijndenken van de volgende dag ('Hoe ga ik morgen zorgen dat de boterhammendoos van mijn kind gevuld is en de elektriciteitsrekening wordt betaald'). Een gebrek aan middelen zorgt ervoor dat deze mensen geen ruimte meer hebben om ver vooruit te kijken. Dit wordt door Mullainathan en Shafir een gebrek aan 'cognitieve bandbreedte' genoemd. En dan krijg je fenomenen als kinderen die met een zakje chips naar school gaan, zoals vorig jaar in de kranten stond, omdat het voldoende calorieën bevat om een gevuld gevoel te geven en erg goedkoop is. Bijna instinctief veroordelen we: 'Welke ouder doet nu zoiets?' Wel, mijns inziens moeten we die vraag niet alleen stellen, maar ook beantwoorden. Treffen de ouders alle schuld, of ligt de oorzaak bij een gebrek aan middelen om voldoende en gezond voedsel te bekostigen? Waarom heeft dat gezin te weinig middelen? Wat is waar misgelopen? En waarom vind je altijd en overal goedkope chips, maar ligt gezonde voeding veel minder binnen handbereik?

Ondraaglijke complexiteit

Wie die vragen stelt, beseft: persoonlijke verantwoordelijkheid is van een ondraaglijke complexiteit. Het is simpelweg niet mogelijk om op individueel niveau te onderscheiden waar de omstandigheden stoppen en de persoonlijke verantwoordelijkheid begint. Hoe zou het ook? We zijn niet in staat om elke genomen beslissing te isoleren en daar het deeltje uit te halen waarvoor men persoonlijk verantwoordelijk is. We weten wél dat goedkope maar ongezonde voeding een deel van een overlevingsstrategie wordt wanneer mensen te weinig middelen hebben om te functioneren in onze samenleving. Het is alleen door dat te expliciteren dat we de dichotomie tussen de deserving poor en de undeserving poor achter ons kunnen laten, en de vraag die er echt toe doet kunnen beantwoorden: wat is de beste manier om deze gezinnen uit de armoede te helpen, zodat ze weer zelf hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen?

Een maatschappelijk draagvlak, maar voor welk beleid?

De rol van de verantwoordelijkheid in situaties van armoede is een erg gevoelig debat, al zeker voor politici die dit debat in de publieke arena moeten gaan voeren. Vanuit dat oogpunt is een focus op kinderarmoede begrijpelijk: net omdat kinderen nooit verantwoordelijk zijn, is het makkelijker om een draagvlak te creëren voor een armoedebeleid. Maar daarin schuilt net het gevaar. Door erop te hameren dat je focust op kinderen net omdat ze niet verantwoordelijk zijn, voedt men het beeld dat de anderen, de volwassenen en de ouders, wel verantwoordelijk zijn.

De focus op kinderarmoede vertaalt zich in beleidsmaatregelen die rechtstreeks te maken hebben met kinderen, en dan vooral de jongste kinderen: prenatale zorg, individuele begeleiding en opvoedingsondersteuning, kinderopvang. Of er wordt een kinderarmoedefonds opgericht, waarmee lokale en kleinschalige projecten voor deze kinderen worden ondersteund. Voor dat soort maatregelen is makkelijk een draagvlak te vinden. Kinderen zijn immers de deserving poor. Dergelijke beleidsmaatregelen zijn nuttig en nodig, maar lossen het probleem van een gebrek aan middelen niet fundamenteel op en zullen de armoedecijfers niet doen dalen.

Onderzoek van Wim van Oorschot toont glashelder dat werklozen en leefloners veel vaker dan andere groepen persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor hun situatie, en dat een beleid om hen te ondersteunen erg weinig legitimiteit geniet. Zij zijn de undeserving poor. De diagnose van Vandenbroucke, Vinck en Guio in dit themanummer leidt nochtans tot de onontkoombare conclusie dat de sleutel tot een succesvol kinderarmoedebeleid ligt bij gezinnen waarin deze volwassenen leven, de gezinnen met een lage werkintensiteit. Er moet dan worden ingezet op tewerkstelling, op inkomensbescherming en kostenverlaging, op onderwijs; kortom: op de beleidsinstrumenten van de klassieke welvaartsstaat. Maar om daarin te investeren en die middelen doelmatig in te zetten heb je politieke wil en een maatschappelijk draagvlak nodig.

Hier raken we aan de paradox van een armoedebeleid dat een draagvlak wil creëren door in te zetten op kinderen. Hoe meer we de nadruk leggen op de onschuld van kinderen, hoe meer we impliceren dat ouders wel verantwoordelijk (kunnen) zijn, en hoe meer het gevaar dreigt dat we het draagvlak voor een effectief kinderarmoedebeleid verder ondermijnen.

Onze partners