Chris Moris
Chris Moris
is algemeen directeur FEVIA, de overkoepelende beroepsfederatie voor de Belgische voedingsindustrie
Opinie

17/07/14 om 16:22 - Bijgewerkt om 16:29

Minder vet of zout in voeding zal complexe probleem obesitas niet oplossen

'In tegenstelling tot wat sommige politici beweren is de Belgische voedingsindustrie wel degelijk bereid haar verantwoordelijkheid te nemen', zegt FEVIA-directeur Chris Moris. 'Maar voeding met minder vet of zout, zal het complexe probleem van obesitas niet oplossen.'

Zo'n tien jaar geleden wees iedereen in het debat over obesitas nog met de vinger naar de consument: het was zijn of haar verantwoordelijkheid om anders te gaan eten. Vandaag is de visie op die verantwoordelijkheid verschoven. Er komt meer maatschappelijke druk op de industrie, die wordt opgeroepen om minder zout, suiker en vet te gebruiken.

In tegenstelling tot wat sommige politici beweren is de Belgische voedingsindustrie wel degelijk bereid haar verantwoordelijkheid te nemen in overleg met de overheid. Belangrijk daarbij is wel dat de kwaliteit, innovatie en diversiteit van Belgische producten behouden blijven.

Delen

Minder vet of zout in voeding zal complexe probleem obesitas niet oplossen

Het zoutconvenant dat in 2008 werd afgesloten tussen de minister van Volksgezondheid Laurette Onkelinx en de federaties van de voedingsindustrie (FEVIA) en de handel (COMEOS) bewijst dat het kan. Toen werd afgesproken dat de industrie haar verantwoordelijkheid zal nemen om stapsgewijs het zoutgehalte in voedsel te verminderen. Voorwaarde was wel dat de overheid het wettelijk kader aanpast, zodat zoutalternatieven gebruikt kunnen worden.

Daarnaast hebben we ook gevraagd dat de overheid de consument sensibiliseert om zelf ook minder zout te gebruiken. Want we moeten voorkomen dat de consument het zout dat wij achterwegen laten, weer zelf gaat toevoegen.

Zout

In september 2013 werden de resultaten van een monitoring publiek gemaakt. Vooral in vleesproducten (van -16% tot -36%), diverse broodsoorten (-22%), soepen in poedervorm (-17%), bereide maaltijden (-15% tot -29%) en kazen (van -7,5% tot -20%) is de verlaging al aanzienlijk. Consumentenorganisatie Test-Aankoop heeft in januari de inspanningen van de voedingsindustrie bevestigd, maar ook gewezen op lacunes.

Doordat het zoutgehalte in de voedingsmiddelen geleidelijk aan werd verlaagd, en niet in één keer, proefde de consument het niet. Zo kan dus voorkomen worden dat consument zelf zout gaat toevoegen, maar ook dat consumenten producten met meer zout in het buitenland gaan kopen. Een Europese coördinatie was dan ook belangrijk.

Voldoende lichaamsbeweging

Maar de bestrijding van overgewicht is complex. Het heeft namelijk geen zin om een bestanddeel, suiker of vet, te diaboliseren om het probleem van overgewicht en obesitas aan te pakken. Want het gevaar is groot dat dat bestanddeel dan gewoon wordt vervangen door een ander bestanddeel met misschien even veel energie of zelfs meer. Wij geloven in een balans tussen energie-inname en energieverbruik door voldoende lichaamsbeweging.

Binnen dit kader is de voedingsindustrie onder andere bereid om door productontwikkeling de hoeveelheid vet en suiker in producten te verminderen. Maar het is ook belangrijk dat de overheid het wetgevend kader voor productinnovatie verbetert en aanpast aan de noden van de industrie. Deze hebben vooral te maken met de productnaam en de productspecificaties.

Enkele voorbeelden: Wettelijk gezien moet boter 82% vet bevatten anders mag het geen boter heten, hetzelfde geldt voor mayonaise, dat in Nederland maar 70% vet hoeft te bevatten tegenover 80 % in België. En zo is chocolade zonder suiker geen chocolade, maar cacaofantasie.

Jaloers op Nederland

We willen graag benadrukken dat onze toekomst niet ligt in het volume van de producten, maar wel in de kwaliteit en de finesse van de producten die we afleveren. Als we daar in kunnen innoveren en aan de top staan, gaan we een mooie toekomst tegemoet. Evolueren naar kwaliteitsverbetering en naar toegevoegde waarde, in plaats van toenemende consumptie te stimuleren, kan evengoed een groeifactor zijn.

We kijken met veel jaloezie naar Nederland, waar de bevoegde minister van Volksgezondheid alle partijen rond de tafel roept en afspreekt wie wat doet. We zijn hiervoor ook vragende partij, maar we zitten met de verdeling van verschillende bevoegdheden tussen België en de gemeenschappen. Zo zijn de productnormen en de productdefinities een federale bevoegdheid. Sensibilisering van het publiek is preventie en dan weer een bevoegdheid van de gemeenschappen. Dit maakt de zaak alvast niet eenvoudiger.

Chris Moris, Algemeen Directeur FEVIA

Lees meer over:

Onze partners