De heenronde is elf van de vijftien speeldagen ver en buiten alle verwachtingen staat Cercle Brugge op een gedeelde tweede plaats. Ervaren verdedigende middenvelder en viceaanvoerder Arnar Vidarsson verklaart het succes van de ploeg met de jongste hoofdtrainer en vaak ook de jongste gemiddelde leeftijd van de Jupiler Pro League.
Prioriteit is altijd het behoud te verzekeren en voor het welzijn van de vereniging is het belangrijker jonge, goedkope spelers kansen te geven, te integreren en op te waarderen dan in de top zes te eindigen, kreeg hij te horen, maar momenteel combineert Bob Peeters de twee: met een ploeg die doorgaans minstens voor de helft uit beloften en voetballers uit lagere afdelingen is samengesteld, is Cercle met Club en AA Gent zelfs een van de naaste achtervolgers van leider Anderlecht. Voor Arnar Vidarsson is dat geen verrassing. “Vooraf waren er blijkbaar veel twijfels, maar intern voelde ik die nooit”, zegt hij. “Het verbaasde mij wat dat er ons een moeilijk jaar voorspeld werd. Tenslotte is dit het tweede seizoen met dezelfde trainer en werd het grootste deel van de groep behouden. Maar ik begrijp de mensen ook wel een beetje: Reynaldo was vertrokken, William Owusu was vertrokken en het was duidelijk dat ook Frederik Boi zou vertrekken, toch drie mannen die min of meer basisspelers waren; en in hun plaats kwamen jongens met weinig referenties die niemand kende. Bovendien waren de routiniers weer een jaartje ouder geworden. Maar op training zagen wij al direct dat Rudy iets speciaals had. En we wisten dat Reynaldo eigenlijk maar drie maanden gerendeerd had. Met zeven doelpunten was hij wel onze topschutter geworden, maar de meeste daarvan maakte hij voor Nieuwjaar.”
Herhalen
Waar in het klassement verwachtte je Cercle?
“Iets hoger dan de negende plaats van vorig seizoen, omdat we met onze manier van werken alleen maar kunnen groeien. Kijk, ik volg trainersschool en als je dat wilt, kan je op het internet tweeduizend verschillende oefeningen vinden; maar Bob beperkt zich tot zes of zeven pass- en trapvormen. Van telkens iets anders te doen, word je niet beter. Wij herhalen veel. In vergelijking met een jaar geleden doen wij die zes of zeven oefeningen al tien keer sneller en dat zit ook in ons spel. De juiste beslissingen nemen tijdens de wedstrijd is nog iets anders, maar wij kunnen ploegen soms echt pijn doen puur met balbezit.”
Welke magie gaat er achter het succes van het Cercle van Bob Peeters schuil?
“Bob is een goede peoplemanager: hij kan op de juiste momenten hard en op de juiste momenten mild zijn, hij weet hoe hij mensen op een verschillende manier moet prikkelen. Voor een trainer is dat heel belangrijk, want hij moet spelers achter zich zien te krijgen en ze moeten geloven wat je vertelt. Bob heeft natuurlijk ook een bepaalde visie, waar hij niet van afwijkt. Ik bedoel: onder hem speelden we nog nooit 3-5-2, ook nog nooit met een ruit op het middenveld en hij zei ook nog nooit ‘vandaag stampen we alles naar voren’. Het enige dat kan veranderen, is de driehoek op het middenveld: een aanvallende of een verdedigende.”
De variatie moet van de creativiteit van het individu komen?
“Bob verwacht veel van de intuïtie van zijn buitenspelers en we moeten eerlijk zijn: we beschikken over heel goeie jonge voetballers.”
Hoe goed zijn ze? Wie van hen zal er ooit hoger raken?
“Meer dan één.”
Wie is de beste?
“Er is sowieso Renato Neto, die in mijn buurt speelt. Hij is nog maar net twintig geworden, maar het is ongelooflijk wat die gast al kan. Die kan nu al naar de Belgische top. Nuno Reis is een topper in wording, Igor Vetokele bezit enorm veel mogelijkheden en ook Grégory Mertens kan het maken. Dat is al veel, maar twee van de vier zijn niet van ons. Cercle zit nog altijd een beetje in een tussenperiode. Er wordt gebouwd aan een nieuwe ploeg, maar volgend jaar zullen er wellicht grotere veranderingen zijn dan er afgelopen zomer waren. Dan moeten we zien hoe we dat oplossen.”
In je vorige interview in Sport/Voetbalmagazine, naar aanleiding van je transfer naar Brugge, zei je: ‘Ik heb een hekel aan jonge spelers die niet de drang hebben om oude mannen zoals ik onderuit te schoppen op training.’ Is de Cerclejeugd hard genoeg?
“Neen, die jongens neigen nog altijd naar veel te braaf. Al drie jaar zeg ik tegen Lukas Van Eenoo en Karel Van Roose: ‘Geef mij eens een schop terug als je er per ongeluk een van mij krijgt.’ Toevallig kreeg ik er deze week op training voor het eerst een terug van Karel. Ik complimenteerde hem daarvoor, want dat vind ik goed. We moeten nog harder worden tegen elkaar, want het profvoetbal is een harde wereld. Het is al verbeterd, maar klootzakken zullen het niet worden, denk ik.”
Een ‘klootzak’ zoals jij, mogen we dat zeggen?
“Ik hoop altijd dat mijn tegenstander mij na de wedstrijd een klootzak vindt.”
KV Kortrijktrainer Hein Vanhaezebrouck noemde jou vorig seizoen een matennaaier en het is moeilijk om hem geen gelijk te geven. Hoort dat er ook bij, de tegenstander en de scheidsrechter op die manier in de val lokken?
“Ik zal mij nooit laten vallen als er niets gebeurd is. Maar als iemand zo dom is om mij een duw of zelfs een halve kopstoot te geven voor de neus van de scheidsrechter zoals Pavlovic toen deed, dan voel ik mij echt niet verantwoordelijk voor de rode kaart die hij krijgt. Hein weet trouwens zelf heel goed hoe het voetbal in elkaar zit. Bij Lokeren speelde ik destijds een seizoen met hem samen, hij stuurde mij toen constant en leerde mij trucjes die mij nu nog altijd van pas komen. Als zich dat dan een jaar of tien later tegen hem keert, moet hij niet flauw doen, vind ik.”
Schelden
Nog even over de ‘peoplemanager’ Bob Peeters: niet iederéén verdraagt zijn soms extreem emotionele stijl van coachen even goed, wordt gezegd.
“Neen, maar dat is niet abnormaal, want je kunt nooit met iedereen even goed overeenkomen. Van bij de start waren er een aantal in de groep die grote ogen trokken, want Bob kan inderdaad heel direct zijn en schuwt de confrontatie niet. Toen we begin vorig seizoen bij Famagusta twee minuten voor tijd nog een goal pakten die ons alsnog uitschakelde, zag ik daarna in de kleedkamer aan enkelen hun gezicht: oei, hoe de trainer nu reageert, dat is niet meer normaal. Maar dat is de Hollandse manier. Ik moet bekennen dat ik ook schrok toen ik destijds in Nederland voor een volle kleedkamer voor verrot werd gescholden.”
Hoe ging dat toen?
“Ik zou niet willen dat die woorden op papier komen, maar van ‘wat zit jij hier eigenlijk te doen, stomme IJslander’ moet je daar niet opkijken.”
Moeten we zo’n primitieve benadering normaal vinden?
“Ondertussen hou ik daar zelfs van. Nogmaals: profvoetbal is nu eenmaal hard, daar moet je tegen bestand zijn. Als ik mijn werk niet doe, staan er bij wijze van spreken vier gasten van twintig jaar klaar om mijn positie in te nemen. Het is: jij of die andere? Dat is de basis. Ik weet dat sommigen een andere mening zijn toegedaan, maar ik vind dat het moet kunnen. Als je elkaar niet kunt zeggen waar het op staat, dan ga je niet vooruit. Je kunt alleen maar beter worden als je op je fouten gewezen wordt.”
Doe je dat niet het best sereen met objectieve analyses? Wat is de functie van schelden?
“Als bijvoorbeeld iemand herhaaldelijk zijn man laat lopen, dan mist vriendelijkheid effect. Hardheid creëert een ander gevoel. Maar pas op: Bob scheldt geen twintigjarigen de huid vol als ze iets fout doen, hoor. Hij pakt iederéén aan; maar het meest de ouderen, omdat hij van hen het meest verwacht. En: het gebeurt slechts sporadisch. We moeten van hem ook geen tiran maken. Meestal is hij gewoon kritisch zonder te roepen. Hij kan heel ontgoocheld zijn als we punten laten liggen, maar hij laat ook blijken als hij tevreden is. Bob kan heel streng zijn, maar je kunt met hem ook vooral op een heel menselijke manier over alles en nog wat praten.”
Maar met Denis Viane en Frederik Boi botste hij.
“Onder De Boeck kenden zij natuurlijk beiden een heel mooie periode. Dat kwam ook omdat de manier van spelen hen toen op het lijf geschreven was.”
Hoe bedoel je?
“Als ik het in één woord moet omschrijven: meer verdedigend. Nu is de intentie doorgaans meer om de tegenstander hoger onder druk te zetten en dominanter te zijn – op KV Mechelen deden we het niet, omdat we weten dat zij in de problemen komen tegen ploegen die terugzakken; dat was een tactische keuze. Er is trouwens ook een groot verschil in de manier van verdedigen: als er een voorzet van de flank komt, wil Bob dat er mandekking is; terwijl De Boeck van zoneverdediging houdt.”
Openbreken
Hoe dan ook: Cercle kende onder de leiding van Glen De Boeck een succesrijke periode.
“Het eerste seizoen onder De Boeck speelde Cercle volgens bepaalde vaste patronen en een heel goede organisatie fantastisch combinatievoetbal, maar vaak gebeurde dat vanuit de counter -de flankspelers Gombami en Iachtchouk zakten laag in. Maar naar mijn mening blijft dat in het moderne voetbal niet duren, want tegenstanders passen zich daaraan aan. Dan zit je zelf vast en zijn er spelers met snelheid en een individuele actie nodig om het spel open te breken zoals Rudy, Kristof D’Haene, Kevin Janssens en Igor Vetokele nu bij ons. We speelden dit seizoen al wel drie keer gelijk thuis, maar dwongen telkens kansen af. Als je puur vanuit positiespel en dezelfde looplijnen voetbalt, kom je onvermijdelijk vast te zitten. Dat is de reden waarom de trainer besliste om Boi te ruilen voor Rudy. Het getuigt van veel lef dat hij zijn visie durfde te volgen, want je mag niet vergeten: Boi is iemand van de streek die heel goed lag in de groep, bij het bestuur en bij de supporters. Stel dat het niet loopt en we nu maar zeven of acht punten tellen, dan was het bij veel mensen en journalisten geweest: hij gooit alle Cerclespelers buiten en wat is er in de plaats gekomen?”
Onder De Boeck had jij het aanvankelijk moeilijk.
“Mijn vrouw stuurde mij toen zelfs naar een psycholoog! ( lacht) Elke keer kwam ik van training of van de match thuis en was het niet gelukt of had ik op de bank gezeten. Het was altijd iets. Na een maand of drie was ze mijn gezaag beu en zei ze op een dag: ‘Kijk, Arnar, hier is een nummer, bel maar eens.’ Het was van sportpsycholoog Jef Brouwers. Ik legde hem mijn situatie uit, hij analyseerde ze, gaf mij zijn mening en een paar tips. Na twee uur stond ik recht en vroeg ik wanneer de volgende afspraak was, maar hij zei: ‘Jou moet ik niet meer zien, jij hebt geen problemen.’ Hij legde mij uit dat ik bij Lokeren negen jaar lang een beschermde omgeving gewoon was geweest: ik was er aanvoerder geworden en of er nu een nieuwe trainer of tien nieuwe spelers kwamen, ik paste mij probleemloos aan. Maar in Nederland werd die cocon doorprikt, kwam ik er een coach tegen die het niet in mij zag zitten en verloor ik vertrouwen; en eens terug in België raakte ik dus weer in zo’n situatie. ‘Je moet er gewoon voor zorgen dat je elke dag opnieuw het beste uit jezelf haalt,’ zei hij, ‘en zo stilaan weer een vertrouwde omgeving creëren.’ Ik ben die man enorm dankbaar, want hij lanceerde mij weer. Door hem vond ik de wil en de kracht terug om er weer echt voluit voor te gaan.”
Onder Bob Peeters ben je belangrijker geworden en presteer je wellicht beter dan ooit. Hoe komt dat?
“Ik ben iemand die tijd nodig heeft om zich in een nieuwe omgeving te settelen, maar had De Boeck mij van in het begin belangrijker gemaakt, dan had hij waarschijnlijk dezelfde Arnar gekregen als degene die ik nu ben. De eerste zes maanden speelde ik onder hem bijna niet en daarna bijna alles, maar het verschil is: bij Bob ben ik een van de twee, drie patrons van de ploeg; onder De Boeck was ik dat niet en dan is het moeilijker om je wil door te drukken en tijdens de wedstrijd te corrigeren waar nodig. Ik kon toen niet honderd procent mijn spel tonen.”
Kan je stellen dat De Boeck meer vastlegde voor de wedstrijd en dat Peeters meer aan zijn spelers overlaat om in het moment zelf te beslissen?
“Ja, maar zo zwart-wit is het niet. Het zit in details. Ik herinner mij trouwens aan aantal wedstrijden waarin De Boeck het fantastisch gezien had, waarvan ik dacht: maar jongens, dat was echt het perfecte plan. Maar bij Bob is het inderdaad iets meer van: elke wedstrijd heeft zijn eigen leven; en als het anders loopt dan we dachten, dan mag ik op eigen initiatief ingrijpen.”
Waarom klikt het beter met Peeters dan met De Boeck?
“Hij ligt mij gewoon. Zelfs al zou hij mij niet opstellen, dan nog zou ik niet boos op hem kunnen zijn. Bob is net als ik heel open. De Boeck zegt van zichzelf dat hij iemand is die meer op afstand werkt, maar dat als je dat ijs doorbreekt hij een heel joviaal en aangenaam iemand is. Blijkbaar is dat ijs nooit gebroken tussen ons. Denis Viane bijvoorbeeld slaagde er wel in een vertrouwensband met hem te creëren. Zo is het leven: met de ene klikt het beter dan met de andere.”
Hoe stabiel is het huidige succes?
“Dat is dé vraag. Van een ploeg met vaak vijf à zes basisspelers van rond de twintig jaar kan je niet verwachten dat die tien maanden top zal zijn. We beseffen dat we onderweg wel ergens een terugslag zullen krijgen, maar weten niet wanneer die zal komen en ook niet hoelang die zal duren. We werken eraan om die zo kort mogelijk te houden.”
Hoe doe je dat?
“Door de automatismen nog te verbeteren.”
DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE
“Als de trucjes die Hein Vanhaezebrouck mij bij Lokeren leerde zich een jaar of tien later tegen hem keren, moet hij niet flauw doen.”
“Ik hoop altijd dat mijn tegenstander mij na de wedstrijd een klootzak vindt.”
“Onder De Boeck stuurde mijn vrouw mij naar een psycholoog.”