Waar ligt de grens tussen veeleisend coachen en grensoverschrijdend gedrag? Topcoach Paul Van Den Bosch pleit voor een coachingcultuur die ambitie combineert met respect.
‘Ik word daar kwaad van.’ ‘Sorry als ik mij te veel aan het opwinden ben.’ Paul Van Den Bosch zal het tijdens het interview enkele keren herhalen. Doorgaans spreekt hij op een rustige, vastberaden toon, maar niet wanneer het over de vergoelijking van grensoverschrijdend gedrag in coaching gaat.
Van Den Bosch weet waarover hij spreekt: hij begeleidt al sinds 1988 topatleten naar de wereldtop en schreef verschillende boeken over zijn vak. Toch blijft hij zich verbazen over hoe veeleisendheid te vaak door elkaar wordt gehaald met brute, respectloze coaching. ‘Ik ben geen heilige, maar ik durf met de hand op het hart te zeggen dat ik in mijn hele coachcarrière nooit één scheldwoord heb gebruikt tegen mijn atleten. Nooit. Als coach communiceer ik vandaag met Thibau Nys op exact dezelfde manier als vroeger met zijn vader Sven.’
Van Den Bosch maakte nochtans de jaren tachtig, negentig en nul mee, een periode waarin brutale coaching in velerlei gedaantes als normaler werd beschouwd en grensoverschrijdende praktijken soms onder de mat werden geveegd. ‘Heel wat trainers gingen toen op die manier met hun atleten om. Dat kon zelfs verder gaan dan roepen, schelden en vernederen. Het was soms bijna mentale mishandeling.’
Nochtans ging het vaak om nationaal en internationaal gerenommeerde coaches, die lange tijd als voorbeeld golden omdat ze met hun harde methodes successen boekten. ‘Maar dat waren dikwijls successen met een gitzwart randje’, beklemtoont Van Den Bosch. ‘De meest getalenteerde atleet kreeg vaak het minst te verduren en kon doorgroeien. Maar daarnaast is een leger atleten de grond ingeboord. Gevolg: mentale blessures, eetstoornissen, behoefte aan psychologische hulp. En vooral: veel talent is voorgoed verloren gegaan.’
Drogreden
Nog altijd worden zulke praktijken deels gerechtvaardigd met het argument dat ‘het in de tijdgeest paste’. Niet alleen in de topsport, maar ook in het onderwijs en de maatschappij in het algemeen. Van Den Bosch veegt dat resoluut van tafel. ‘Dat is een drogreden. Coaches die zich daarmee proberen goed te praten, zonder zich te excuseren of te erkennen dat ze totaal fout zaten: daar heb ik geen begrip voor. Alleen idioten – en ik gebruik dat woord bewust – dachten dat ze hun atleet alleen naar de top konden brengen door brutaliteit.
‘Alleen idioten – en ik gebruik dat woord bewust – dachten dat ze hun atleet alleen naar de top konden brengen door brutaliteit.’
‘Het is niet omdat het vroeger zo vaak gebeurde, dat het aanvaardbaar was. Daar is geen enkel excuus voor. Hoe je met mensen omgaat, heeft niets met de tijdgeest te maken. Als dat vandaag niet past, paste het vroeger evenmin. Atleten waren toen dezelfde mensen, met dezelfde psychische gevoeligheden. Wij hebben vandaag geen ander gevoel van veiligheid dan in de jaren negentig.’
Van Den Bosch verwijst naar voormalig topturnster Aagje Vanwalleghem, die zich in 2020 uitsprak over grensoverschrijdende praktijken van haar ex-coaches. ‘Ik heb veel met Aagje gesproken. Zij heeft me verteld wat het met haar heeft gedaan als kind van elf, twaalf jaar: hoe ze fysiek en mentaal heeft geleden onder intimidatie, pesterijen en extreme druk rond gewicht. Verschrikkelijk wat die coaches haar en andere kinderen hebben aangedaan, en hoe dat jarenlang werd goedgepraat.’
Hij spreekt met grote bewondering over Vanwalleghem. ‘Zij heeft haar nek uitgestoken om wantoestanden in de turnfederatie aan te klagen, iets wat veel anderen niet durfden. Ze heeft enorme weerstand moeten overwinnen, maar ze heeft het wél gedaan, als boegbeeld van een generatie. Alleen al daarvoor verdient ze een medaille.’
Niet soft
Van Den Bosch stoort zich ook aan de stelling dat de slinger vandaag te ver zou zijn doorgeslagen. Dat coaches topatleten en jongeren te veel met fluwelen handschoenen zouden aanpakken, waardoor ze geen mentale weerbaarheid ontwikkelen. ‘Het gaat helemaal niet om soft zijn. Het gaat over correct en respectvol zijn. Je maakt jongeren niet veerkrachtiger als atleet of als mens door tegen hen te schelden. Dat kan niet worden getolereerd. Voor mij is dat een strikte grens.’
Dat betekent volgens Van Den Bosch niet dat je als coach geen hoge eisen mag stellen. ‘Topsport is niet voor doetjes. De trainingen die toppers vandaag moeten afwerken, zijn puur fysiek gezien vaak niet gezond. Maar als een atleet de wereldtop wil bereiken, dan moet er keihard en veel worden getraind. Op dat vlak ben ik nooit soft geweest.’
‘Die hoge eisen mogen en moeten er zijn. Alleen: hoe breng je ze over? Hoe ga je in dialoog met je atleten? Dáár draait het om.’
Hij herinnert zich hoe triatleet Kris Mariën, de eerste atleet die hij ooit coachte, hem later zei: ‘Je moest eens weten hoe vaak ik zin had om jou het zwembad in te trekken.’ Van Den Bosch stond toen naast het zwembad met de chronometer in de hand. ‘Als hij in een intervaltraining boven een bepaalde tijd bleef, pushte ik hem stevig om weer onder die tijd te zwemmen.’
De crux ligt volgens Van Den Bosch in de communicatie. ‘Die hoge eisen mogen en moeten er zijn. Alleen: hoe breng je ze over? Hoe ga je in dialoog met je atleten? Dáár draait het om. Dat gold twintig of dertig jaar geleden al. En dat zal morgen nog altijd gelden.’

Onderling respect
De sleutel daarbij is respect. Van Den Bosch verwijst naar zwemster Roos Vanotterdijk. Die werd naar eigen zeggen zwaar mentaal aangepakt door haar Franse ex-coach, waardoor ze het plezier in het zwemmen verloor. ‘Ik ben er honderd procent van overtuigd dat Roos nu, onder haar nieuwe trainer Mark Faber, even hard en misschien zelfs nog harder traint dan vroeger. Maar ze heeft nu een coach die haar met respect benadert. En ze presteert beter. Dat is het verschil.’
Respect werkt volgens Van Den Bosch wel in beide richtingen. Hij verwijst naar voetbaltrainer Jürgen Klopp. ‘Klopp eiste bij Liverpool dat spelers respectvol waren tegenover iedereen, ook tegenover de man die het gras moest onderhouden. Want, zei hij: als er geen respect is voor die mensen, is er ook geen respect voor de medespelers en de coaches.’
Maar wat als het respect niet wederzijds is, en een atleet afspraken niet naleeft, of trainingen niet afwerkt? ‘Dan is dat nog altijd geen vrijbrief om te schelden. Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat je daarmee meer positief effect creëert dan met empathische communicatie en feedback’, zegt Van Den Bosch. ‘Je moet dus in dialoog blijven gaan. Vraag: “Waarom heb je dat niet gedaan?” Leg uit waarom de training wel moet gebeuren. Vaak zit er een diepere reden achter als dat niet gebeurt. Atleten zijn ook mensen, met een leven buiten de sport. Daarin kunnen privéproblemen of mentale worstelingen opduiken waar een coach niet altijd meteen zicht op heeft. Als je dan begint te schreeuwen, duw je hen alleen maar dieper in de put.’
‘Atleten zijn ook mensen, met een leven buiten de sport. Daarin kunnen privéproblemen of mentale worstelingen opduiken waar een coach niet altijd meteen zicht op heeft.’
Pas wanneer atleten structureel niet doen wat van hen wordt gevraagd, kun je hen volgens Van Den Bosch als coach voor hun verantwoordelijkheid plaatsen, weliswaar nog altijd met respect en fatsoen. ‘Ik heb ook al tegen atleten gezegd waar het op staat: “Als je je niet kunt vinden in mijn werkwijze, dan houdt het op en stopt onze relatie.” In een teamsport geldt hetzelfde: wie structureel niet doet wat de trainer vraagt, heeft geen plaats in het team.’
Mondigere atleten
Van Den Bosch benadrukt ook het belang van de inbreng van de atleet. ‘Ik heb als coach het laatste woord, maar ik mail altijd een trainingsschema met de boodschap: “Dit is een voorstel. We bespreken dit nog.” In teamsport is zo’n individueel overleg wel moeilijker. Daar moet je als coach soms autoritairder zijn: dit is onze visie, dit is het spel. Maar ook topcoaches luisteren naar hun kernspelers. Als zij zich niet goed voelen in het systeem, draait het op niets uit.’
‘Een verschil is er wel met vroeger’, erkent Van Den Bosch. ‘Jongeren zijn mondiger geworden, ze verwachten in het algemeen meer inspraak. Vroeger waren sommigen ook mondig, maar was er minder overleg. Er heerste soms een gevoel van ondergeschiktheid van de atleet ten opzichte van de coach. Dat maakte het voor de coach misschien iets gemakkelijker, maar het zorgde er tegelijkertijd ook voor dat grensoverschrijdende zaken niet werden aangekaart.’
‘De druk op topsporters enorm is toegenomen. De financiële belangen zijn groter geworden, en media en sociale media confronteren hen constant met evaluaties.’
Een ander verschil is hoe teams vandaag inzetten op mentale begeleiding en hoe individuele atleten vaker aankloppen bij sportpsychologen. Van Den Bosch geeft toe dat hij daarin een evolutie heeft doorgemaakt. ‘Ik ging er vroeger van uit dat echt getalenteerde topatleten mentaal zo sterk moesten zijn dat ze geen psychologische hulp nodig hadden. Ik zag hen als een perfecte eenheid: fysiek én mentaal moest alles kloppen. Vandaag zie ik dat gerichte psychologische ondersteuning kan helpen, zeker omdat de druk op topsporters enorm is toegenomen. De financiële belangen zijn groter geworden, en media en sociale media confronteren hen constant met evaluaties. Het is vandaag moeilijker om mentaal overeind te blijven.’
Cijfertjes
Tot slot wijst Van Den Bosch op het toegenomen gebruik van data in de wetenschappelijke begeleiding. ‘Atleten moeten talloze regeltjes volgen rond trainingsschema’s, slaap, voeding… Het menselijke, het spontane is grotendeels verdwenen. Vaak luidt de eerste vraag van coaches vandaag na een training of wedstrijd: “Heb je je waarden gehaald?” Ook dat legt een grote druk op atleten.’
‘Uiteraard is dat geen grensoverschrijdende coaching, maar wel een onvolledige vorm van begeleiden. Data zijn zeer nuttig – ik gebruik ze zelf ook – maar ze zijn niet zaligmakend. Ze moeten ondersteunen, niet domineren. Naast de datacoach moet de menscoach staan: de coach die niet focust op de prestaties die de mens levert, maar in de eerste plaats op de mens die de prestaties neerzet.’
Communicatie en empathisch luisteren blijven daarin volgens Van Den Bosch cruciaal. ‘Dan is er die simpele, maar misschien wel belangrijkste vraag die een coach moet stellen: “Hoe gaat het met jou?” Dertig jaar geleden werd dat te weinig gevraagd als een atleet niet goed trainde of presteerde. Dan begon men eerder te roepen in plaats van te vragen wat er scheelde. Vandaag moeten we erover waken dat de cijfertjes niet de bovenhand halen.’
Paul Van Den Bosch
Geboren op 28 maart 1957.
Master in de lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen (KU Leuven).
Coach sinds 1988. Begeleidde/begeleidt onder meer: Eric Geboers, Georges Jobé, Marc Herremans, Sven Nys, Tim Wellens, André Greipel, Thibau Nys en Lucinda Brand.
Geef veel keynotes en schreef verschillende boeken over coaching: ConneXion, Act Like a Coach, Coach voor het leven en Lead Like a Coach.