Er is een 'sterke associatie' tussen het vaccin van AstraZeneca en bloedstollingsproblemen, weliswaar in zeer uitzonderlijke gevallen. Dat zegt het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA). Maar hoe zit dat bij de andere vaccins zoals dat van Johnson & Johnson en de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna? En wat met het traditionele griepvaccin dat we al jaren kennen?
...

Er is een 'sterke associatie' tussen het vaccin van AstraZeneca en bloedstollingsproblemen, weliswaar in zeer uitzonderlijke gevallen. Dat zegt het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA). Maar hoe zit dat bij de andere vaccins zoals dat van Johnson & Johnson en de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna? En wat met het traditionele griepvaccin dat we al jaren kennen? Vaccins zijn al decennia lang onder ons en een uitstekend middel om de bevolking te vrijwaren van allerlei infectieziekten. Vaccins tegen onder andere mazelen, bof, rubella en griep hebben al gigantisch veel levens gered en zijn bijzonder veilig. Doorgaans gaan ze gepaard met traditionele bijwerkingen, gaande van koorts, spierpijn, zich onwel voelen en reacties ter hoogte van de injectieplaats. Het zijn normale reacties die wijzen op de activatie van het immuunsysteem en verdwijnen meestal na een tweetal dagen.Een zeldzame combinatie van bloedklonters (trombose) en een tekort aan bloedplaatjes (trombocytopenie) als bijwerking kennen we niet bij deze traditionele vaccins. Waarom duiken ze dan nu in zeer zeldzame gevallen wel op bij coronavaccins? Mogelijk heeft een en ander te maken met de relatief nieuwe technologieën waarop de coronavaccins gestoeld zijn. Terwijl vaccins tegen mazelen, bof, griep, enz gebaseerd zijn op goed gekende technieken van afgezwakte virussen (bof, mazelen, rubella, rotavirus...) en geïnactiveerde virussen of bacteriën (buiktyfus, kinkhoest, griep, pneumokokken,...), maken de coronavaccins gebruik van een genetische code.Bij de lancering kwam vooral de mRNA-techniek (Pfizer, Moderna, CureVac) onder de aandacht als gloednieuwe vaccintechnologie omdat die nog nooit eerder werd gebruikt voor een vaccin. Maar ook 'adenovirale vectoren' als die van AstraZeneca, Johnson & Johnson en Sputnik V zijn redelijk nieuw. De enige vaccins met die technologie tot nu toe zijn het ebolavaccin en een rabiësvaccin voor dieren. Bij adenovirale vectoren tegen corona zijn bestaande (dierlijke of menselijke) adenovirussen bewerkt met het DNA van het stekeleiwit van het coronavirus. Dat DNA geeft het lichaam de nodige instructies om het stukje virus zelf aan te maken en er vervolgens antistoffen tegen te maken. Wetenschappers vermoeden nu dat deze genetische component in het vaccin voor een kink in de kabel in het immuunsysteem van sommigen zorgt. In zeer zeldzame gevallen worden bij het injecteren van genetische vaccins bepaalde cytokines aangemaakt die ons lichaam aanvallen. Het zijn die cytokines die de schijnbaar tegenstrijdige symptomen van trombose en trombocytopenie veroorzaken. Dit specifieke syndtroom (vaccine induced immune thrombotic thrombocytopenia of VITT) is vergelijkbaar met een immuunrespons bij 1 tot 2 procent van patiënten die met het antistollingsmedicijn heparine behandeld worden, bekend als heparin-induced thrombocytopenia (HIT). De plaats van de bloedklonter bij VITT is echter atypisch, namelijk in de buik en de hersenen. Normaal komen klonters eerder voor in de benen en de longen.Ook mRNA-vaccins zijn genetische vaccins, maar dan in de vorm van een vetbolletje met een sliert RNA die de genetische code binnenbrengt, maar die zorgen duidelijk minder voor de zeldzame bloedklachten. Voor de vaccins van Pfizer en Moderna zijn er immers tot nog toe geen gevallen van zeldzame bloedklachten bekend. Toch was dat voor het vaccin op de markt kwam, eveneens een bezorgdheid. 'De eerste generatie mRNA-vaccins veroorzaakte ook een te hoge cytokineproductie', zegt prof. dr. Niek Sanders van het Laboratorium voor Gentherapie van de UGent en expert inzake mRNA-vaccins. 'Men heeft ontdekt dat men dit kan verminderen door het mRNA goed op te zuiveren en te modificeren waardoor het minder lichaamsvreemd wordt en de respons van het aangeboren immuunsysteem minder sterk wordt. Was dit niet gebeurd, zouden we ook bij de mRNA-vaccins een hoge cytokineproductie zien met een hoger risico op bloedklontering als gevolg.'Zo'n modificatie bij het AstraZeneca-vaccin is moeilijker omdat de productie daarvan in cellen gebeurt. Aan mRNA-vaccins kun je veel makkelijker sleutelen.Tot dusver geldt de 'sterke associatie' met zeldzame bloedklachten enkel voor het vaccin van AstraZeneca met enkele tientallen gevallen op zo'n 25 miljoen doses wereldwijd. Al is de rapporteringsgraad per land erg verschillend. In Duitsland gaat het om 1 op de 100.000 vaccinaties. Voor het Johnson & Johnson-vaccin zijn tijdens de klinische tests en de uitrol in de Verenigde Staten in totaal zes meldingen gemaakt op zo'n 7 miljoen spuitjes. Voor de Verenigde Staten is dat voldoende om tijdelijk te stoppen met J&J en Australië heeft beslist om het Janssenvaccin helemaal niet meer aan te kopen Het EMA onderzoekt of er een link is. Het J&J-vaccin is goedgekeurd voor de Europese markt. Normaal gezien worden volgende week de eerste Belgen ingeënt met het vaccin. De vraag is nu of VITT mogelijk veroorzaakt wordt door de adenovirale vector zelf of de hoeveelheid adenovirus die ingespoten wordt. In dat laatste geval zou een lagere dosis vaccin een mogelijke uitweg kunnen zijn. Het is echter ook mogelijk dat er een totaal andere verklaring moet worden gezocht.In de tussentijd lijkt het steeds meer aangewezen om bij de vaccins van AstraZeneca en Johnson & Johnson uit voorzorg te wijzen op de zeer zeldzame risico's en ontvangers van deze vaccins te monitoren op mogelijke signalen van bloedklonters, hoe klein het risico ook is. Zo zouden mensen onmiddellijk medische hulp moeten zoeken als ze binnen de twee weken na vaccinatie last krijgen van kortademigheid, pijn op de borst, zwelling in het been, aanhoudende buikpijn, neurologische symptomen waaronder ernstige en aanhoudende hoofdpijn of wazig zien, kleine bloedvlekjes onder de huid buiten de injectieplaats en overmatige of gemakkelijke blauwe plekken.Het is immers mogelijk om het abnormale syndroom snel met een test op te sporen en een behandeling op te starten met bloedverdunners.