In sneltreinvaart gaan we naar 4 miljoen geregistreerde coronadoden wereldwijd. Wetenschappers gaan ervan uit dat het werkelijke aantal minstens dubbel zo hoog ligt - vooral in ontwikkelingslanden worden veel slachtoffers niet geregistreerd. In New Scientist lezen we de geruststellend bedoelde boodschap dat de crisis tot dusver 'zeker niet meer dan 40 miljoen' levens geëist heeft. De meeste doden vallen vandaag in twee gigantische en notoir slecht geleide landen, Brazilië en India. In het optreden van politici kun je moeilijk géén bewuste strategie zien om flink te 'snoeien', vooral in het arme deel van de bevolking in beide landen.
...

In sneltreinvaart gaan we naar 4 miljoen geregistreerde coronadoden wereldwijd. Wetenschappers gaan ervan uit dat het werkelijke aantal minstens dubbel zo hoog ligt - vooral in ontwikkelingslanden worden veel slachtoffers niet geregistreerd. In New Scientist lezen we de geruststellend bedoelde boodschap dat de crisis tot dusver 'zeker niet meer dan 40 miljoen' levens geëist heeft. De meeste doden vallen vandaag in twee gigantische en notoir slecht geleide landen, Brazilië en India. In het optreden van politici kun je moeilijk géén bewuste strategie zien om flink te 'snoeien', vooral in het arme deel van de bevolking in beide landen. Een studie in Scientific Reports stelt dat verloren levensjaren in rekening brengen nuttiger is dan overlijdens tellen. Begin dit jaar waren er in 81 landen in totaal meer dan 20 miljoen levensjaren verloren gegaan aan corona - dat is twee tot negen keer meer dan de tol van de jaarlijkse grieppandemie. Driekwart van de verloren levensjaren komt van mensen jonger dan 75, een derde van mensen jonger dan 55. Zo nuanceren de cijfers een beetje de focus op de hoge leeftijd van het gemiddelde slachtoffer. Het topvakblad Nature wijst op twee onwaarschijnlijke successen: de snelle ontdekking van werkzame vaccins en de uitrol van een globale vaccinatiecampagne. Minder dan een jaar nadat het nieuwe virus was beschreven, hadden Pfizer, Moderna en AstraZeneca een vaccin op de markt gebracht. Minder dan vier maanden na de goedkeuring voor gebruik van het eerste vaccin door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waren er een miljard spuitjes gezet. Het tweede miljard zal nog sneller bereikt worden. De ambitieuze doelstelling is om eind dit jaar 12 miljard vaccins gemaakt en verdeeld te hebben, voldoende om wereldwijd minstens alle volwassenen minstens twee keer ingeënt te hebben. Onmogelijk is dat niet. Met het eerste miljard vaccins zijn 570 miljoen mensen minstens één keer gevaccineerd. Dat is 7,3 procent van de wereldbevolking, die volgens de WHO 7,8 miljard mensen telt. De meeste vaccins zijn verdeeld in de Verenigde Staten en China. Israël en het Verenigd Koninkrijk behoren tot de landen die proportioneel het grootste deel van hun bevolking hebben gevaccineerd (respectievelijk 62 en 50 procent). De 'ongeziene snelheid' van uitrol maskeert wel een potentieel gevaar: in grote delen van de wereld, vooral in Afrika, wordt amper gevaccineerd. Als we het virus écht onder controle willen krijgen, moeten we de inspanning gelijkmatig over de wereld verdelen. Anders kan het zich blijven herbronnen en aan een nieuwe ronde beginnen. De problemen met het vaccin van AstraZeneca en eventueel dat van Johnson & Johnson (dat op een vergelijkbare drager is geënt) dreigen de plannen te doorkruisen om snel te vaccineren in de derde wereld, schrijft Science. Door de grote focus op enkele zeldzame neveneffecten, zoals trombose, zijn veel mensen bang voor die vaccins. Ze zijn allebei goedkoper en veel gemakkelijker te verspreiden dan de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna, maar ontwikkelingslanden weten nu ook dat westerse landen restricties zetten op hun uitrol vanwege het - weliswaar piepkleine - risico op dodelijke neveneffecten. Bovendien is een zeldzame trombose in landen met een gebrekkige gezondheidszorg veel minder gemakkelijk te detecteren en behandelen. Congo, bijvoorbeeld, zal het AstraZeneca-vaccin daarom niet aan zijn bevolking toedienen. De WHO bekijkt nu of vaccins van Chinese makelij voldoen aan de vereisten om op grote schaal verspreid te worden en zo de tekorten aan te vullen. Het valt te vrezen dat het coronavirus nooit meer helemaal zal verdwijnen. Er kunnen nieuwe varianten blijven opduiken die zo gewijzigd zijn dat de oorspronkelijke vaccins niet meer werken. Daar houden vaccinontwikkelaars al rekening mee - dezelfde basisgedachte zien we achter het jaarlijkse vaccin tegen nieuwe varianten van het griepvirus. Voorlopig volstaan de vaccins om na een besmetting met de drie courantste coronavirusvarianten (de Britse, Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse) op zijn minst een ziekenhuisopname te vermijden. Er zijn nog geen tekenen dat dat bij de nieuwe Indiase variant anders zou zijn. The Journal of the American Medical Association beschrijft de inspanningen die enkele grote spelers in de vaccinwereld leveren om in te spelen op de varianten. Moderna zal in de zomer een boostervaccin testen tegen (vooral) de alomtegenwoordige Britse variant. Johnson & Johnson zou tezelfdertijd met klinische tests van een 'variantenvaccin' starten: in de eerste fase zal het een proefvaccin aan een kleine groep gezonde vrijwilligers toedienen. Pfizer onderzoekt het effect van een derde prik met zijn vaccin, dat al dan niet zal zijn aangepast aan nieuwe varianten. Almaar meer waarnemers kijken nóg verder vooruit. Niemand weet waar de grenzen van het huidige coronavirus liggen. Zal het ooit echt aan onze opgebouwde natuurlijke en farmaceutische afweer kunnen ontsnappen? En niemand weet wanneer we een volgende pandemie met een nieuw coronavirus kunnen verwachten. Er zijn zo'n 150 coronavirussen bekend, en er circuleren er ongetwijfeld veel meer in de natuur. Die kunnen constant nieuwigheden creëren. Gezien onze moderne levensstijl, waardoor we vreemde biotopen binnendringen (ook als we daar eigenlijk niets te zoeken hebben) en reizen over de hele wereld, staat het in de sterren geschreven dat er nieuwe pandemieën zullen volgen. Daarom wordt er ijverig gezocht naar vaccins die tegen een brede waaier aan coronavirussen werken: de zogenoemde 'pancoronavirusvaccins'. Zowel Nature als Science publiceerde recent een overzicht van die inspanningen. Het spookbeeld van een coronavirus dat even besmettelijk is als het huidige en even dodelijk als het sarsvirus uit 2003 (dat kostte tot 10 procent van de besmette mensen het leven, tegenover bijna 1 procent bij het huidige coronavirus) heeft zich stevig in de hoofden van de virusbestrijders genesteld. De dodentol zou dan in korte tijd tot honderden miljoenen mensen kunnen oplopen. In 2017 vroegen drie onderzoeksgroepen subsidies aan voor een speurtocht naar een universeel coronavirusvaccin bij het Amerikaanse National Institute of Allergy and Infectious Diseases (NIAID) van de ondertussen wereldwijd bekende viroloog Anthony Fauci - de man die in 2020 het chaotische coronabeleid van president Donald Trump moest managen. De aanvragen werden als ' outstanding' geëvalueerd, maar omdat niemand toen wakker lag van coronavirussen kregen ze een 'lage prioriteit'. Met andere woorden: er kwam geen steun. De context is natuurlijk veranderd. In november 2020 schreef NIAID een 'noodoproep' uit voor projecten rond universele vaccins, maar volgens de laatste berichten kreeg nog geen enkel project concrete steun. Ook de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI), een internationale alliantie van overheden en organisaties, is in het verhaal gestapt: ze maakt er 200 miljoen dollar voor vrij. De hamvraag is: hoe pak je een virus aan dat je nog niet kent? Daarvoor moet je optimist zijn en een paar geschikte uitgangspunten zoeken. Zo is het 'verrassend gemakkelijk' gebleken om een vaccin te maken tegen het huidige coronavirus (voor het griep- of aidsvirus is dat stukken moeilijker). Uit dierproeven blijkt dat antistoffen tegen één coronavirus dikwijls ook een effect hebben op andere coronavirussen. Sommige menselijke antistoffen tegen het sarsvirus uit 2003 blijken te werken tegen het huidige coronavirus. Een studie in Nature bevestigt dat antistoffen tegen de Zuid-Afrikaanse variant ook doeltreffend zijn tegen andere varianten. De antistoffen tegen de Britse variant zouden dan weer te zwak zijn om sterkere varianten te counteren. Een zinvolle zoektocht is die naar elementen die wellicht in de meeste coronavirussen zullen terugkomen. Een voorbeeld daarvan is het stekeleiwit dat alle bekende coronavirussen gebruiken om cellen te infecteren. Dat eiwit zou niet sterk kúnnen wijzigen, omdat dat zijn infecterende vermogen in het gedrang zou brengen, wat evolutionair ongunstig is. Het zou dus 'conservatief' zijn, wat goed nieuws is. Vanuit dat inzicht zou je bijvoorbeeld een mRNA-vaccin kunnen 'opladen' met een reeks codes voor diverse stukken uit stekeleiwitten van verschillende coronavirussen, inclusief de vier die nu al in de mensheid circuleren en niet meer dan gewone verkoudheden veroorzaken. Je kunt ook nanolichamen opladen met artificiële eiwitten die stukjes van stekeleiwitten nabootsen. Half februari publiceerde Science een eerste wetenschappelijke analyse van het effect van zo'n nanolichaam, in dit geval met acht stukken stekeleiwit van acht verschillende coronavirussen, op de weerstand van muizen. Het gecombineerde vaccin lokte de productie van antistoffen uit die werkten tegen de acht virussen plus vier die niet in de cocktail waren opgenomen. Het wekte voorzichtig optimisme over de slaagkansen van een universeel vaccin. Dankzij dat kleine succes is de ontwikkeling van een combinatievaccin in een stroomversnelling gekomen. De bedoeling is dat de eerste klinische tests op mensen deze zomer starten. De grootste optimisten rekenen erop dat een boostervaccin tegen het einde van 2021, als we de 'derde prik' zouden krijgen, al een brede dekking zou kunnen geven. Het is niet uitgesloten dat we jaarlijks of om de twee à drie jaar zo'n (eventueel telkens aangepast) breedspectrumboostervaccin toegediend zullen krijgen. De eerste observaties van de langetermijneffecten van de huidige vaccins suggereren dat de bescherming best wel eens langer dan een jaar zou kunnen duren. Een pancoronavirusvaccin zou antistoffen met een brede dekking produceren in plaats van gewone antistoffen die werken tegen één virus. Wetenschappers rekenen daarbij op een proces dat 'rijping' van antistoffen heet: ze zouden na verloop van tijd zo evolueren in een lichaam dat hun virusbestrijdende vermogen groter en breder wordt, zodat ze ook varianten kunnen aanpakken. In een latere fase zouden ze zelfs varianten kunnen bestrijden waar ze aanvankelijk niet op reageerden. De natuur mag af en toe wel een handje helpen in onze strijd tegen een pandemie. In ideale omstandigheden hebben vaccins ook een stimulerend effect op de tweede poot van ons afweersysteem: de zogenoemde T-cellen. Antistoffen vermijden dat virussen cellen binnendringen, T-cellen vernietigen geïnfecteerde cellen. Voor een efficiënte afweer zijn beide poten nodig. De T-cellen zouden langer actief blijven dan de antistoffen. Volgens sommige wetenschappers bepaalt hun activiteit de kans dat je na een besmetting in het ziekenhuis belandt: hoe groter die activiteit, hoe beter. En welke virusvariant ook bij je binnendringt, de T-celrespons zou blijven werken. Ze zal belangrijk zijn om een breed gamma aan coronavirussen aan te kunnen pakken. Zal de coronapandemie daardoor binnen afzienbare tijd niet méér zijn dan een snel te vergeten, minder florissante periode uit onze recente geschiedenis? Misschien, maar misschien ook niet.