Paul Broca is een beroemde Franse anatoom die in de negentiende eeuw doceerde aan de Sorbonne in Parijs. Hij is vooral bekend van zijn ontdekking van het naar hem genoemde taalgebied in de hersenen, het gebied van Broca, dat actief is als je spreekt.

Paul Broca deed als een van de eersten onderzoek naar de hersenen van vrouwen. Zo viel het hem in 1860 al op dat mannen grotere breinen hadden dan vrouwen. Hij bedacht dat dit vast het gevolg was van de grotere lichaamslengte van mannen, waardoor handen, voeten, hoofd en natuurlijk ook het brein, nu eenmaal groter zijn. Dat leek hem een afdoende verklaring en hij liet het daar verder bij. In de honderd jaar daarna werd deze logica gevolgd wanneer anatomen naar vrouwenbreinen keken.

Vrouwenbrein is gemiddeld 11 procent kleiner

Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw lieten Davison Ankney en collega's zien dat het anders zit. Ankney, een van oorsprong Canadese zoöloog, en zijn team hadden toegang tot een grote groep overledenen en kwamen op het geniale idee om mannen en vrouwen van overeenkomstige lichaamslengte te vergelijken.

De gemiddelde lengte van Amerikaanse mannen in die jaren was 1,68 meter. Ter vergelijking zocht hij daar vrouwen bij van precies dezelfde lengte. Ankney constateerde dat het brein van de mannen van 1,68 meter gemiddeld 100 gram zwaarder was dan dat van de vrouwen van 1,68 meter. Wanneer je je realiseert dat de jaarlijkse afname van hersengewicht met het ouder worden gemiddeld 2 gram is, dan is een volle ons hersenen een enorm verschil.

Een grote studie onder legerpersoneel uit 1992 kwam op hetzelfde uit: na correctie voor lengte, leeftijd en militaire rang, had de gemiddelde mannelijke Amerikaanse soldaat 1442 cm³ aan hersenvolume, en de gemiddelde vrouwelijke soldaat 1332 cm³. Een verschil van 110 cm³. Ook deze studie concludeerde dat vrouwen kleinere en lichtere breinen hebben, zelfs als je corrigeert voor lichaamslengte, leeftijd en legerrang.

Dat verschil in hersenvolume tussen de seksen wordt tijdens het leven geleidelijk groter. Bij de geboorte zijn jongetjesbreinen (gecorrigeerd voor lengte) slechts 5 cm³ groter dan die van meisjes. Op de leeftijd van een jaar scheelt het al 50 cm³. Tussen zeven en zeventien jaar is er al gauw 60 tot 80 cm³ verschil en vanaf een jaar of vijfentwintig, als de hersenen volgroeid zijn, is het verschil 110 cm³. Dat is een best forse 11 procent verschil in hersenvolume, minstens twee standaarddeviaties lager voor de vrouwen.

Vrouwen hebben 17 procent minder zenuwcellen

Nog heftiger vind ik de studie van Bente Pakkenberg uit Kopenhagen. Zij maakte een schatting van het aantal zenuwcellen voor vrouwen en mannen door cellen te tellen in plakjes hersenweefsel en die te vermenigvuldigen met het aantal plakjes dat er in het brein past. Net als zoveel hersenonderzoekers richtte ze zich alleen op de grote hersenen. Ze ontdekte dat mannen gemiddeld 23 miljard zenuwcellen in hun grote hersenen hebben, terwijl het gemiddelde van vrouwen slechts op 19 miljard cellen kwam. Een verschil van 17 procent!

Correctie voor lengte veranderde deze gegevens niet. Pakkenberg en collega's vonden dat zowel vrouwen als mannen tijdens hun leven gemiddeld 10 procent van die zenuwcellen kwijtraken.

De sterkste voorspellers van het aantal zenuwcellen dat iemand in zijn grote hersenen heeft zijn geslacht en leeftijd, in die volgorde. Aan- of afwezigheid van ziektes zoals alzheimer is veel minder van invloed. Het feit dat ik een vrouw ben, betekent dat ik waarschijnlijk minder dan 20 miljard cellen in mijn grote hersenen heb. Het feit dat ik bijna vijftig ben helpt daar niet bij. Om het even op scherp te zetten: ik heb waarschijnlijk minder hersencellen in mijn grote hersenen dan mijn mannelijke alzheimerpatiënt van vijfenzestig jaar.

Het mysterie dat ik in dit boek wil ophelderen is: waarom heb ik dan toch voldoende verstandelijke vermogens om hem te behandelen, terwijl dat omgekeerd niet het geval is?

Slimme vrouwen

Vrouwen doen intellectueel niet onder voor mannen. Neem Judit Polgár, die in 1976 werd geboren in Boedapest. Op haar vijftiende werd ze schaakgrootmeester (net iets jonger dan Bobby Fischer, de tot dan toe jongste schaakgrootmeester) en ze versloeg in 2002 Garri Kasparov, die van 1986 tot 2005 de wereldranglijst aanvoerde.

Nog een voorbeeld: in Nederland is het percentage mannen en vrouwen dat een hbo- of universitair diploma heeft gelijk - zo'n 31 procent van de bevolking. Voor de jongere generatie (tot 35 jaar) ligt het percentage hoogopgeleide vrouwen zelfs 10 procent hoger dan bij mannen. Hoe doen zij dat, met een ons hersenweefsel en 4 miljard zenuwcellen minder?

Een studie uit Pennsylvania vergeleek vrouwelijke en mannelijke hersenen. Er werd niet alleen gekeken naar het aantal zenuwcellen in verschillende hersengebieden, maar ook naar het aantal zenuwuitlopers, de vertakkingen die verbinding maken met andere zenuwcellen. Daaruit bleek dat mannen gemiddeld meer hersencellen per volume hebben (en dat is dus dubbelop: mannen hebben meer hersenvolume, en dan ook nog eens meer zenuwcellen per volume). Maar vrouwen hebben per zenuwcel meer verbindingen.

Vrouwen hebben dus minder hersencellen, maar meer uitlopers per hersencel. Die zenuwuitlopers bevatten de contactplaatsen tussen zenuwcellen (de synapsen), en we denken dat juist het aantal synapsen belangrijk is voor het denkvermogen. Met minder zenuwcellen maar meer uitlopers per zenuwcel, komen vrouwen mogelijk toch op eenzelfde gemiddeld aantal synapsen. Mogelijk, want het gemiddeld aantal synapsen voor vrouwen en mannen is niet bekend. Dat is een eerste aanwijzing dat het vrouwenbrein mogelijk evenveel potentie heeft als dat van mannen - maar niet dezelfde potentie.

Het maakt namelijk wel verschil of je veel zenuwcellen met elk een klein aantal verbindingen hebt of minder zenuwcellen met meer verbindingen per cel. De mannelijke vorm, met vele kleine systeempjes, zou in theorie beter uitgerust zijn om geïsoleerde, gespecialiseerde taken uit te voeren, terwijl de vrouwelijke variant, met minder zenuwcellen maar breed vertakte systeempjes, ideaal lijkt om verschillende taken met elkaar te verbinden.

Een andere compensatie van vrouwen is dat ze per cm³ hersenvolume een hogere verbranding hebben dan mannen. Meer verbranding betekent een hogere activiteit. Hun kleinere brein lijkt harder te werken dan de grotere mannenbreinen.

Het Vrouwenbrein, Iris Sommer, ISBN 9789045042725, uitgeverij Atlas Contact, 21,99 euro.
© Het Vrouwenbrein, Iris Sommer, ISBN 9789045042725, uitgeverij Atlas Contact, 21,99 euro.
Paul Broca is een beroemde Franse anatoom die in de negentiende eeuw doceerde aan de Sorbonne in Parijs. Hij is vooral bekend van zijn ontdekking van het naar hem genoemde taalgebied in de hersenen, het gebied van Broca, dat actief is als je spreekt. Paul Broca deed als een van de eersten onderzoek naar de hersenen van vrouwen. Zo viel het hem in 1860 al op dat mannen grotere breinen hadden dan vrouwen. Hij bedacht dat dit vast het gevolg was van de grotere lichaamslengte van mannen, waardoor handen, voeten, hoofd en natuurlijk ook het brein, nu eenmaal groter zijn. Dat leek hem een afdoende verklaring en hij liet het daar verder bij. In de honderd jaar daarna werd deze logica gevolgd wanneer anatomen naar vrouwenbreinen keken. Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw lieten Davison Ankney en collega's zien dat het anders zit. Ankney, een van oorsprong Canadese zoöloog, en zijn team hadden toegang tot een grote groep overledenen en kwamen op het geniale idee om mannen en vrouwen van overeenkomstige lichaamslengte te vergelijken. De gemiddelde lengte van Amerikaanse mannen in die jaren was 1,68 meter. Ter vergelijking zocht hij daar vrouwen bij van precies dezelfde lengte. Ankney constateerde dat het brein van de mannen van 1,68 meter gemiddeld 100 gram zwaarder was dan dat van de vrouwen van 1,68 meter. Wanneer je je realiseert dat de jaarlijkse afname van hersengewicht met het ouder worden gemiddeld 2 gram is, dan is een volle ons hersenen een enorm verschil. Een grote studie onder legerpersoneel uit 1992 kwam op hetzelfde uit: na correctie voor lengte, leeftijd en militaire rang, had de gemiddelde mannelijke Amerikaanse soldaat 1442 cm³ aan hersenvolume, en de gemiddelde vrouwelijke soldaat 1332 cm³. Een verschil van 110 cm³. Ook deze studie concludeerde dat vrouwen kleinere en lichtere breinen hebben, zelfs als je corrigeert voor lichaamslengte, leeftijd en legerrang. Dat verschil in hersenvolume tussen de seksen wordt tijdens het leven geleidelijk groter. Bij de geboorte zijn jongetjesbreinen (gecorrigeerd voor lengte) slechts 5 cm³ groter dan die van meisjes. Op de leeftijd van een jaar scheelt het al 50 cm³. Tussen zeven en zeventien jaar is er al gauw 60 tot 80 cm³ verschil en vanaf een jaar of vijfentwintig, als de hersenen volgroeid zijn, is het verschil 110 cm³. Dat is een best forse 11 procent verschil in hersenvolume, minstens twee standaarddeviaties lager voor de vrouwen. Nog heftiger vind ik de studie van Bente Pakkenberg uit Kopenhagen. Zij maakte een schatting van het aantal zenuwcellen voor vrouwen en mannen door cellen te tellen in plakjes hersenweefsel en die te vermenigvuldigen met het aantal plakjes dat er in het brein past. Net als zoveel hersenonderzoekers richtte ze zich alleen op de grote hersenen. Ze ontdekte dat mannen gemiddeld 23 miljard zenuwcellen in hun grote hersenen hebben, terwijl het gemiddelde van vrouwen slechts op 19 miljard cellen kwam. Een verschil van 17 procent! Correctie voor lengte veranderde deze gegevens niet. Pakkenberg en collega's vonden dat zowel vrouwen als mannen tijdens hun leven gemiddeld 10 procent van die zenuwcellen kwijtraken. De sterkste voorspellers van het aantal zenuwcellen dat iemand in zijn grote hersenen heeft zijn geslacht en leeftijd, in die volgorde. Aan- of afwezigheid van ziektes zoals alzheimer is veel minder van invloed. Het feit dat ik een vrouw ben, betekent dat ik waarschijnlijk minder dan 20 miljard cellen in mijn grote hersenen heb. Het feit dat ik bijna vijftig ben helpt daar niet bij. Om het even op scherp te zetten: ik heb waarschijnlijk minder hersencellen in mijn grote hersenen dan mijn mannelijke alzheimerpatiënt van vijfenzestig jaar. Het mysterie dat ik in dit boek wil ophelderen is: waarom heb ik dan toch voldoende verstandelijke vermogens om hem te behandelen, terwijl dat omgekeerd niet het geval is? Slimme vrouwenVrouwen doen intellectueel niet onder voor mannen. Neem Judit Polgár, die in 1976 werd geboren in Boedapest. Op haar vijftiende werd ze schaakgrootmeester (net iets jonger dan Bobby Fischer, de tot dan toe jongste schaakgrootmeester) en ze versloeg in 2002 Garri Kasparov, die van 1986 tot 2005 de wereldranglijst aanvoerde. Nog een voorbeeld: in Nederland is het percentage mannen en vrouwen dat een hbo- of universitair diploma heeft gelijk - zo'n 31 procent van de bevolking. Voor de jongere generatie (tot 35 jaar) ligt het percentage hoogopgeleide vrouwen zelfs 10 procent hoger dan bij mannen. Hoe doen zij dat, met een ons hersenweefsel en 4 miljard zenuwcellen minder? Een studie uit Pennsylvania vergeleek vrouwelijke en mannelijke hersenen. Er werd niet alleen gekeken naar het aantal zenuwcellen in verschillende hersengebieden, maar ook naar het aantal zenuwuitlopers, de vertakkingen die verbinding maken met andere zenuwcellen. Daaruit bleek dat mannen gemiddeld meer hersencellen per volume hebben (en dat is dus dubbelop: mannen hebben meer hersenvolume, en dan ook nog eens meer zenuwcellen per volume). Maar vrouwen hebben per zenuwcel meer verbindingen. Vrouwen hebben dus minder hersencellen, maar meer uitlopers per hersencel. Die zenuwuitlopers bevatten de contactplaatsen tussen zenuwcellen (de synapsen), en we denken dat juist het aantal synapsen belangrijk is voor het denkvermogen. Met minder zenuwcellen maar meer uitlopers per zenuwcel, komen vrouwen mogelijk toch op eenzelfde gemiddeld aantal synapsen. Mogelijk, want het gemiddeld aantal synapsen voor vrouwen en mannen is niet bekend. Dat is een eerste aanwijzing dat het vrouwenbrein mogelijk evenveel potentie heeft als dat van mannen - maar niet dezelfde potentie. Het maakt namelijk wel verschil of je veel zenuwcellen met elk een klein aantal verbindingen hebt of minder zenuwcellen met meer verbindingen per cel. De mannelijke vorm, met vele kleine systeempjes, zou in theorie beter uitgerust zijn om geïsoleerde, gespecialiseerde taken uit te voeren, terwijl de vrouwelijke variant, met minder zenuwcellen maar breed vertakte systeempjes, ideaal lijkt om verschillende taken met elkaar te verbinden. Een andere compensatie van vrouwen is dat ze per cm³ hersenvolume een hogere verbranding hebben dan mannen. Meer verbranding betekent een hogere activiteit. Hun kleinere brein lijkt harder te werken dan de grotere mannenbreinen.